The Project Gutenberg eBook of Winnetou
Title: Winnetou
Het opperhoofd der Apachen
Author: Karl May
Release date: August 26, 2025 [eBook #76735]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: H. J. W. Becht, 1926
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
WINNETOU
WINNETOU
ZEVENDE DRUK
AMSTERDAM H. J. W. BECHT
NIEUWE WERKEN VAN Dr. KARL MAY, VERSCHENEN BIJ H. J. W. BECHT TE AMSTERDAM.
Dr. Karl May’s Reisavonturen.
- Winnetou, Het Opperhoofd der Apachen.
- De Pelsjagers van den Rio Pecos.
- Het Geheim van den Witten Bison, of de Zoon van den Berenjager.
- De Llano Estacado.
- De Duivelskop in het Rotsgebergte.
- De Zonen der Mimbrenjo’s.
- Old Shatterhand als Detective.
- De Schat in het Zilvermeer.
- De Petroleumkoning.
- De Zwarte Mustang.
- Het Testament van den Inca.
- Winnetou’s Dood.
- Winnetou’s Testament.
- Kara-Ben-Nemsi, De held uit het Avondland.
- In Koerdistan.
- Van Bagdad naar Stamboel.
- In de Schuilhoeken van den Balkan.
- De Slavenkaravaan.
- Door het land der Skipetaren.
- De Kara-Nirwan-Khan in Albanië.
Het oordeel der „Commissie van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap” over eenige werken van Dr. Karl May, luidt als volgt:
De schrijver moet inderdaad veel weten van de streken, waarin zijn verhalen spelen, anders zou hij zoo niet kunnen vertellen, de jongens komen geheel onder de bekoring. De figuren zijn sympathiek, de jongens kunnen er ridderlijkheid en flinkheid van leeren. [1]
INLEIDING.
Hoe vreemd het ook moge schijnen, steeds wanneer ik van den Indiaan spreek, moet ik ook aan den Turk denken. Oppervlakkig beschouwd zijn zij zeer verschillend, maar in dit ééne punt komen zij overeen, dat beiden behooren tot een ondergaand geslacht. Terwijl men van den Turk spreekt, als van den „zieken man”, zal ieder, die met de toestanden op de hoogte is, van den Indiaan, als van den „stervenden man” spreken.
En werkelijk het roode geslacht is aan ’t uitsterven. Van Vuurland tot ver over de Noord-Amerikaansche meren, is het achtervolgd door het noodlot, dat geen erbarmen kent. Het heeft zich met alle krachten daartegen verzet, maar tevergeefs, zijn krachten worden minder en de laatste stuiptrekkingen, die van tijd tot tijd nog door zijn leden varen, wijzen op de nadering van het einde.
Draagt het zelf de schuld aan dit vroege einde? Heeft het den dood verdiend?
Wanneer het billijk is, dat al wat leeft, recht heeft om te leven en dit evenzeer betrekking heeft op de gemeenschap, als op het individu, dan heeft de Roodhuid evengoed het recht te bestaan als de blanke en zich op staatkundig en sociaal gebied, volgens zijn individualiteit te ontwikkelen. Nu beweert men wel, dat de Indiaan niet die eigenschappen bezit, die noodzakelijk zijn voor een geregeld staatkundig leven. Is dit waar? Naar mijn meening is dit een valsche veronderstelling, maar aangezien het niet mijn plan is een geleerde verhandeling te schrijven, wil ik hierover niet verder uitwijden. De blanke had tijd zich volgens zijn natuur te ontwikkelen, hij heeft zich van jager tot herder, van herder tot landbouwer en industrieël opgewerkt, daarvoor zijn eeuwen noodig geweest; de roodhuid daarentegen, heeft dien tijd niet gehad, het werd hem niet gegund. [2]
Van den laagsten trap, dus van jager, moest hij in eens den reuzensprong maken tot den hoogsten, en niemand heeft bedacht, dat hij daarbij moest vallen, of zich levensgevaarlijk verwonden.
Het is een wreede wet, dat de zwakke wijken moet voor den sterke, maar daar deze wet geldend is voor de geheele schepping en voor de geheele aardsche natuur, moeten wij wel aannemen, dat deze wreedheid òf slechts een schijnbare, òf voor verzachting vatbaar is, omdat de Eeuwige Wijsheid, die deze wet gemaakt heeft, tegelijk de Eeuwige Liefde is. Durven wij nu beweren, dat tegenover het uitstervende Indiaansche ras met zachtheid is opgetreden?
Het was niet enkel gastvrijheid, maar een bijna goddelijke vereering, die de „bleekgezichten” bij de Indianen vonden. Wat is daarvoor hun loon geweest? Het land, dat zij bewoonden, behoorde aan hen, het werd hun ontnomen. Welke stroomen bloeds daarbij vergoten werden, en welke wreedheden daarbij gepleegd werden, dat weet ieder, die de geschiedenis der „beroemde” Conquistadores gelezen heeft.
De blanke kwam met zoete woorden op de lippen, maar tegelijk met het geslepen mes in den gordel en het geladen geweer in de hand. Hij beloofde liefde en vrede en gaf haat en bloed. De roodhuid moest wijken. Van tijd tot tijd gaf men hem „eeuwige” rechten op zijn gebied, maar joeg hem korten tijd daarna weer weg, steeds achteruit. Men kocht hem het land af, betaalde hem evenwel in ’t geheel niet of met waardelooze snuisterijen, welke hij niet kon gebruiken. Maar het sluipende gif van het „vuurwater”, bracht men hem des te meer en bovendien nog de pokken, en andere nog veel ergere en walgelijker ziekten, die geheele stammen dunden en geheele dorpen ontvolkten.
Wilde de roodhuid zijn goed recht doen gelden, dan antwoordde men hem met kruit en lood, en hij moest opnieuw wijken voor den listigen blanke. Daardoor verbitterd, wreekte hij zich aan den enkelen blanken man, dien hij op zijn weg ontmoette, en de gevolgen daarvan waren dat steeds opnieuw een groot bloedbad onder rooden werd aangericht.
Zoo werd deze oorspronkelijk fiere, waarheidslievende, oprechte en trouwe jager langzamerhand een sluipend, wantrouwend en leugenachtig mensch. Maar het was niet zijn schuld, de blanke had hem zoo gemaakt.
Waar zijn de kudden wilde mustangs gebleven, uit welks midden hij zich eens zijn rijpaard haalde? Waar vindt men de buffels, die bij millioenen de prairiën bevolkten en die hem vleesch verschaften? Waarvan moet hij nu leven? Van het meel en het vleesch, dat men [3]hem levert? Ziet eens, hoeveel gips en andere stoffen zich in dit meel bevinden, wie kan het eten? En worden er al aan den een of anderen stam eens honderd extra vette ossen beloofd, dan zijn deze onderweg veranderd in twee of drie magere koe-beesten, die zelfs de gier minachtend versmaadt. Of moet de roodhuid van den akkerbouw leven? Kan hij ooit op een oogst rekenen, hij, wien men geen blijvende plaats toestaat?
Welk een trotsche verschijning was hij vroeger, toen hij, omgeven door de manen van zijn wilden mustang, over de Savanna vloog, en hoe ellendig ziet hij er nu uit, in de lompen, die nauwelijks zijn naaktheid bedekken! Hij, die in ongetemde kracht eens den grijzen beer met zijn vuisten te lijf ging, sluipt nu als een schurftige hond rond, om hongerig en ellendig, een stukje vleesch te bedelen of te—stelen!
Ja, het roode geslacht gaat sterven, en hoe treurig het ook is, te staan aan het sterfbed van den enkelen mensch, honderdmaal droeviger is het, wanneer wij staan aan dat van een geheel ras. Dan komen vele vragen in ons op, waaronder vooral deze: wat had er van dit ras kunnen worden, indien men het tijd had gelaten, zijn innerlijke en uiterlijke gaven tot ontwikkeling te brengen? Welke eigenaardige vormen van beschaving gaan voor de menschheid verloren door den ondergang van deze natie? Dit ras wilde zich niet versmelten met een ander, omdat het een karakter bezat, moest het daarom vernietigd worden? Men bezorgt den bison een schuilplaats daarginds in het Nationaal park van Montana en Wyoming, opdat hij niet uitsterve, waarom gunt men den rechtmatigen meester van dit land, niet een plekje, waar hij veilig kan wonen en zich geestelijk ontwikkelen?
Maar wat geven deze vragen in het aangezicht van den dood, die niet meer af te wenden is? Wat helpen verwijten, waar niet meer te redden valt? Ik kan slechts klagen, maar niet veranderen; ik kan slechts treuren, maar geen doode in het leven terugroepen. Ik? Ja, ik! Ik toch heb de roodhuiden leeren kennen, gedurende een lange reeks van jaren en onder hen, één, die altijd een plaats in mijn hart zal blijven innemen. Hij, de beste, de trouwste onbaatzuchtigste van al mijn vrienden, was een echt type van zijn ras en evenals dit ras ondergaat, is ook hij ondergegaan, weggenomen door den moorddadigen kogel van een blanke. Ik heb hem liefgehad zooals geen ander mensch, en ik heb nog steeds liefde voor die wegstervende natie, wier edelste zoon hij was. Ik zou mijn leven hebben gegeven, om het zijne te redden, evenals hij honderdmaal het zijne voor mij gewaagd heeft. Het is mij niet gegund geworden, [4]hij is gevallen bij een poging, om zijn vrienden te redden, maar hij is slechts lichamelijk gestorven, want in deze bladen zal hij voortleven, zooals hij in mijn ziel voortleeft, hij, Winnetou, het groote opperhoofd der Apachen.
In deze bladen wil ik een welverdiend gedenkteeken voor hem op richten en wanneer de lezer dan een rechtvaardig oordeel velt, over het volk, welks getrouwe vertegenwoordiger hij was, zal ik mij rijkelijk beloond achten.
Dr. Karl May. [5]