WeRead Powered by ReaderPub
Waverley cover

Waverley

Chapter 9: VIERDE HOOFDSTUK. LUCHTKASTEELEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young man who becomes entangled in a Highland uprising, experiencing divided loyalties as he moves between urban society and rural clan life. Military engagements and intimate domestic scenes alternate with vivid descriptions of landscapes and customs, while romantic attachments and moral dilemmas test personal honor. The work balances action and reflection, examining themes of identity, political allegiance, cultural clash, and the human costs of upheaval through a sequence of episodic scenes and richly detailed historical portraiture.

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

LUCHTKASTEELEN.

Ik heb reeds een wenk gegeven, dat de grillige en ziekelijke wansmaak, door overdaad van beuzelachtige lectuur aangekweekt, onzen held niet slechts ongeschikt maakte voor ernstige en gezette bezigheid, maar hem zelfs eenigermate een weerzin had ingeboezemd in hetgeen tot hiertoe zijn liefhebberij was geweest.

Hij had zijn zestiende jaar bereikt, toen zijn afgetrokken aard en zijn zucht naar eenzaamheid zoo sterk in het oog vielen, dat Sir Everards bezorgdheid opgewekt werd. Hij poogde deze neiging tegen te gaan, door zijn neef uittenoodigen tot allerhande jachtvermaken, waarin de voornaamste uitspanning van zijn eigen jeugd bestaan had. Maar, schoon Eduard voor een enkel saizoen het jachtroer gretig opnam, verloor hij, [21]zoodra hij geleerd had er zich met eenige behendigheid van te bedienen, alle genoegen in deze tijdkorting.

In het volgend voorjaar bracht des ouden Izaäk Walton’s „Volmaakte hengelaar” hem er toe, om een ijverige beoefenaar van diens kunst te worden. Maar van alle uitspanningen, welke het vernuft ooit heeft uitgevonden om ledigheid te verdrijven, is het visschen het allerminst geschikt om iemand te vermaken, wiens traagheid zijn ongeduld evenaart, en de hengelroede van onzen held werd spoedig ter zijde gelegd. Goed gezelschap en voorbeeld, waardoor onze driften sterk beteugeld en beheerscht worden, zouden wel hunne gewone uitwerking op onzen jeugdigen dweeper hebben kunnen uitoefenen; maar de buurt was dun bevolkt, en de te huis opgevoede jonge lieden, die men er aantrof, behoorden niet tot de klasse, waaruit makkers voor Eduard konden gekozen worden, en nog veel minder waren ze in staat om zijn naijver op te wekken bij die veldvermaken, welke zij als het hoofddoel van hun leven beschouwden.

Er waren eenige andere jongelieden, die eene betere opvoeding ontvangen hadden en van veel minder bekrompen aard; maar onze held was eenigermate van hun kring uitgesloten. Sir Everard had, na den dood van koningin Anna, zijne plaats in het Parlement opgegeven, en, met de klimmende jaren, terwijl het aantal zijner tijdgenooten verminderde, zich langzamerhand uit de zamenleving teruggetrokken; zoodat, wanneer Eduard weleens met knappe en welopgevoede jonge lieden van zijn stand en vooruitzichten in aanraking kwam, hij zijn minderheid gevoelde, niet zoo zeer uit gebrek aan onderwijs en kennis, als uit gemis aan oefening, om hetgene hij wist voor te dragen en te pas te brengen. Eene sterke, dagelijks toenemende gevoeligheid deed dezen afkeer van het gezellig verkeer aangroeijen. De vrees van het minste vergrijp tegen de wellevendheid begaan te hebben, was voor hem ondragelijk; want misschien veroorzaakt de schuld van het kwaad zelf bij sommige gemoederen zulk een pijnlijk gevoel van schaamte en wroeging niet, als een zedig, gevoelig en onervaren jongeling ondervindt, bij het bewustzijn, dat hij de maatschappelijke vormen uit het oog verloren of zich belachelijk gemaakt heeft. Waar wij niet op ons gemak zijn, daar kunnen wij niet gelukkig wezen; en daarom is het niet vreemd, dat Eduard Waverley in den waan verkeerde, dat hij onbemind was en ongeschikt voor het gezellig verkeer, alleen omdat hij de gave nog niet verkregen had, er zich met gemak te bewegen, en anderen genoegen te geven of het zich zelven te verschaffen.

De uren door hem bij zijn oom en tante gesleten, werden verbeuzeld met telkens herhaalde vertellingen van den praatzieken ouderdom. Doch zelfs daarbij werd zijn verbeelding, het overheerschend vermogen van zijn geest, menigmaal opgewekt. Familie-overlevering en geslachtkundige historie, waarover Sir Everard meestal sprak, is juist het tegenovergestelde van den barnsteen, die, schoon op zich zelven een kostbare zelfstandigheid, toch doorgaans vliegen, stroohalmpjes en andere prullen bevat; terwijl de genoemde studiën, op zich zelve hoogst onbeduidend en beuzelachtig, nogtans dienen, om zeer veel van hetgeen in de oude zeden zeldzaam en belangrijk is, voor de vergetelheid te bewaren, en een aantal wetenswaardige kleinigheden in herinnering te houden, die door geen ander middel te bewaren, of tot ons over te brengen zouden zijn. Zoo derhalve Eduard Waverley van tijd tot tijd geeuwde bij het [22]oplezen van den droogen catalogus van de namen zijner voorvaderen, en bij het opsommen hunner onderling aangegane huwelijken, en in zijn hart de koude en langdradige nauwkeurigheid verwenschte, waarmede de waardige Sir Everard de onderscheidene trappen van verwantschap naging, die er bestonden tusschen het huis van Waverley-Honour en de dappere baronnen, ridders en heeren, met welke het vermaagschapt was; zoo hij (in weerwil zijner verplichting aan de drie hermelijnen) soms met al de drift van een Hotspur, in zijn hart vloekte op de poespas der wapenkunde, hare griffioenen, hare monsters en hare draken verwenschte, waren er echter oogenblikken, waarin zijn verbeelding opgewekt en zijne oplettendheid geboeid werd.

De daden van Wilibert van Waverley in het Heilige Land, zijn lange afwezigheid en gevaarlijke avonturen, zijn veronderstelde dood en zijn terugkomst op den avond, toen zijn geliefde den held gehuwd had, die haar tegen beschimping en verdrukking had beschermd; de edelmoedigheid, waarmede de kruisridder zijn aanspraken opgaf en in het naburig klooster den eeuwigen vrede zocht,1 – naar deze en soortgelijke verhalen kon hij luisteren tot zijn hart gloeide en zijn oog glinsterde. En niet minder was hij aangedaan, wanneer zijn tante Rachel, van het lijden en de dapperheid van Alice Waverley, gedurende den grooten burgeroorlog, verhaalde. De vriendelijke gelaatstrekken van de bejaarde jonkvrouw namen een verhevener uitdrukking aan, als ze verhaalde, hoe Karel, na den slag van Worcester, voor een dag toevlucht vond op Waverley-Honour, en hoe, toen een troep ruiterij naderde, om het huis te doorzoeken, Lady Alice haar jongsten zoon uitzond, van een handvol huisbedienden vergezeld, met het bevel, om ten koste van hun leven, een uur uitstel te bewerken, ten einde den Koning den tijd te verschaffen om te ontvluchten. „En, God zij haar genadig,” dus placht Freule Rachel voort te gaan, terwijl zij hare oogen op de beeltenis der heldin vestigde, en er bijvoegde, „wel kocht ze het behoud van haar koning duur met het leven van haar meest geliefd kind. Hij werd hier heen gebracht als gevangene, doodelijk gewond; en gij kunt nog de sporen van zijn bloed zien, van de groote zaaldeur, langs de kleine gaanderij en verder op naar de kamer waar hij werd nedergelegd, om aan de voeten zijner moeder te sterven. Maar ze troostten elkander; want hij zag aan het schitteren van zijn moeders oog, dat het doel zijner wanhopige verdediging bereikt was.” „Ach! ik herinner mij,” ging zij voort, „ik herinner mij nog iemand gezien te hebben, die hem kende en beminde. Om zijnentwil leefde en stierf Lucie St. Aubin ongehuwd, schoon een der schoonste en rijkste partijen in dit koninkrijk; het geheele land liep haar na, maar geheel haar leven lang droeg ze den zwaren rouw, om den armen Willem; want zij waren verloofd, ofschoon niet getrouwd, en ze stierf in – ik herinner mij den datum niet; maar wèl, dat in November van datzelfde jaar, toen ze gevoelde dat hare krachten begonnen af te nemen, ze nog eenmaal verlangde naar Waverley-Honour gebracht te worden. Ze bezocht toen al de plaatsen waar ze met zijn oudoom geweest was, en liet de tapijten opnemen, om het spoor van zijn bloed te zien, en als tranen in staat waren geweest het uit te wisschen, zou het er niet meer [23]aanwezig zijn; want er was geen droog oog in het geheele huis. Gij zoudt gemeend hebben, Eduard, dat zelfs de boomen om haar treurden; want naast haar vielen de bladeren af, zonder dat het geringste koeltje zich bewoog; en waarlijk ze zag er uit als iemand, die ze nooit weder groen zou zien.”

Na het hooren van zulke legenden sloop onze held doorgaans weg, om zich aan de mijmeringen over te geven, daardoor opgewekt. In den hoek van de uitgestrekte en sombere boekerij, bij geen ander licht, dan hetgeen de smeulende blokken op den breeden haard verspreidden, kon hij uren lang die inwendige tooverij uitoefenen, waardoor gebeurtenissen uit het verledene of die welke de verbeelding oproept, voor het oog van den droomer als het ware leven. Nu eens zag hij voor zich een langen en rijken sleep van schitterende vizioenen verrijzen: het bruiloftsfeest binnen het kasteel van Waverley; de ranke en vermagerde gestalte van den rechtmatigen heer in zijn pelgrims gewaad, als een onopgemerkt toeschouwer der vreugde van zijn gewaanden erfgenaam en van zijne bestemde bruid; den elektrieken schok door de ontdekking veroorzaakt; het grijpen der vazallen naar de wapenen; de verbazing van den bruidegom; de schrik en verwarring van de bruid; de bittere smart waarmede Wilibert opmerkte, dat zij van ganscher harte in het huwelijk toestemde; de houding die getuigde van waardigheid, en diep gevoel, waarmede hij het half ontbloote zwaard weder in de schede stak, en het huis zijner voorvaders verliet om het voor altijd den rug toe te keeren. Dan liet hij wederom het tooneel veranderen, en de fantazie moest hem gehoorzamen en tante Rachels treurspel vertoonen. Hij zag Lady Waverley zitten in het prieel, geheel en al oor om het minste geluid op te vangen, terwijl haar hart van angst klopte, nu eens luisterende naar de wegsmeltende klanken van den hoefslag van ’s konings paard, en toen deze verstierven, in elk windje, waardoor de boomen in het park bewogen werden, het geraas der verwijderde schermutseling hoorende. Een geluid in de verte wordt vernomen, als het ruischen van een bergstroom; het komt nader, en Eduard kan duidelijk het draven der paarden, het getier en geschreeuw der manschappen, en daaronder het knallen van pistoolschoten onderscheiden; alles hoe langer hoe meer het kasteel naderende. De dame springt op – een ontsteld bediende stort binnen. – Maar waartoe zulk eene beschrijving vervolgen?

Daar het leven in deze denkbeeldige wereld onzen held dagelijks aangenamer werd, zoo was het hem naar evenredigheid onaangenaam gestoord te worden. De uitgebreide landerijen, waardoor het slot omringd was, die, daar ze den omvang van een park ver te boven gingen, gemeenlijk Waverley Jacht genoemd werden, waren oorspronkelijk boschgrond geweest, en bezaten, schoon afgewisseld door uitgestrekte open vakken, waarin de jonge reeën dartelden, nog geheel het woeste karakter van eertijds. Het land was doorsneden met breede lanen, op vele plaatsen half begroeid met kreupelhout, waar de schoonen van vroegere dagen hare standplaats plachten te kiezen, om het hert door de windhonden te zien vervolgen, of eene gelegenheid te vinden om met den armboog op te mikken. Op éen plek, kenbaar door een met mos begroeid gothisch gedenkteeken, dat nog den naam van koninginneplek behield, had Elizabeth, naar men zeide, met eigen hand zeven herten doorschoten. Dit was een lievelingsplek van Eduard Waverley. Op andere tijden was hij gewoon met het jachtroer en [24]zijn hond, die als voorwendsel voor anderen moesten dienen, en met een boek op zak, dat misschien als voorwendsel voor hemzelven dienen moest, eene dezer lange lanen in te slaan, die na anderhalf uur klimmens, zich allengs vernauwde tot een ruw, smal pad door den steenachtigen en dichtbegroeiden pas, Het Zwarte dal genaamd, en eensklaps een uitzicht schonk op een diep en donker meertje, om dezelfde reden Het Zwarte meer genoemd. Daar stond in vroeger tijd een eenzame toren op eene rots, bijna geheel door water omringd, die den naam verkregen had van „de sterkte van Waverley,” omdat hij vaak in gevaarlijke tijden tot toevluchtsoord der familie had gediend. Daar voerden, gedurende de oorlogen van York en Lancaster, de laatste aanhangers van de Roode Roos, die hare zaak durfden voorstaan, een onafgebroken en vernielenden krijg, tot de sterkte door den vermaarden Richard van Gloucester werd veroverd. Hier hield ook een troepje Koningsgezinden zich lang staande onder Nigel Waverley, den ouderen broeder van dien Willem, wiens lotgevallen tante Rachel gewoon was te vertellen. Op deze plekken schiep Eduard er behagen in, zich in zoete en bittere overdenkingen te verdiepen, terwijl hij, gelijk een kind te midden van zijn speelgoed, uit den schitterenden maar nutteloozen voorraad van beelden en droomen zijner fantazie, gebouwen optrok, die even luisterrijk waren, maar even spoedig verdwenen als die eener avondwolk. Welke uitwerking dit toegeven aan zijn lievelingsgewoonte op zijn gemoed en karakter had, zal in het volgende hoofdstuk blijken.


1 Zie Aanteekening A. De terugkomst der kruisvaarders.