WeRead Powered by ReaderPub
Waverley cover

Waverley

Chapter 76: VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young man who becomes entangled in a Highland uprising, experiencing divided loyalties as he moves between urban society and rural clan life. Military engagements and intimate domestic scenes alternate with vivid descriptions of landscapes and customs, while romantic attachments and moral dilemmas test personal honor. The work balances action and reflection, examining themes of identity, political allegiance, cultural clash, and the human costs of upheaval through a sequence of episodic scenes and richly detailed historical portraiture.

[Inhoud]

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een treur’ger afscheid breekt het hart,

De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart.

Campbell.

Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken, die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en zwaar [347]geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.

„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop, omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den laarzentrekker?”

„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik als dit?”

„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”

„Ja, hij is in veiligheid.”

„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”

Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.

„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent, en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten Vich Ian Vohr beloven?”

Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van Ivor.

„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.” [348]

De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken, stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.

„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij, half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem zijn geheele leven door gevolgd heeft!”

„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met zijn Opperhoofd te sterven.”

„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik – morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van? – ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”

„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan, en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.

Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der gevangenen los te klinken.

„Gij ziet,” zeide Fergus met een glimlach, „welk een compliment men aan onze Hooglandsche spierkracht en moed maakt – wij hebben hier geketend gelegen als wilde dieren, totdat onze beenen door kramp verlamd zijn, en nu ze ons los maken, zenden ze zes soldaten met geladen geweren, om te beletten, dat wij het slot stormenderhand veroveren!”

Eduard vernam later, dat deze strenge voorzorg gebezigd werd, ten gevolge eener wanhopige poging der gevangenen, om te ontsnappen, waarin zij op het punt waren geweest van te slagen.

Spoedig hierop riepen de trommels de bezetting onder de wapens. „Dit is de laatste marsch!” zeide Fergus, „dien ik hooren en waaraan ik gehoorzamen zal. En nu mijn beste, beste Eduard, laat ons, eer wij scheiden, van Flora spreken – een onderwerp, dat de teêrste snaar raakt, die nog in mij trilt.”

„Wij scheiden hier niet,” zeide Waverley.

„Ja, zeker, gij moet mij niet verder vergezellen. Niet, dat ik hetgeen [349]volgt, voor mijzelven vrees,” zeide hij met fierheid, „de natuur heeft zoo wel haar martelingen, als de kunst, en hoe gelukkig zouden wij den man prijzen, die aan de benauwdheden eener pijnlijke en doodelijke ongesteldheid binnen den tijd van een half uur ontsnapte? En deze zaak mogen ze rekken, zoo veel ze willen, langer duren kan het niet. Maar het gezicht van hetgeen een stervende in staat is met vastberadenheid uit te staan, zou voor een levenden vriend wel eens doodelijk kunnen zijn. – Deze fraaie wet op het hoogverraad,” ging hij met vastheid en bedaardheid voort, „is een der zegeningen, Eduard, waarmede uw vrij vaderland ons arm oud Schotland heeft begunstigd, daar, naar ik hoor, onze eigen rechtspleging veel zachter was. Wanneer er geen woeste Hooglanders meer met zulke teedere gunsten te beweldadigen zijn, zullen ze het uit hunne wetboeken schrappen, daar het hen gelijk stelt met een volk van kannibalen, even als zij de zotternij zullen laten varen, van een gevoelloos hoofd te pronk te stellen voor de oogen van het publiek. Zij zijn niet geestig genoeg om het mijne met een papieren kroontje te versieren; daarin zou nog iets satirieks gelegen zijn. Ik hoop evenwel, dat ze het op de Schotsche poort zullen zetten, opdat, zelfs na mijn dood, mijn oogen gekeerd mogen zijn naar de blauwe heuvels van mijn vaderland, dat ik zoo hartelijk liefheb. De Baron zou er bijgevoegd hebben:

„Moritur, et moriens dulces reminiscitur Argos.”1

Een beweging, en het geluid van raderen en paardenhoeven liet zich thans op de binnenplaats van het kasteel hooren. „Ik heb u gezegd, Eduard, dat gij mij niet moet volgen, en dit geluid herinnert mij dat mijn uur gekomen is. Vertel mij dus, hoe gij de arme Flora gevonden hebt?”

Waverley gaf, met een door aandoeningen afgebroken stem, verslag van de stemming waarin hij Flora had gevonden.

„Arme Flora!” antwoordde het Opperhoofd, „ze zou haar eigen dood veel lichter verduurd hebben dan den mijne. Gij, Waverley, zult spoedig het geluk dat onderlinge liefde in het huwelijk schenkt, leeren kennen – lang, lang mogen Rose en gij het genieten! – maar gij zult nooit de reinheid van het gevoel kunnen beseffen, dat twee weezen, als Flora en mij, verbindt, die, om zoo te zeggen alléen gelaten in de wereld, van de vroegste kindschheid af, alles in alles voor elkander waren. Maar haar ernstige denkbeelden van plicht en haar innige gevoelens van gehechtheid aan het koninklijk geslacht, zullen haar geest nieuwe krachten verleenen, nadat de folterende smart dezer scheiding bedaard is. Zij zal dan aan Fergus denken, als aan den held van ons geslacht, wiens daden te herdenken haar een onuitsprekelijk genot zal zijn.”

„Zal ze u dan niet eens zien? Ze scheen er op te rekenen.”

„Een noodzakelijk bedrog zal haar dit laatste verschrikkelijk afscheid sparen. Ik zou van haar niet hebben kunnen scheiden zonder tranen, en ik kan het denkbeeld niet dulden, dat deze lieden denken zouden, dat ze de macht hebben mij die uit de oogen te persen. Men heeft Flora [350]wijs gemaakt, dat ze mij later zien zou, en deze brief, die mijn biechtvader haar ter hand zal stellen, zal haar berichten dat alles voorbij is.”

Thans verscheen, een officier, en berichtte dat de groot-sheriff en zijn gevolg buiten de poort van het kasteel wachtten, „om de lichamen van Fergus en Evan Maccombich op te eischen.” „Ik kom,” antwoordde Fergus. En terwijl hij Eduards arm greep en door Evan Dhu en den priester werd gevolgd, daalde hij de trappen van den toren af; de stoet werd door de soldaten gestoten. De binnenplaats was bezet met een eskadron dragonders en een bataljon infanterie, en carré geschaard. In het midden van hun gelederen was de slede, of horde, waarop de gevangenen naar de plaats der terechtstelling, omtrent een kwartier ver van Carlisle, moesten gesleept worden. Ze was zwart geverwd en met een schimmel bespannen. Aan het eene einde van dit voertuig zat de scherprechter, een kerel, even afzichtelijk als zijn ambt, met de groote bijl in de hand; aan het andere einde, het dichtst bij het paard, was een ledige plaats voor twee personen. Door den langen en donkeren Gothisch gewelfden gang, die naar de brug geleidde, zag men den groot-sheriff en zijn gevolg te paard, wien de etiquette, die de burgerlijke en militaire autoriteiten van elkander scheidt, niet toeliet nader te komen. „Geen kwade toerusting voor een laatste tooneel,” zeide Fergus, verachtelijk glimlachende, terwijl hij een blik op het schrikbarende toestel wierp. Evan Dhu, wiens oog op de dragonders viel, riep met eenige verbittering: „Dit zijn dezelfde knapen, die te Gladsmuir weg liepen, voordat wij nog een dozijn van hen doodslaan konden. Thans zien ze er echter dapper genoeg uit.” De priester verzocht hem te zwijgen.

Thans naderde de slede; en Fergus zich omkeerende omhelsde Waverley, kuste hem op beide wangen, en stapte vlug naar zijn plaats. Evan zette zich naast hem. De priester zou in een rijtuig van den katholieken heer volgen, bij wien Flora gehuisvest was. Op het oogenblik dat Fergus met de hand een afscheidsgroet aan Waverley toewierp, omsloten de soldaten de slede, en de geheele stoet zette zich in beweging. Er was een oogenblik van oponthoud aan de poort, daar de Gouverneur van het kasteel en de groot-sheriff een kleine formaliteit verrichtten, dewijl de militaire Officier de personen der misdadigers aan de burgerlijke autoriteiten moest uitleveren. „Leve koning George!” riep de groot-sheriff. Fergus richtte zich echter overeind op de slede, en antwoordde met luide en vaste stem: „Leve koning Jacobus!” Dit waren de laatste woorden, door Waverley uit den mond zijn vriends gehoord.

De trein zette zich op nieuw in beweging, en de slede verdween van onder de gewelfde poort, waar ze een oogenblik had stil gehouden. De doodsmarsch, gelijk hij genoemd wordt, liet zich toen hooren, en de zwaarmoedige tonen vermengden zich met den klank eener doffe klok, die in de naburige hoofdkerk geluid werd. De tonen der krijgsmuziek werden hoe langer hoe onhoorbaarder, naar gelang de trein verder en verder voorttrok; en weldra hoorde men niets anders dan het akelig onheilspellend geluid van een aantal kerkklokken.

Thans waren de laatste soldaten uit het gewelf verdwenen, dat ze gedurende verscheidene minuten waren doorgetrokken; de binnenplaats was geheel ledig; maar Waverley stond er nog roerloos, met de oogen op den duisteren doorgang gevestigd, waar hij zoo even den laatsten blik van zijn vriend had opgevangen. Eindelijk vroeg hem een dienstmaagd [351]van den Gouverneur, door medelijden getroffen over de onuitsprekelijke smart, die op zijn gelaat te lezen stond, of hij niet naar binnen wilde gaan en zich een oogenblik nederzetten? Ze moest haar vraag tweemaal herhalen, eer hij haar begreep, maar eindelijk bracht dit hem weder tot zichzelven. Hij bedankte haar voor haar vriendelijkheid met een vluchtige beweging, trok met de hand zijn hoed diep in de oogen, en liep, nadat hij het kasteel verlaten had, zoo snel hij kon door de ledige straten, tot hij zijn herberg bereikt had, waar hij op zijn kamer vloog en de deur grendelde.

Na verloop van omstreeks anderhalf uur, die hem een eeuw van onuitsprekelijke smart toescheen, verwittigden hem het geluid van trommels en fluiten, die een vroolijk deuntje speelden, en het verwarde gedruisch der menigte, waardoor thans de geheel verlaten straten gevuld werden, dat alles voorbij was en dat het volk terugkeerde van het ijselijk tooneel. Ik zal het niet wagen zijn aandoeningen te beschrijven.

Des avonds bezocht hem de priester, en berichtte dat hij dit deed op verzoek van zijn overleden vriend, om hem te verzekeren, dat Fergus Mac-Ivor gestorven was gelijk hij geleefd had, en tot het laatste toe zijner vriendschap was indachtig geweest. Hij voegde er bij, dat hij ook Flora had bezocht, wier zielstoestand bedaarder scheen, nu alles afgeloopen was. Met haar en zuster Theresia was de priester voornemens Carlisle den volgenden dag te verlaten, en zich naar de naaste zeehaven te begeven, waar hij naar Frankrijk wenschte scheep te gaan. Waverley dwong dezen goeden man een ring van eenige waarde, en een som gelds aan te nemen, om gebezigd te worden (daar hij dacht dat dit Flora aangenaam wezen zou) tot katholieke kerkdiensten, voor de nagedachtenis van zijn vriend. „Fungarque inani munere2, dacht hij, toen de geestelijke vertrokken was. „Maar waarom zou men deze hulde aan de nagedachtenis niet rangschikken naast andere bewijzen van liefde en genegenheid, door alle gezindten aan de herinnering der afgestorvenen gewijd?”

Den volgenden morgen, voor dag en dauw, verliet Eduard de stad Carlisle, met het vaste voornemen, om nooit weder een voet binnen haar muren te zetten. Hij durfde nauwelijks omzien naar de Gothische bolwerken van de versterkte poort. „Ze zijn hier niet,” zeide Alick Polwarth, die de reden giste van den aarzelenden blik, door Waverley achter zich geworpen, en die, vervuld met de gemeene zucht naar het verschrikkelijke, met al de bijzonderheden der terechtstelling bekend was. „De hoofden staan boven de Schotsche poort, zoo als men die noemt. Het is jammer van Evan Dhu, die een zeer welmeenend, goedhartig mensch was voor een Hooglander, en waarlijk, dat was de heer van Glennaquoich ook, voor zoo ver hij geen van zijn kwade buien had.” [352]


1 Hij sterft, en stervend lispelt hij den zoeten naam van Argos nog.

Virgilius. 

2 Ook van een ijdelen plicht zal ik mij kwijten.

Virgilius.