WeRead Powered by ReaderPub
Winnetou cover

Winnetou

Chapter 8: HOOFDSTUK VI. OLD-CURSING-DRY.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A travelling narrator recounts journeys across the North American frontier, describing dangers, alliances, and a deep friendship with an Apache leader. Action scenes—pursuits, skirmishes, and rescues—are interwoven with descriptive passages of landscape and Indigenous life. A persistent moral concern runs through the text, lamenting the displacement and decline of native communities and criticizing settler injustices. The work mixes episodic adventure with ethnographic detail and reflective commentary on loyalty, cultural loss, and responsibility.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

OLD-CURSING-DRY.

Dit onverwachte en plotselinge verscheiden van Intschu Tschuna en van Nscho-Tschi brengt mij in herinnering twee andere treffende gebeurtenissen, welke ik hier even wil verhalen, ofschoon zij eerst vele jaren later dan deze geschiedenissen voorvielen.

Ik was toen in het geheel geen greenhorn meer en reeds langen tijd waren Winnetou en ik door innige vriendschap verbonden.

Ik bevond mij destijds met Winnetou bij de Navajos, die hem ook als hun opperhoofd-aanvoerder erkenden, daar zij in zekeren zin ook nog tot de stam der Apachen behoorden. Zij waren gelegerd tusschen de hoogte der Agua Grande en wilden van daar naar Colorado, doch niet, vóórdat een aantal blanke jagers die met hen mee wilden gaan, zouden zijn aangekomen.

Terwijl wij op de komst van deze lieden wachtten, brachten onze roode schildwachten twee vreemde Indianen, die zij onder zeer verdachte omstandigheden hadden opgepakt, in de legerplaats. Zij moesten natuurlijk dadelijk ondervraagd worden, maar weigerden eenig antwoord te geven. Er was geen woord uit hen te krijgen; hun gezichten waren niet geverfd en daar zij ook geen enkel teeken van hun afstamming bij zich droegen, was het bijna onmogelijk te bepalen tot welken stam zij behoorden. Wij wisten dat de Utahs in den laatsten tijd vijandelijk gezind waren tegenover de Navajos en daarom zeide ik tegen Winnetou:

—Ik voor mij denk dat het Utahs zijn, want deze stam heeft zich meer naar het Zuiden teruggetrokken en schijnt een aanval op de Navajos te willen doen. Misschien zijn deze beide kerels door hen vooruitgezonden om de verblijfplaats der Navajos op te sporen.

Winnetou kende evenwel de hoogerop wonende stammen beter dan ik en antwoordde: [322]

—Het zijn Pa-Utes, maar mijn blanke broeder heeft gelijk, wanneer hij ze voor spionnen houdt.

—Zouden de Pa-Utes zich dan met de Utahs hebben verbonden?

—Winnetou twijfelt daaraan geen oogenblik, want anders zouden deze beide krijgers niet zoo stellig weigeren ons opheldering te geven.

—Dan is het zaak voorzichtig te zijn! In een streek als deze, kan men gerust aannemen dat verkenners zich niet meer dan drie dagreizen van hun makkers verwijderen. Wij kunnen dus nu wel uitrekenen, hoe nabij de vijand is!

—Oef! Wij zullen hen zoeken!

—Wie zal dat doen?

—Gij en ik.

—Verder niemand?

—Vier goede oogen zien meer dan honderd slechte en hoe meer krijgers wij meenemen, hoe eerder wij worden ontdekt.

—Dat is waar, maar misschien komen wij in de noodzakelijkheid een bode te moeten zenden.

—Laat ons dan ook nog een Navajo meenemen, maar anders ook niet. Howgh!

De laatste uitroep diende bij hem altijd om kracht bij te zetten aan zijn woorden en beteekende zooveel als: afgesproken, uitgemaakt.

Ik zag er dus van af, hem verdere voorstellen te doen.

De Navajo-afdeeling, bij welke wij ons bevonden, telde, behalve de oude mannen, vrouwen en kinderen ongeveer driehonderd krijgers, die onder bevel stonden van Nitsas-Kar (Groote Pijl), een zeer bekwaam krijgsman. Hun aantal was dus groot genoeg om een vijand te weren, van wien men kon aannemen dat hij niet in groote troepen zou verschijnen, maar toch waren wij zoo voorzichtig een bode te zenden naar de naastbijzijnde afdeeling, om haar voor het naderende gevaar te waarschuwen. Een korte bespreking met Nitsas-Kar had het door Winnetou gewenschte gevolg. Winnetou, ik en een jong, maar zeer bekwaam krijgsman reden heen om de verblijfplaats van den tegenstander te ontdekken en de Navajos bleven met verdubbelde wachtposten op de plaats legeren om op onze terugkomst of op onzen bode te wachten.

Het was nog vroeg in den morgen en wij hadden dus den geheelen dag voor ons. In het algemeen wisten wij dat de Utahs in het zuiden van het gebied van dien naam legerden, terwijl de Pa-Utes ongeveer daar waren te zoeken, waar de staten Utah, Colorado, Arizona en Nieuw-Mexico aan elkander grenzen. Deze gegevens nu waren zeer onbepaald, vooral daar wij konden aannemen dat de [323]roodhuiden, ingeval zij van plan waren een aanval te doen, die streken reeds zouden hebben verlaten. Waarheen dus te gaan? Deze vraag zou een onervaren prairiejager hebben gesteld; wij evenwel hadden een uitgangspunt, waarop wij ons konden verlaten, namelijk: het spoor van de beide verkenners, dat wij vonden, zoodra wij de legerplaats hadden verlaten.

Wij bevonden ons in een van de vruchtbaarste streken van Arizona, wat evenwel niet veel zegt. Het regent in dit land zelden, de weinige rivieren hebben hun beddingen in zeer diepe kloven; de hoofdrivier namelijk de Colorado, vloeit tusschen twee rotswanden, welke hier en daar bijna twee duizend meter hoog, loodrecht opstijgen en daarboven breidt zich een hoog plateau uit, dat, kaal en arm aan planten, is blootgesteld aan de gloeiende zonnestralen en de over haar heen strijkende stormwinden. Slechts zelden ziet men een beek welke men zou kunnen volgen, zonder in een schier peillooze diepte te moeten afdalen en hier vindt men dan een rijkdom van groen en gras van struiken en boomen, waaraan het oog zich des te meer verkwikt, omdat het zoo zelden voorkomt. Daar waar kleine riviertjes in elkaar vloeien, vindt men wouden, tusschen welke zich sappige prairiën uitstrekken. Op zulk een punt bevonden wij ons nu en er was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om het spoor van de beide gevangengenomen verkenners te vinden.

Daar men hen dadelijk bij hun aankomst had gevangengenomen, waren hun sporen nog zoo versch dat het gras door de hoeven hunner paarden platgereden, zich nog niet weer had opgericht en wij in galop konden rijden, zonder de indrukken uit het oog te verliezen. De verkenners schenen den geheelen nacht onder weg te zijn geweest, want wij vonden geen plek, waar zij gelegerd konden hebben. Later kwamen wij aan rotsachtig terrein en wij waren nu genoodzaakt langzamer te rijden, daar wij nauwkeuriger moesten toezien, maar in de duisternis hadden zij niet zóó voorzichtig kunnen zijn of wij vonden duidelijke teekenen welke ons den weg aanwezen, waarlangs zij gereden waren.

Eerst tegen den avond bereikten wij een beekje, waar zij den vorigen dag halt hadden gemaakt. Hier vonden wij hun „medicijn” en krijgsteekenen verborgen, waaruit wij konden zien dat zij Pa-Utes waren en zich op het oorlogspad bevonden. Wij rustten hier gedurende den nacht uit en reden den volgenden morgen verder. Jammer genoeg waren de sporen van hieraf niet meer te onderscheiden, maar wij maakten ons hierover niet ongerust, want wij behoefden slechts de richting naar den Rio San Juan te houden, om zeker te zijn ze te vinden. Wij reden dus oost-noord-oost, eerst [324]over een savanna, waarvan het gras steeds spaarzamer werd en dan over een rotsvlakte welke zoo glad en naakt was, alsof zij van cement was gemaakt.

Het was tegen den middag toen wij aan den horizon drie stippen zagen, welke naderbij kwamen. Daar wij nergens konden schuilen, en wij niet wisten of wij met blanken of met roodhuiden te doen hadden, stegen wij af, lieten onze paarden knielen en gingen zelf naast hen op de steenen liggen; op deze wijze werden wij niet zoo spoedig opgemerkt.

De stippen werden grooter, naarmate zij dichterbij kwamen en nu zagen wij, dat het drie ruiters waren. Winnetou legde de hand boven de oogen, zag nauwkeurig toe en riep toen:

—Oef, Dick Hammerdull, Piet Holbers1 en een derde blanke, dien ik niet ken!

Hammerdull en Holbers behoorden tot de jagers, die wij verwachtten. Ook ik herkende ze nu en stond op. Daar Winnetou en de Navajo mijn voorbeeld volgden, werden wij nu door hen gezien; en de drie ruiters hielden de paarden in. Wij lieten onze paarden opstaan, stegen op en reden naar hen toe. Hammerdull en Holbers herkenden ons nu ook en galoppeerden met luid gejuich ons tegemoet.

Het moet gezegd worden dat de beide mannen zulke typen waren als men zelden in de Far-West ontmoet. Hammerdull was klein en wat in ’t Westen weinig voorkomt, dik met een gladgeschoren, door allerlei schrammen en litteekenen ontsierd gelaat. Zijn list en overmoed was groot en ieder mocht hem gaarne, hoewel hij mij dikwijls onbedachtzaam was. Hij had allerlei eigenaardige uitdrukkingen als: „.… of niet”.… „dat is ’t zelfde”.

Piet Holbers daarentegen was zeer lang en zeer dun. Zijn mager gezicht was—bijna zou ik zeggen, omgeven door een vollen baard en dit zou een groote onwaarheid zijn, want deze baard bestond uit een honderdtal spaarzame haartjes, welke over beide wangen, kin en bovenlip verstrooid stonden. Het was of de ratten hem negen-tiende van zijn baard hadden afgevreten. Piet was buitengewoon zwijgzaam en bedachtzaam een zeer bruikbaar man, die alleen sprak als men iets vroeg.

Den derden ruiter kenden wij niet. Hij was bijna nog langer dan Holbers en daarbij mager om van te schrikken. Ik gevoelde bij den eersten blik dat ik niet met hem zou kunnen opschieten, zijn gezicht was grof gevormd en zijn blik brutaal en uitdagend.

Terwijl wij naar elkaar toereden, riep Dick Hammerdull: [325]

—Winnetou, Old-Shatterhand? Ziet ge ze wel, Piet Holbers, oude Coon?

Coon is een verkorting van racoon, waschbeer, den naam waarmede Hammerdull zijn vriend placht aan te spreken. Deze antwoordde op zijn kalme wijze:

—Als gij denkt, Dick dat ik hen zie, dan zal dit wel zoo zijn.

Zij namen onze handen en schudden die uit alle macht, terwijl Hammerdull riep:

—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan!

—Eindelijk?—vroeg ik.—Gij had toch niet kunnen verwachten ons nu reeds te ontmoeten, daar wij u aan de Agua Grande hadden besteld, welke nog wel drie dagreizen van hier is. Was uw verlangen naar ons zoo groot?

—Natuurlijk, oneindig groot!

—Waarom? Waar zijn de anderen?

—Dat is het juist! Daarom verlangden wij zoo naar u, daarom joegen wij onze paarden bijna halfdood. Wij moeten dadelijk naar de Agua Grande, om een geduchte schaar Navajos te halen.

—Waarvoor?

—Om de Pa-Utes te overvallen, die onze makkers gevangen hebben genomen. Vooruit dus heeren, vooruit, anders komen wij te laat.

Hij wilde ons doen terugkeeren, maar ik greep zijn teugels en zeide:

—Niet zoo haastig, Dick! Voor alles moeten wij weten wat er gebeurd is. Stijg dus af en vertel ons alles!

—Afstijgen? geen sprake van! Ik kan het u onder het rijden wel vertellen!

—Ik wil het echter kalm aanhooren, gij kent mij in dit opzicht. Men kan door overijling licht alles bederven en moet alles wat men onderneemt, vooraf overwegen.

—Maar wanneer er geen tijd is om te overwegen?

—Ik zeg u dat wij tijd genoeg hebben! In elk geval moet gij ons eerst zeggen wie de man is, dien gij daar bij u hebt.

Winnetou was reeds afgestegen, ik volgde zijn voorbeeld en ging naast hem zitten, de drie anderen konden dus ook wel niet anders.

—Welnu, Piet Holbers, oude beer, dan moeten wij den kostbaren tijd maar laten verloren gaan,—bromde Hammerdull verdrietig,—wat zegt gij er wel van?

—Als Old-Shatterhand en Winnetou het beter vinden, zal het wel zoo zijn,—antwoordde vriend Piet.

—Beter of niet, dat is hetzelfde; er moet zoo snel mogelijk gehandeld worden, maar als zij het zoo willen hebben, moeten wij ons wel schikken. [326]

Zij gingen naast ons op den grond zitten. De onbekende had mij de hand toegestoken, alsof wij elkaar reeds van jaren her kenden, maar ik had deze slechts even gedrukt, daar het niet mijn gewoonte is, iemand, die ik nog nooit van te voren heb gezien, de hand te drukken. Toen hij ook Winnetou zijn hand toestak, deed deze alsof hij dit in het geheel niet zag. De Apache had dus op den eersten blik even weinig sympathie voor dezen man, als ik.

—Gij wildet weten, wie deze gentleman is?—vroeg Dick Hammerdull.—Hij heet Mr. Fletcher, is reeds bijna dertig jaar in het Westen en heeft zich met vier kameraden bij ons aangesloten om Winnetou en Old-Shatterhand te leeren kennen.

—Ja, heeren, wat Mr. Hammerdull zegt, is waar,—viel Fletcher hem op gewichtigen toon in de rede.—Ik zwerf reeds dertig jaar in de Far-West rond en heb het mij tot taak gesteld, deze verd.… roodhuiden te toonen, dat zij op onzen.… aardbodem naar den duivel kunnen loopen. Zulke.… canailles, als dat zijn, zal de.… verslaan en daar ik hoop dat gij van dezelfde gevoelens zijt als ik, zult gij erkennen dat deze.… schepsels, door den satan tot.… brij moesten worden gestampt!

Ik schrok letterlijk over de wijze van spreken. Dat waren woorden, welke ik nooit had gehoord en nog veel minder kan opschrijven. Ieder woord, dat ik hier door stippen aangeef, was een vloek. En daarbij zag hij ons aan, als verwachtte hij dat wij er verrukt over zouden zijn. Het tegendeel was waar, ik had een gevoel, alsof ik telkens een slag tegen mijn hoofd kreeg. Nooit heb ik zulke godslasterlijke uitdrukkingen kunnen verdragen en dikwijls is de straf daarvoor meer nabij dan men denkt.

Nu wist ik nauwkeurig wie hij was, beter dan Hammerdull het mij had kunnen zeggen. Men had in mijn tegenwoordigheid dikwijls over dezen man gesproken, dien ieder aan zijn vreeselijk vloeken herkende. Ja, hij was een prairiejager, maar een van de allergemeenste soort. Hij was tot elke lage daad in staat, de strop had reeds meermalen boven zijn hoofd gezweefd en in zijn haat tegen het roode ras, overtrof hij alle anderen. Men vertelde van hem dingen, waarbij de haren te berge rezen. Daarbij kwam nog dat hij om het andere woord vloekte, zoodat zelfs de ruwste menschen niets met hem te doen wilden hebben. Hij was tot nu toe onbegrijpelijker wijze vrijgeloopen van alle straffen en van de wraak der Indianen, hoewel ieder die hem kende, het er over eens was, dat hij als een wild dier diende te worden afgemaakt. Tengevolge van zijn buitengewone magerheid en de afschuwelijke gewoonte, om in elken volzin eenige vloeken te lasschen, had men hem den naam gegeven [327]van Old-Cursing-Dry (de erge vloeker), maar het was bekend dat ieder die het waagde hem met dien naam aan te spreken, zijn leven op het spel zette.

—Welnu, zijt gij misschien stom, heeren?—vroeg hij toen hij geen antwoord kreeg,—ik meende toch, dat gij beiden wel kondt spreken.

Winnetou zat met neergeslagen wenkbrauwen te kijken. Wanneer hij had kunnen spreken, zou hij het enkel met het mes hebben kunnen doen. Daarom nam ik het op mij te antwoorden en zeide:

—Zeg het mij of ik mij niet vergis, als ik u voor Old-Cursing-Dry houd!

Hij was ook gaan zitten, sprong nu echter oogenblikkelijk op, trok zijn mes en schreeuwde:

—Wie.… wat.… wie ben ik?.… hoe noemt gij mij? Zal ik u dit in uw.… lijf stooten. Ik verzeker u, dat ik het zal doen als gij mij niet oogenblikkelijk om pardon vraagt.

—Zwijg!—viel ik hem in de rede, terwijl ik mijn revolver te voorschijn haalde en op hem richtte.—Bij de geringste beweging met het mes zit mijn kogel u in den kop! Old-Shatterhand is er de man niet naar om zich zoo gemakkelijk te laten neersteken als gij wel meent. Zie, ook Winnetou heeft reeds zijn revolver op u gericht. Gij zijt hier bij lieden aangeland, die korte wetten maken, mijn vinger is aan den trekker, zeg mij dus kort en bondig of gij Old-Cursing-Dry zijt, of niet!

Zijn oogen fonkelden van woede, maar hij zag in, dat hij tegenover ons aan het kortste einde zou trekken, stak zijn mes dus weer in de gordel, ging zitten en zeide schijnbaar kalm:

—Ik heet Fletcher, hoe mij andere.… schurken willen noemen, dat gaat mij en u niets aan!

—Oho! het is ons volstrekt niet onverschillig, in welk gezelschap wij ons bevinden. Dick Hammerdull, wist gij wel, dat deze man Old-Cursing-Dry is?

—Neen, antwoordde Dick verlegen.

—Hoelang is hij reeds in uw gezelschap?

—Een week ongeveer. Denkt gij dit ook niet, Piet Holbers, oude coon?

—Als gij denkt, Dick, dat het zoolang is, zal het wel zoo zijn,—antwoordde Holbers.

—Waar of niet, dat is ’t zelfde, maar het is juist een week, niet langer en niet korter.

—Dan moet het u toch wel zijn opgevallen, dat hij verbazend vloekte! [328]

—Vloekte? Ja, ik heb wel eens gedacht dat hij zich wel wat anders kon uitdrukken, maar dat hij Old-Cursing-Dry is, dat wist ik toch niet.

—Nu, dan zal ik maar niet verder over hem spreken, maar als gij het geweten hadt en gij hadt hem dan hier gebracht, dan zou ik u anders hebben ontvangen. In onze tegenwoordigheid moet er op fatsoenlijken toon worden gesproken; wij dulden geen gevloek en wien dat niet aanstaat, kan maken, dat hij wegkomt. En nu hierover basta! Wij hebben noodzakelijker dingen te bespreken. Wij verwachtten u met nog acht man, zijn deze ook in de handen der Pa-Utes gevallen?

—Ja.

—Wanneer?

—Gisteravond.

—Waar?

—Aan den Rio San Juan.

—Op welke wijze?

—Op welke wijze, dat is ’t zelfde, ik weet het trouwens niet.

—Dat begrijp ik niet. Gij moet toch weten wat er gebeurd is.

—Dat zou waar zijn als het in onze tegenwoordigheid was gebeurd, Mr. Shatterhand.

—Zoo, zijt gij er niet bij geweest?

—Neen, wij waren uitgegaan om vleesch te halen en daar wij niet spoedig wild ontdekten, waren wij wat ver van de legerplaats afgedwaald. Toen wij terugkeerden was het reeds donker en wij zouden den Pa-Utes in de armen zijn gereden, als Mr. Fletcher ons niet tegemoet was gekomen, om ons te waarschuwen.

—Verder. Waart gij te paard?

—Ja, want wij wilden op de antilopenjacht.

—Was Fletcher ook te paard?

—Natuurlijk! Toen wij hem hadden aangetroffen, verborgen wij de paarden, slopen terug naar de legerplaats, welke intusschen door de Pa-Utes in beslag was genomen. Het gelukte ons, zóó dicht bij te komen dat wij onze acht kameraden konden zien: zij lagen gebonden tusschen de roodhuiden in.

—Was er geen een gedood?

—Neen, niet eens gewond.

—Hm, zonderling. Hebt gij dan geen schoten gehoord?

—Neen, wij waren te ver van de legerplaats.

—Waren er geen sporen van voorafgeganen strijd?

—Twee Indianen lagen dood bij het vuur.

—Dat is nog veel zonderlinger. Hebt gij afgeluisterd wat er werd gesproken? [329]

—Afgeluisterd of niet, dat is ’t zelfde, er werd geen woord gesproken. Wij hadden ons bovendien reeds te ver gewaagd en moesten zien in veiligheid te komen. Daarom zochten wij onze paarden weer op en reden weg.

—Waarheen?

—Natuurlijk hierheen, want er bleef ons niets anders over dan u op te zoeken en dan met behulp van de Navajos de gevangenen trachten te bevrijden. Daarom stel ik u voor dadelijk naar de Agua Grande op te trekken.

—Geduld! viel ik hem in de rede,—wij zijn nog lang niet zoo ver. Wij moeten alles goed overwegen voor wij een besluit nemen. Vertel mij eerst eens: wie heeft deze beide Indianen gedood? Weet gij dat misschien, Mr. Fletcher?

—Laat mij er buiten!—antwoordde deze ruw.—Wat gaan mij die roode schurken aan?

—Gaan u de blanke gevangenen ook niets aan?

—Als er niet een zoon en een neef van mij bij waren mochten ze voor mijn part naar de hel loopen.

—Luister eens, gij moet op een anderen toon spreken, anders jagen wij u weg en moet ge maar zien hoe gij uw bloedverwanten terugkrijgt! Wij willen u helpen maar eischen van u dat gij de volle waarheid zegt. Dus gij weet niet, op welke wijze de Indianen om het leven zijn gekomen?

—Neen.

—Vertel mij dan, hoe de overval in zijn werk ging.

—Ook dat kan ik u niet zeggen, want ik was er niet bij.

—Waart gij ook al niet in de legerplaats? Waar waart gij dan?

—Om vleesch te halen.

—Waart gij dan met de anderen op de jacht?

—Neen, maar zij bleven mij te lang weg en daarom reed ik ook heen. Toen ik tegen schemeravond terugkeerde, hoorde ik het krijgsgehuil der roodhuiden in de legerplaats, welke overvallen was geworden. Ik kon niet anders doen dan Mr. Hammerdull en Mr. Holbers tegemoet rijden en hen waarschuwen. Dit is alles, wat ik van die.… geschiedenis weet.

—Hoe sterk waren de Pa-Utes ongeveer?

—Ongeveer driehonderd man. Als wij maar half zooveel Navajos kunnen krijgen, maak ik mij sterk, deze.… schurken, het leven uit het.… lijf te jagen, zoodat.…

—Zwijg!—voerde hem de Apache tegemoet, die tot nu toe geen woord had gesproken,—gij hebt de beide Pa-Utes gedood!

—Neen, ik niet. [330]

—Gij liegt. Gij zijt de moordenaar!

De beide mannen zagen elkaar een oogenblik diep in de oogen. De bronzen gelaatstrekken van Winnetou waren koud en trotsch als die van een koning, terwijl op Fletcher’s gezicht de onbeteugelde hartstocht stond te lezen. Hij kon evenwel niet langer dan enkele seconden den blik van den Apache verdragen, hij moest de oogen neerslaan, hief echter den vinger als tot een eed op en riep:

—Ik mag blind en verpletterd worden, als ik de moordenaar ben! Dat is genoeg, laat mij nu met rust met uw.… roode duivels!

Een huivering voer mij door de leden. Ook ik hield hem voor den moordenaar, zonder het evenwel te zeggen. De mond weigerde mij den dienst, maar Winnetou stond op en zeide op profetischen toon:

—Dit godslasterende bleekgezicht heeft zooeven reeds bij onze eerste ontmoeting het geheele roode ras, dus al mijn broeders en ook mij vervloekt. Winnetou heeft gezwegen, want hij weet dat de goede Manitou den vloek des boozen in zegen kan veranderen. Nu evenwel heeft de vloeker de goede Manitou zelf gelasterd en hem tot wraak opgeroepen, hij heeft den Almachtige gewed om het licht zijner oogen en de onkwetsbaarheid zijner ledematen. De groote Manitou weet evengoed als Winnetou en Old-Shatterhand dat Fletcher de moordenaar is. Hij zal hem te zijner tijd richten! Howgh!

De Apache ging na deze woorden weer zitten en geen van ons was het mogelijk dadelijk iets te zeggen. Fletcher evenwel sprong op en herhaalde zijn lasterlijke woorden op een toon, welke mij woedend maakte. Ik ging dan ook op hem toe, hief de vuist op en zeide:

—Zwijg oogenblikkelijk man, of ik sla u neer als een ondier, welks dood voor anderen een zegen is! Ook ik wil niets met u te maken hebben. Wat er ook moge gebeuren, van ons hebt ge geen hulp te verwachten!

Nu boog hij het hoofd, maar zeide toch nog halfluid:

—Laat mij dan maar alleen! Ik heb u niet noodig, het is enkel om de gevangenen te doen. Dat is dus de hulp die men kan verwachten van zulke beroemde prairiemannen, als gij heet te zijn. Wel bedankt!

—Gij hebt niet te danken, want gij hebt niets van ons te eischen. Wat de gevangenen evenwel betreft, wij zullen voor hen doen, wat in ons vermogen is. Wanneer redding mogelijk is, zullen zij gered worden.

—Maar dan moeten wij ons haasten!—verzocht Dick Hammerdull.—Gij zult wel inzien, dat wij geen minuut moeten verliezen, Mr. Shatterhand. Denkt gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?

—Hm!—bromde de gevraagde,—als ik het goed heb, kunnen wij niets beters doen, dan alles over te laten aan Mr. Winnetou en [331]Mr. Shatterhand. Zij zijn verstandiger dan gij, beste Dick, van mij maar gezwegen!

—Dan was het beter geweest, dat gij maar in ’t geheel niets had gezegd! Zulk een oude Coon als gij zijt, moet eigenlijk nooit den mond opendoen!

—Well! Als gij dat zoo vindt, moet gij mij voortaan maar niets vragen, dan heb ik geen aanleiding om te spreken.

Dit ging natuurlijk alles in gekheid, want de beide vrienden hadden nooit in ernst twist met elkaar. Hammerdull moest ons nu de plaats waar de legerplaats geweest was, nauwkeurig beschrijven. Hij deed dit en voegde er nog bij:

—Waarschijnlijk zullen wij de roodhuiden daar niet meer aantreffen, ik ben eerder van meening dat zij achter ons zijn en ons willen vervolgen, daarom ben ik er voor dat wij zoo spoedig mogelijk verder rijden.

—Gij dwaalt, Dick,—antwoordde ik.—Gij wordt niet achtervolgd. Als de Pa-Utes wisten dat gij drie ontkomen waart, waren zij reeds lang hier geweest. Zij zijn in de stellige meening alle blanken die er waren, gevangengenomen te hebben.

—Maar ons spoor! Daaruit hebben zij toch kunnen afleiden, dat wij op de jacht en dus niet daar waren, toen de overval plaats had.

—De overval geschiedde gisteravond na het invallen der duisternis en vanmorgen waren uw sporen reeds zoo onduidelijk, dat niet meer was te onderscheiden of zij voor of na de overrompeling van de legerplaats waren gemaakt. En uw kameraden zullen, wanneer men hen ondervraagt, zich wel wachten, u, van wie hun redding afhangt, te verraden. Daarbij komt nog, dat de Pa-Utes zich op het oorlogspad bevinden en dus de beide lijken niet met zich kunnen voeren. Men zal de dooden op de plaats zelf begraven. Hoewel zij genoodzaakt zijn, de daarbij gebruikelijke ceremoniën wat te bekorten, zullen zij toch niet voor morgenmiddag gereed zijn en dus niet eerder opbreken. Bovendien zullen zij niet zooveel haast maken, daar zij toch moeten wachten op de terugkomst der beide verkenners, van wie zij niet weten dat zij in de handen der Navajos zijn gevallen. Ziet ge dus wel in, dat wij tijd genoeg hebben.

—Tijd of niet, dat is ’t zelfde, ik zal mij evenwel naar uw wil voegen, omdat gij werkelijk verstandiger zijt dan Piet Holbers, die oude Coon! Dat heeft hij zooeven zelf gezegd.

—Om van u maar niet te spreken, beste Dick,—voegde Holbers er komisch ernstig aan toe.

—Wees toch stil! Gij hebt immers gezegd, dat gij niet meer wilt spreken. Wat denkt gij dus nu te doen, Mr. Shatterhand? [332]

—Dat moet Winnetou beslissen. Ik heb u opheldering omtrent alles gegeven, hij zal de verdere leiding op zich nemen.

Winnetou en ik kenden elkaar, zooals zelden twee menschen elkaar kennen. In oogenblikken dat het er niet op aan kwam een besluit te nemen was het dikwijls alsof wij beiden slechts één ziel en één gedachte hadden. Wat een van ons beiden uitsprak dat had de ander vooraf reeds in stilte overlegd. Zoo was het ook nu weer. De Apache zag mij uitvorschend aan en toen ik knikte, wendde hij zich tot den Navajo die ons had vergezeld en tot nu toe zwijgend toeschouwer was geweest. Wanneer opperhoofden samen spreken, zal geen gewoon krijgsman het wagen iets in het midden te brengen.

—Kent mijn jonge, roode broeder den donkeren canon bij de San-Juanrivier?—vroeg Winnetou hem.

De gevraagde knikte zwijgend en eerbiedig. Toen ging het opperhoofd voort:

—Aan beide zijden van dezen canon voeren smalle paden naar beneden, die slechts bekend zijn aan de krijgers der Navajos.

Nitsas-Kar, het dappere opperhoofd moet zijn krijgers naar dezen canon leiden, de eene helft geheel naar het benedeneinde, de andere helft naar het boveneinde, maar slechts zoover, dat zij niet gezien kunnen worden. Wij moeten de Pa-Utes in den canon zien te lokken. Eerst wanneer zij daarin geheel zijn binnengedrongen, mag de bovenste schaar tot aan het water gaan en zich laten zien. Dan zijn de Pa-Utes door de beide afdeelingen ingesloten en moeten zich overgeven, willen zij zich niet tot den laatsten man laten neerschieten, want zij bevinden zich tusschen de hooge, gladde wanden van den canon, waar zij zich niet kunnen verbergen, terwijl de krijgers der Navajos veilig zijn voor hun kogels en zich kunnen verschuilen achter de rotsblokken, die beneden en boven in de kloof liggen. Heeft mijn broeder mij begrepen?

Wederom dezelfde zwijgende hoofdknik.

—Dan mag hij dadelijk zijn paard zadelen en wegrijden!

Eenige oogenblikken later galoppeerde de Navajo weg, zonder een enkel woord te hebben gesproken. Toen stegen ook wij te paard en reden naar de San Juan, wier oevers Winnetou en ik nauwkeurig kenden. En ware dit niet het geval geweest, dan hadden wij in Hammerdull en Holbers betrouwbare gidsen gevonden. Geen woord van wat wij gesproken hadden, was aan Fletcher ontgaan, maar wij noodigden hem niet uit mee te gaan en deden integendeel alsof hij voor ons niet bestond. Evenwel toen wij ons op weg begaven, kwam hij langzaam achter ons aan. Wij hadden liever gewild, dat hij achtergebleven was. [333]

Winnetou was evenals ik, volkomen overtuigd dat de Pa-Utes zich nog bevonden op dezelfde plaats waar zij de blanken hadden overvallen. Wij waren evenwel toch zoo voorzichtig, niet regelrecht daarheen te gaan. Zij wilden immers naar de Navajos, van waar wij kwamen en het was in elk geval onmogelijk, dat zij eerder opbraken dan wij dachten of nog eens weer verkenners uitzonden, die ons konden zien; wij hielden dus meer rechts, dat wil zeggen, oostelijk aan en reden, toen wij den volgenden dag tegen den morgen op de hoogte van de legerplaats waren aangekomen, eerst nog een stuk verder en bogen toen naar links om ten einde de plaats van den oostkant, in plaats van den westkant te bereiken. Het stond bij ons vast, dat de roodhuiden van deze zijde geen vijanden verwachtten. Toch moesten wij nog voorzichtig zijn, want er waren zooveel personen die voedsel noodig hadden en het was dus wel mogelijk dat enkelen van hen op jacht waren gegaan en in de nabijheid rondzwierven.

We bereikten de rivier op een veel verder stroomopwaarts gelegen plaats en sloegen ons leger op bij een open plek, door dicht struikgewas omgeven. Nu was het zaak te weten te komen, hoe het met de Pa-Utes en hun gevangenen stond, maar dit zou niet gemakkelijk gaan. Ik bood mij aan, die taak op mij te nemen, maar daar Winnetou er op stond dit zelf te doen, moest ik mij wel naar zijn wil voegen. Toen hij zich verwijderd had, zorgden wij allereerst voor onze eigen veiligheid door de sporen, welke wij in de nabijheid hadden gemaakt, zooveel mogelijk uit te wisschen.

Daarna dienden wij Old-Cursing-Dry eens onderhanden te nemen. Ik had wel is waar niet weer met hem willen spreken, maar dit plan moest worden opgegeven, indien het beter was voor onze veiligheid. Hij was ons tot hiertoe gevolgd, had zijn paard evenals wij de onze, vastgebonden en was op eenigen afstand van ons in het gras gaan liggen. Niemand van ons had nog een woord met hem gewisseld en men zag het hem aan, dat hij zeer verbitterd was op ons allen en de gedachte aan wraak hem niet vreemd was. Hadden zijn zoon en zijn neef zich niet onder de gevangenen bevonden, zou hij zeker slecht genoeg geweest zijn, om ons aan de Indianen te verraden.

Geheel zeker van hem waren wij in geen geval; wie kon weten, welke booze gedachten en plannen er in hem omgingen? Daarom achtte ik het geraden mijn stilzwijgen te verbreken. Ik moest zelf met hem spreken, want mijn woorden maakten in elk geval meer indruk op hem, dan die van Dick Hammerdull en Piet Holbers. Ik ging dus naar hem toe en vroeg: [334]

—Gij zijt ons sinds gisteren gevolgd, Mr. Fletcher, zonder dat wij u dit gevraagd hebben. Het schijnt dat gij van plan zijt ook verder met ons te gaan, is dat zoo?

—Dat gaat u geen duivel aan!—antwoordde hij.

—Mij dunkt, dat ons dat zeer veel aangaat en ik verzoek u dus, sir, een anderen toon tegen mij aan te slaan. Ik ben niet gewend lompheden aan te hooren, zonder deze op dezelfde wijze te beantwoorden! Gij hebt gezien en gehoord dat wij niets van u wilden weten en nu gij ons tot hiertoe gevolgd zijt, dulden wij dit alleen, zoolang gij ons geen schade kunt doen.

—Schade?—riep hij.—Aan u is niets te bederven!

Nauwelijks had hij dit gezegd of ik rukte een vrij dikken tak van een naastbijzijnden boom, stroopte er de bladeren af en gaf hem een flinken slag, dwars over zijn gezicht.

—Ziezoo, wie niet hooren wil, moet voelen. Ik zal u wel leeren, beleefd te zijn.

Hij uitte een kreet van woede, sprong op en trok zijn revolver, maar nog eer hij den loop op mij kon richten, gaf ik hem een slag op den arm dat hij dien moest laten zakken, toen sloeg ik hem met de vuist zóó tegen den slaap dat hij als een blok op den grond viel. In een oogwenk stond de dikke Hammerdull naast mij en terwijl zijn gezicht glom van vreugde, zeide hij:

—Heigh-day: Eindelijk ziet men eens weer die fameusen slag van u. Dank u sir! De kerel heeft het verdiend. Zullen wij hem een beetje vastbinden, opdat hij geen dwaasheden begaat als hij wakker wordt?

—Ja, beste Dick, doe hem maar eenige riemen om de armen en beenen!

—Kom dan hier, Piet Holbers, oude Coon! Wij zullen dien Old-Cursing-Dry eens met wat mooie lintjes opsieren of vindt gij ’t niet goed?

Piet kwam behaaglijk lachend nader en antwoordde op zijn gewone laconieke wijze:

—Als gij denkt dat dit noodig is, dan zal ik u wel helpen, beste Dick!

—Noodig of niet noodig, dat is ’t zelfde, we zullen het in elk geval maar doen.

Zij bonden hem niet alleen handen en voeten maar bevestigden hem bovendien met een stevig touw aan een boomstam, zoodat het hem niet mogelijk zou zijn zich stilletjes weg te rollen. Toen zij met hun werk gereed waren, wreef Dick de vette handjes en zeide vergenoegd:

—Dat is bij u toch een ander leven, sir! Wij zijn nu een maand onderweg, zonder dat er iets bijzonders is gebeurd, nauwelijks evenwel [335]hebben wij u ontmoet of wij zitten midden in de avonturen.

—En de overval van eergisteren dan? Was dat dan geen avontuur?—vroeg ik.

—Voor ons niet, want wij waren er niet bij. In een week beleeft men bij u meer dan bij ons in een jaar, dat is algemeen bekend. Nu hebben wij den ouden Fletcher gebonden en kunnen dus aan wat anders denken. Wat denkt gij van een vischdiner? Ons gedroogd vleesch is bijna op.

—Hebt gij hengels?

—Wat een vraag. Dick Hammerdull en Piet Holbers geen hengels! ’t Is maar de vraag of er in den Rio San-Juan wel visschen zijn. Of willen wij bloedegels vangen en braden, Piet Holbers, oude Coon?

—Hm, als gij denkt, dat zij even vet zijn als gij, Dick Hammerdull, dan heb ik er niets tegen. Visch heb ik echter liever, want dat is mijn lievelingsgerecht, terwijl ik juist vandaag niet erg veel zin in bloedegels heb.

Dit was een lang verhaal, zooals men zelden van Piet Holbers hoorde, maar er was nu ook sprake van zijn lievelingsgerecht. Ik kon hem gelukkig uit ervaring verzekeren, dat zij een goede vangst zouden hebben en zoo kropen zij met hun hengels naar den oever, waar zij zich voorzichtig verscholen, om niet door een toevallig rondzwervenden Pa-Ute, opgemerkt te worden. Ik evenwel ging languit in het gras liggen en sloot de oogen, ofschoon ik niet moe was. Van slaap was dan ook geen sprake.

De prairiejager pleegt, wanneer hij ligt, ook zonder dat hij slaapt, veel de oogen dicht te hebben, omdat hij dan scherper kan hooren.

Er kon nauwelijks een uur zijn voorbijgegaan, toen de hengelaars terugkwamen. Zij hadden reeds zooveel gevangen dat wij voor den middag en den avond genoeg hadden. Jammer genoeg konden wij geen vuur aanmaken, voor Winnetou terug zou zijn, want wij wisten niet of wij dit konden doen, zonder gevaar te loopen te worden ontdekt. Een Indiaansche neus ruikt den rook van het vuur reeds van verre, maar nog verder den geur van vleesch, onverschillig of het van visch of wildbraad is.

De tijd ging voorbij. Het werd middag en de beide vrienden werden ongerust over den Apache. Ik maakte hen opmerkzaam op den grooten afstand van hier naar de legerplaats en op de moeielijkheid om op klaarlichten dag onopgemerkt vooruit te komen. Old-Cursing-Dry was reeds lang uit zijn verdooving ontwaakt, maar hield de oogen gesloten en bewoog zich niet.

Eindelijk, eindelijk hoorden wij eenig geritsel in de boomen en [336]Winnetou kwam terug. Zijn gezicht was strak als gewoonlijk, maar ik kende hem beter dan ieder ander en wist, dat hij goede tijding bracht. Hij gaf ons dit te kennen op zijn eigenaardige wijze, want zonder een woord te zeggen, zocht hij droog gras en dorre rijsjes bijeen, legde ze op een kleinen hoop, kreeg zijn vuursteenen uit den zak en maakte het vuur aan. Dick Hammerdull zette een vergenoegd gezicht, duwde Piel Holbers even met de ellebogen aan en zeide:

—Wel het schijnt alles in orde te zijn en wij kunnen kalm onze vischjes braden. Wat zegt gij er wel van, Piet Holbers, oude Coon?

—Als gij denkt, dat ik mij verheug op den heerlijken maaltijd, dan kondt gij wel eens gelijk hebben, oude Dick—luidde het antwoord.

De visschen werden in twee porties verdeeld voor den middag en voor den avond, toen kreeg ieder wat hem toekwam. Fletcher kreeg evenveel als ieder ander en toen zijn deel gebraden was, had Dick Hammerdull er plezier aan hem als een kind te voeren. Winnetou zag wel dat hij gebonden was, maar het lag niet in zijn aard naar de reden daarvan te vragen.

Evenmin vroeg ik naar den afloop van zijn verkenningstocht, want ik wist dat hij te zijner tijd, zelf daarover zou beginnen, de beide anderen evenwel waren minder geduldig dan ik en nauwelijks had Dick dan ook den laatsten hap naar binnen geschoven of hij wischte zich met de mouw den mond af en zeide:

—Ziezoo, nu heeft men genoeg en kan men eens aan de Pa-Utes denken. Ik hoop dat zij nog niet zijn weggereden!—En toen Winnetou niet dadelijk antwoordde, vervolgde hij:

—Of vergis ik mij en zijn zij reeds weg?

Over de mannelijke schoone trekken van den Apache gleed een flauwe glimlach en hij antwoordde op goedhartigen toon:

—De dauw valt te zijner tijd en de zon schijnt eveneens te harer tijd. Waarom wacht mijn blanke broeder niet tot ook mijn tijd van spreken is gekomen?

—Heel eenvoudig, omdat ik nieuwsgierig ben,—antwoordde Dick met volkomen oprechtheid.

—Nieuwsgierig mag een oude vrouw zijn, maar niet de man, vooral niet wanneer hij een krijgsman is, zooals Dick Hammerdull. Maar ik zal mijn broeder vertellen, wat hij wil weten. De Pa-Utes zijn er nog.

—Waar?

In de legerplaats, welke zij gisteren hebben overvallen. Winnetou heeft ze allen geteld, er zijn tweehonderd en zesmaal tien. Hun aanvoerder is Pats-Avat (Groote Mocassin) het opperhoofd der Pa-Utes. [337]

—En de gevangenen?

—Zij zijn gebonden, maar volkomen gezond. Wij zullen hen dezen nacht bevrijden.

—Bevrijden?—vroeg Dick verheugd.—Ik dacht dat het beter was, daarmee te wachten tot de Pa-Utes in handen der Navajos zijn, dan krijgen de blanken vanzelf hun vrijheid terug.

—Winnetou gelooft dat zijn blanke broeder zich daarin vergist. Wanneer wij de Pa-Utes in den canon opsluiten, terwijl zij hun gevangenen nog bij zich hebben, kunnen zij hun voorwaarden stellen en ons dreigen, de bleekgezichten te dooden. Zijn deze evenwel vrij, dan moeten de vijanden ingaan op alle voorstellen, welke wij hun doen.

—Juist ingezien! Mij is het ook veel aangenamer, dat wij reeds dezen nacht onze kameraden verlossen, want dat zal me een vreugde geven. Maar hoe zullen wij dat aanleggen?

—Dat zal mijn broeder hooren als de tijd daarvoor gekomen is. Winnetou heeft geluisterd en vele Pa-Utes hooren spreken, hij heeft vernomen, waarom ze nog niet weg zijn en hoe de overrompeling van de legerplaats in zijn werk is gegaan. Van de twee gedooden is de een de zoon van het opperhoofd, wiens begrafenis niet voor morgen kan plaats hebben, daar het graf uit steenen moet worden opgebouwd. Het opperhoofd is zeer verbitterd over den dood van zijn zoon en het is zeer wel mogelijk, dat hij de gevangenen doodt, opdat hun zielen die van zijn zoon in de eeuwige jachtvelden moeten bedienen.

—All devils, dat zou verschrikkelijk zijn!

—Het zou niet anders zijn dan een wraakneming, welke zij van de bleekgezichten hebben afgezien. En deze straf zou daarom rechtvaardig zijn, omdat zij daardoor den moordenaar, wiens zoon en neef zich onder de gevangenen bevinden, dubbel zou treffen.

—Dus toch Old-Cursing-Dry?

—Ja, hij is de moordenaar.

Fletcher lag dicht genoeg bij om alles te kunnen hooren. Sedert het middagmaal had hij de oogen open gehad. Nu riep hij:

—Ik ben het niet, ik ben het niet, ik weet er niets van! Deze.… schurken zijn de gemeenste.… die ik ben. Ik zweer bij.… dat ik de waarheid zeg!

Deze verdediging bevatte wederom drie vloeken, welke men onmogelijk weer kan geven. Winnetou deed, alsof hij ze niet hoorde en vervolgde:

—De Pa-Utes hebben eerst niet hier, waar zij zich nu bevinden, willen legeren, maar verder willen trekken. Zij zouden de bleekgezichten [338]in het geheel niet hebben gezien, als de moord niet gepleegd was geworden. De zoon van het opperhoofd reed met nog twee krijgers den troep een eind vooruit, plotseling vielen twee elkaar opvolgende schoten en hij stortte dood van zijn paard en naast hem een der andere krijgers. Beiden zijn in het hoofd getroffen.

—Bewijst dat, dat ik het gedaan heb?—brulde Fletcher toornig.

Winnetou wendde zich tot Hammerdull en Holbers:

—Wanneer deze man het nog eens waagt zoo luid te spreken, mogen mijn broeders hem een prop in den mond duwen en hem krom binden, dan hangen wij hem in de rivier, dat hij langzaam en ellendig moet verdrinken.

Toen hernam hij den ouden toon en ging voort:

—De tweede ruiter, die niet getroffen was, heeft zijn paard gewend naar den kant van waar de schoten kwamen en heeft een ruiter zien wegrijden. Daar het nog niet geheel donker was, heeft hij den man en het paard nauwkeurig kunnen herkennen. De man had een stroohoed op het hoofd en daaronder een doek, zooals de vaqueros en cowboys soms dragen. Het paard was donker van kleur, maar had een lichte vlek op de rechterheup. Mijn broeders zullen wel weten wie zulk een hoed en zulk een doek draagt en wiens paard zulk een lichte vlek heeft. Winnetou heeft duidelijk gehoord hoe de eene Pa-Ute dit aan de anderen vertelde.

Natuurlijk was het Fletcher, op wien dit alles betrekking had. Hij waagde het evenwel toch nog alles te loochenen en riep wederom:

—Leugen, alles leugen! Wat zulk een roode … zegt, heeft geen … waarde. Ik zweer bij … dat ik zoo onschuldig ben, als een …

Dat waren wederom uitdrukkingen, waarvoor ik hem wel halfdood had kunnen ranselen. De Apache ging op koelen toon voort:

—Herinneren mijn broeders zich nog de vreeselijke woorden, welke de man, die daar ligt, gisteren, toen hij ons voor het eerst zag, met betrekking tot de Indianen heeft gesproken? Hij sprak ze uit, terwijl hij zelf zag, dat ik een roodhuid was. Zooveel woorden als hij heeft gesproken, zooveel getuigen zijn dit tegen hem, geen ander dan hij is de moordenaar, hoewel hij een eed heeft gedaan dat hij het niet is.

Nu richtte Old-Cursing-Dry zich half op en schreeuwde:

—En ik herhaal bij dezen mijnen eed bij allen.… Ik mag blind worden en verpletterd, als ik de moordenaar ben! Wanneer gij zoo dom zijt, een.…

Hij kon den zin niet voltooien, want reeds lag ik naast hem neergeknield. Terwijl ik met mijn rechterhand hem de keel dichtkneep, scheurde ik met de linker een stuk van zijn jas en maakte daarvan [339]een bal. Hij snakte naar adem, maar ik duwde hem de prop tusschen de tanden en Hammerdull zorgde voor een tweede lap, welken wij hem voor den mond bonden, zoodat hij de prop er niet meer met de tong kon uitwerken. Nu waren wij vrij van het aanhooren van zijn vloeken en keerden naar onze plaatsen terug.

Lang zaten wij zwijgend bijeen, ieder wist wat de ander voelde en dacht, doch niemand sprak het uit. Uitvaagsel der menschheid, lager staande dan het redelooze dier! Zijn er werkelijk menschen op wie zulk een onmogelijk schijnende beschrijving van toepassing is? Tot nu toe zou ik deze vraag stellig ontkennend hebben beantwoord, thans moest ik toegeven dat zij werkelijk bestonden. Wat moesten wij met dezen man beginnen? Hem de vrijheid geven, hem, den schrik van al wat mensch was. Neen! Hem aan de Pa-Utes uitleveren? Ja, hij had het verdiend, want hij was in elk geval de moordenaar en kon slechts door den dood onschadelijk worden gemaakt.

Winnetou legde mij de hand op den arm en zeide, alsof hij mijn gedachten had gelezen:

—Mijn broeder denke niet te lang over dit alles na! Als het hem leed doet, zelf het leven van zulk een nietswaardig mensch te zien vernietigen, dan zal het opperhoofd der Apachen alleen als rechter optreden. Old-Cursing-Dry wordt aan de Pa-Utes overgeleverd, ik heb gezegd, Howgh!

—Houdt gij mij voor kleinmoedig?

—Neen, maar voor al te barmhartig!

—Ja, ik heb zelfs medelijden met dezen mensch, niet met zijn lichaam, maar met zijn ziel. Zoudt gij hem niet gelegenheid willen geven een enkel woord van berouw te spreken?

—Wat praat gij van berouw. Denkt gij dat het in uw macht staat zijn hart te openen voor zulke gevoelens? Neen, die macht bezit alleen de groote Manitou! Gij hebt mij geleerd op hem te vertrouwen en nu wilt gij het zelf niet doen. Wees niet bezorgd! Het aardsche leven van dezen moordenaar is vervallen aan de onverbiddelijke wetten der prairie, over zijn ziel zal Manitou richten. Hij is van nu aan niet meer een metgezel, dien wij dulden, maar een gevangene, dien wij aan de Pa-Utes uitleveren zullen. Daarom mag hij ook verder niet hooren, wat wij met elkander bespreken.

Na deze opmerking bleef hij eenigen tijd in gedachten verzonken en ging toen op gedempten toon voort:

—Winnetou zal u nu zeggen, op welke wijze het ons mogelijk zal zijn, de acht gevangenen te bevrijden.

Dick Hammerdull en Piet Holbers kennen de plaats, op welke de [340]Pa-Utes, die ik besluipen wil, gelegerd zijn. Er is daar een klein schiereiland, dat door een smalle strook land met den oever is verbonden, naar dit schiereiland zijn de gevangenen gebracht, omdat zij daar veel gemakkelijker kunnen bewaakt worden en zij van daar onmogelijk kunnen vluchten.

—Ik ken dit schiereiland,—knikte Hammerdull,—wij hadden er over gedacht daar onze legerplaats op te slaan, maar zagen er van af, omdat er zooveel steekvliegen waren. De zoom van het eiland is met kreupelhout begroeid.

—Juist en dit feit zal onze pogingen om hen te bevrijden, gemakkelijker maken. De acht mannen zijn natuurlijk gebonden en er is voor hen geen denken aan, over het water te vluchten. Daarom is één enkele wachter voldoende en deze is geposteerd op de smalle strook land, welke den overgang vormt naar het eiland. En al was men zoo voorzichtig geweest twee of drie schildwachten uit te zetten, dan zou dit nog niet zulk een bezwaar zijn, want deze zijn in enkele minuten onschadelijk gemaakt.

—Ja, ik ben overtuigd dat wij drie en nog meer schildwachten snel uit den weg ruimen, even spoedig hebben wij ook de banden van de gevangenen doorgesneden, maar wat dan? Aan den oever zijn nog meer dan tweehonderdvijftig Indianen gelegerd, die ons wel moeten opmerken!

—Wij komen evenwel niet langs hen heen, maar vluchten over het water.

—Hm, hm, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik ben wel overtuigd dat de kameraden allen tamelijk goed kunnen zwemmen, maar zij zullen de armen en beenen niet zoo gemakkelijk kunnen bewegen, daar zij zoolang gebonden zijn geweest. Het is ook niet te vermijden, dat de een vlugger zwemt dan de andere, en daardoor den een op den ander moet wachten. Hiermee gaat veel tijd verloren en wij geven den Indianen gelegenheid hen één voor één op te visschen en neer te schieten.

—Mijn blanke broeder heeft niet goed op mijn woorden gelet: ik heb niet gezegd, dat wij door het water, maar over het water wilden vluchten. Wij zullen een vlot bouwen. Mocht het noodzakelijk zijn in het water te gaan, dan zullen dit slechts twee van ons doen, namelijk Old-Shatterhand en ik.

—Zoo, een vlot! Maar een vaartuig waarmee acht personen kunnen worden vervoerd, moet zoo groot zijn dat de Indianen het zullen moeten zien, hoewel het vannacht zeer donker zal zijn, omdat het nieuwe maan is. Is dat niet ook uw meening, Piel Holbers, oude Coon?

—Als gij denkt dat het nieuwe maan is, dan hebt ge gelijk, oude [341]Dick,—luidde het antwoord,—maar Winnetou zal wel weten wat hij wil.

—Of hij het weet of niet dat blijft hetzelfde, maar ik ben ook overtuigd dat hij het bij het rechte eind heeft. Wat zegt gij er van, Mr. Shatterhand?

Daar deze vraag tot mij gericht was, antwoordde ik:

—Ik raad de bedoeling van onzen rooden broeder. Het vlot moet onopgemerkt blijven, het zou evenwel gezien worden wanneer de Pa-Utes bij de legerplaats bleven, daarom vermoed ik dat Winnetou van plan is hen weg te lokken.

—Mijn blanke broeder heeft mijn bedoeling geraden,—knikte de Apache.—De Pa-Utes moeten weg van de legerplaats.

—Maar hoe kunnen wij hen daartoe noodzaken?—vroeg Dick Hammerdull.

—Door brand.

—Goed. Maar wat zullen wij in brand steken? Wij kunnen toch niet het bosch verbranden, dat zou zonde wezen, hier, waar zoo weinig bosschen zijn.

—Het bosch is het opperhoofd der Apachen heilig, het mag niet vernield worden. Maar wij moeten iets in brand steken dat den Pa-Utes ook heilig is, want om een kleinigheid zijn zij niet zoo onvoorzichtig de legerplaats te verlaten.

—Dan ben ik wel nieuwsgierig welk voorwerp Winnetou in brand wil steken!

—Het nieuwe grafmonument.

—Voortreffelijk. Dat denkbeeld is tien duizend dollars waard. Maar dit ding zal niet branden, want het is van steen.

—Het is ook niet noodig dat het verbrandt. Wij maken een grooten stapel van hout en droog gras, leggen dien boven op het graf, wanneer deze stapel brandt, zullen alle roodhuiden doodelijk schrikken en heensnellen om het vuur te blusschen.

—Maar dan zullen wij nog moeten wachten tot het gereed is. En dan nog zal het gevaarlijk zijn het te naderen, daar men in elk geval wachtposten zal uitzetten.

—Mijn broeder Dick Hammerdull moet zich de gebruiken der roode volkeren herinneren. Zoodra het graf voltooid is, zal men het lijk van den zoon van het opperhoofd daarin neerleggen en niemand dan zijn vader zal daar blijven; men moet hem alleen laten, opdat hij de lijkzangen, welke alleen de ziel van den afgestorvene mag hooren, kan aanheffen. Wij hebben dus alleen met hem te doen.

—Moet hij gedood worden?

—Neen. Old-Shatterhand en Winnetou dooden geen mensch, [342]wanneer zij daartoe niet door hen zelf worden gedwongen. Hij zal van mijn broeder Shatterhand een vuistslag krijgen opdat hij zwijgt, zoolang hij niet spreken mag, verder mag hem niets kwaads geschieden.

—Maar wij kunnen niet tegelijkertijd bij het graf en op het vlot zijn! De roodhuiden zullen het vuur hebben uitgebluscht voor wij gereed zijn en dan zal het zeer de vraag wezen of ons plan zal gelukken.

—Dick Hammerdull behoeft niet ongerust te wezen. Wij zullen ons in twee groepen verdeelen en den tijd zóó nauwkeurig afmeten dat de kans op slagen zeer groot is. Laat ons nu aan het werk gaan en het vlot bouwen, want het moet gereed zijn voordat de avond invalt.

—Zijn wij zeker dat wij niet gezien zullen worden?

—Winnetou weet zeker dat de Pa-Utes niet in deze streek zullen komen.

—Of zij komen of niet, dat blijft hetzelfde maar het is in elk geval beter dat zij niet te weten komen dat wij hier zijn en wat onze plannen zijn. Meent gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?

—Als gij meent dat dit beter is, beste Dick, zal het mij niet invallen er iets tegen te hebben!—antwoordde Piet op zijn droge manier.

Wij gingen nu aan het vellen van dunne boomen, een werkje, dat, daar wij geen bijlen hadden, slechts langzaam vorderde. Versche, buigzame takjes, om de stammen aan elkaar te binden, waren er genoeg en zoo hadden wij eindelijk na twee uur een vlot gereed. Het had twee roeren, één voor en één achter en bovendien vier roeiriemen, voor het geval wij meer haast moesten maken. Nu werden vier groote bundels hout en gras verzameld en op het vlot gebracht.

Toen wij daarmee gereed waren, moesten de paarden worden weggebracht. Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, stroomopwaarts van de legerplaats der Pa-Utes en moesten dus met het vlot stroomafwaarts varen en eveneens konden de gevangenen, indien ons plan gelukte, ook slechts stroomafwaarts landen en wel op den anderen oever, opdat onze vervolgers genoodzaakt zouden zijn eerst over de rivier te steken, vóór zij ons konden achtervolgen. Daarom was het noodzakelijk de paarden eerst op een daartoe geschikte stroomafwaarts gelegen plaats te verbergen. Old-Cursing-Dry moest natuurlijk ook mee.

Wij zetten dus de paarden aan den anderen oever af en bonden Fletcher op zijn zadel vast. Piet Holbers moest bij het vlot wacht houden, wij anderen reden stroomafwaarts, maar niet te dicht langs den oever, om geen kans te loopen gezien te worden. [343]

Wij reden in galop en waren reeds na een half uur zoover gekomen, dat wij ons ongeveer een halve Engelsche mijl beneden het Indianenleger bevonden. Hier was een kleine, nauwe kloof, waarin boomen stonden en aan deze bonden wij de paarden vast. Old-Cursing-Dry werd van het paard genomen en eveneens aan een boom vastgemaakt. Hij was woedend en toonde ons dat, door ons, terwijl wij bezig waren hem vast te binden, eenige flinke schoppen te geven. Als hij geen prop in den mond had gehad, zouden wij zeker een menigte vloeken naar het hoofd hebben gekregen.

Wij waren genoodzaakt hem alleen en zonder toezicht hier achter te laten en den weg dien wij te paard gekomen waren, te voet terug te gaan. Nauwelijks waren wij op weg, of de duisternis viel in, maar behouden en wel kwamen wij wederom bij Piet Holbers aan. Wij gingen op het vlot, maakten het los en vingen den niet ongevaarlijken tocht aan. Ik stond aan het achterroer. Winnetou aan het voorste en zachtjes fluisterde hij mij zijn bevelen toe. Het was zóó duister, dat iemand die geen ervaren prairiejager was, geen hand voor oogen had kunnen zien, ik echter kon elken boom aan den oever herkennen en Winnetou zag stellig nog scherper dan ik. Dick Hammerdull en Piet Holbers zaten in het midden van het vlot en vertrouwden geheel op ons beiden.

De Pa-Utes waren aan den linkeroever van de rivier gelegerd, daarom hielden wij zooveel mogelijk den rechteroever. Het water had tamelijk veel verval en wij kwamen dus flink vooruit. Toen Winnetou dacht, dat we dicht genoeg bij de legerplaats waren, legden wij aan den linkeroever aan en wel op een plek, waar het vlot veilig onder overhangende twijgen verborgen kon liggen. Ik zeg aan den linkeroever, want wij wilden wel later langs den rechteroever ontvluchten, maar moesten toch eerst hier afstappen om de noodige voorbereidselen te maken.

Eerst sloop Winnetou weg om het terrein te verkennen. Na ongeveer twee uur keerde hij terug en meldde, dat hij alles gunstig had bevonden; het grafmonument zou ongeveer tegen middernacht gereed kunnen zijn en dan zou het opperhoofd zich stellig daarheen begeven. Het monument stond in het bosch, ongeveer driehonderd schreden van de legerplaats af. De dappere Apache was tot bijna in de onmiddellijke nabijheid van het schiereiland gekropen om te weten in welke richting hij later het vlot moest sturen.

Wij lagen tot middernacht stil en zwijgend onder het dichte struikgewas. Toen fluisterde Winnetou mij in:

—Mijn broeder mag de lont uit de patroongordel halen.

Ons werk zou dus beginnen. Ieder voorzichtig prairieman draagt [344]een kluwen lont bij zich, want hij komt dikwijls in de noodzakelijkheid die te moeten gebruiken. Ik sneed dus een voldoend eind af en stak het los in den zak om het dadelijk bij de hand te hebben. Toen stapten wij allen van het vlot op den oever en namen de groote bundels takken en gras mee. Winnetou ging vooraan.

Wij liepen in schuinsche richting door naar het bosch. De Apache koos den weg tusschen de boomen, welke niet al te dicht bij elkaar stonden en weldra zagen wij rechts van ons, het schijnsel van het legervuur en links dat van een kleiner, dat bij het grafmonument brandde. Toen wij dichterbij kwamen herkenden wij Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes, die geheel alleen bij het lijk van zijn zoon zat. Nog nader gekomen hoorden wij hem zijn klaagzangen prevelen en legden wij onze bundels op den grond. Dick en Piet kregen bevel hier te blijven staan; ik sloop met Winnetou tot bijna achter den rug van het opperhoofd en nu ging Winnetou plotseling voor hem staan. Pats-Avat zag op. Toen hij het opperhoofd der Apachen herkende, stond hij onmiddellijk op en mompelde verschrikt:

—Oef, Winnetou, het opperhoofd der Apachen!

De aangesprokene hief den arm op en wees naar mij en antwoordde:

—Ja, ik ben het. En daar staat mijn blanke vriend en broeder Old-Shatterhand!

De Pa-Ute keerde zich om en zag mij met wijd geopende oogen aan. Reeds opende hij den mond om hulp te roepen, maar toen kreeg hij van mij tegen het hoofd een slag welke hem bewusteloos deed neervallen. Nu droegen Dick en Piet de groote bundels hout aan en gezamenlijk stapelden wij deze boven op het grafmonument, staken den brand er in en verwijderden ons zoo haastig dat wij slechts enkele minuten later weer op het vlot stonden.

Wij maakten het los en lieten ons stroomaf drijven, evenwel zorgende dicht bij den oever te blijven.

Het werd lichter voor ons, reeds zagen wij het legervuur en bij het schijnsel daarvan het schiereiland voor ons liggen. Daar verhief zich plotseling een vuurgloed, welke wel de aandacht der Pa-Utes moest trekken.

Wij hoorden geroep en zagen velen naar het grafmonument snellen.

—Het gelukt!—zeide Winnetou.—Houdt de wapens gereed voor mogelijken tegenstand en de messen om de banden der gevangenen los te snijden.

Daar klonk van uit het woud een luide kreet van: „Neav-äkve, neav-äkve,—het opperhoofd is dood, het opperhoofd is dood!” Nu sprongen allen, die nog waren achtergebleven op en snelden naar [345]het bosch. Wij zagen zeer duidelijk dat ook twee roodhuiden van het schiereiland naar den oever kwamen en naar het bosch liepen.

—Aan de riemen en naar het eiland!—gebood ik.—Holbers blijft op het vlot om het vast te houden.

Het vlot schoot even snel als een boot vooruit. Toen het tegen het land stiet, sprongen Winnetou, Hammerdull en ik er af.

Er stond evenwel een derde wachter, die achtergebleven was, maar hij keerde ons den rug toe en zag naar het bosch. Toen hij eenig gedruisch hoorde, wat wij niet konden vermijden, keerde hij zich om. Ons zien, om hulp roepen en zijn geweer aanleggen, was het werk van een oogenblik. Ik sprong op hem toe, nam hem het geweer af, maar kon niet verhoeden dat het schot afging. In het volgend oogenblik evenwel gaf ik hem zulk een geduchten slag met de kolf, dat hij bewusteloos ineenzonk. Nu liep ik met het mes in de hand naar de gevangenen en eenige minuten later waren allen vrij en veilig op het vlot.

Wij snelden hen na, grepen de riemen en stuurden allereerst naar den overkant.

Alles was veel spoediger in zijn werk gegaan dan wij gedacht hadden en toch was het meer dan tijd, dat wij wegkwamen. Want het schot en het geroep om hulp waren gehoord en de roodhuiden kwamen terug om te zien wat er gebeurd was. Zij zagen ons, want wij gleden juist door den lichten vuurgloed en hieven een woedend gehuil aan. Winnetou’s forsche stem evenwel klonk boven dit geschreeuw uit.

—Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes,—zeide hij,—is niet dood, hij zal weder ontwaken, want Old-Shatterhand heeft hem slechts bewusteloos geslagen. En hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen. Wij hebben de blanke gevangenen bevrijd en geen duizend Pa-Utes zullen in staat zijn het ons weer af te nemen. Howgh!

Bij deze woorden verdubbelde zich het gehuil en vele schoten knalden, maar zij troffen geen doel, daar wij ons reeds weder in de duisternis bevonden. Nog langen tijd daarna evenwel hoorden wij de stemmen der vijanden, die als dwazen langs den oever liepen, zonder dat zij kans zagen ons in te halen.

De uit de gevangenschap verloste en van een waarschijnlijken dood geredde mannen, hadden uit de woorden van den Apache vernomen, wie wij waren. Zij wilden in luide woorden lucht geven aan hun blijdschap en dankbaarheid, maar Winnetou legde hun het zwijgen op door te zeggen:

—Zwijgt! Nog zijn wij niet in veiligheid! En wie weet of wel allen zich mogen verheugen aan de Pa-Utes te zijn ontkomen. Weldra [346]wordt gij voor een gerecht gedaagd en wie weet, wat het einde daarvan zal zijn. Howgh!

Winnetou stond, evenals zoo straks, aan het voorste roer en stuurde het vlot naar den rechteroever, want wij waren in de nabijheid van de plaats waar wij Fletcher en onze paarden hadden achtergelaten. De acht bevrijden meenden hier te kunnen uitstappen, maar Winnetou beduidde hen:

—Blijft zitten, wij varen verder!

—Waarom legt gij dan hier aan, als wij toch niet aan land mogen gaan?—vroeg een van hen op brutalen toon.

—Omdat onze paarden hier staan!

—En wij hebben er geene! Hadt gij dan geen tijd of lust om ook onze paarden los te maken? Wij hebben ook geen wapenen. Wat zullen wij hier in de Far-West beginnen zonder geweer en zonder messen? Dat hadt gij toch vooraf wel kunnen bedenken!

Er volgde een korte pauze, toen vroeg de Apache:

—Heet het jonge bleekgezicht, dat nu heeft gesproken, misschien Fletcher?

Ik kende den toon, waarop hij deze vraag uitsprak, zeer goed. Zoo sprak hij altijd, wanneer hij met een verachtelijk mensch te doen had en moeite moest doen, om zijn toorn te bedwingen.

—Ja,—antwoordde de gevraagde.

—Dus is hij de zoon van dat ander bleekgezicht, dat men Old-Cursing-Dry noemt?

—Voor den duivel! Wie geeft u verlof dien naam uit te spreken?

—Winnetou geeft zichzelf daartoe verlof en zou wel eens den man willen zien die hem dit verbood!

—Dat doe ik! Deze naam is een scheldnaam dien ik niet wil hooren! Waar is mijn vader? Hij was weg toen wij werden overvallen en is dus niet met ons gevangengenomen. Ik hoop niet, mijne heeren, dat gij ons van hier hebt ontvoerd en mijn vader in den steek hebt gelaten. Was dit het geval, dan zou ik u een.… in het lijf jagen en ik zweer u bij.…

—Halt!—viel Winnetou hem in de rede,—geen eed en geen vloek, dat dulden wij niet! De oude Fletcher is in goede handen en morgen zult gij hem zien. U nu dadelijk uw paarden en wapenen teruggeven zou krankzinnigenwerk zijn. Winnetou zal u evenwel zeggen wat er gebeuren moet. De Pa-Utes zullen ons achtervolgen en wij lokken hen in een val, waaruit geen van hen zal ontkomen. Dan zullen zij alles moeten teruggeven, wat zij u hebben afgenomen. De krijgers der Navajos staan reeds gereed om hen gevangen te nemen. Wie geen paard heeft moet op het vlot [347]blijven, tot wij op de plaats zelf zijn. De rivier maakt van hier af een bocht, welke naar de plaats voert, welke de roode mannen Sitsu-to (geel water) noemen. Herinnert mijn broeder Shatterhand zich deze plaats nog goed?

—Ja,—antwoordde ik,—wanneer wij nu van hier rijden zijn wij er bij het aanbreken van den dag.

—Juist. Wij, die op het vlot varen, zullen iets later daar aankomen. Mijn broeder Shatterhand heeft vier paarden. Hij mag met Dick Hammerdull, Piet Holbers en een van hun kameraden uitstappen en met hen naar Sitsu-to rijden om daar op ons te wachten. Wat ons dan verder te doen zal staan, kunnen wij later bespreken.

Wij hadden acht gevangenen bevrijd, vier kameraden van Hammerdull en Holbers en vier metgezellen van den ouden Fletcher.

Winnetou gaf mij niet zonder bedoeling een der eersten en niet een der laatsten mee. Fletcher toch was onze gevangene. Hammerdull koos dus een zijner vrienden uit en wij stapten aan wal, terwijl het vlot onmiddellijk verder ging. Het was voor Winnetou een waagstuk, met vier zulke menschen, als de jonge Fletcher er een was, te varen. Naar zijn onbeschaamde eischen en zijn wijze van spreken, te oordeelen, was ook hier de appel niet ver van den stam gevallen.

Wij vier mannen verlieten den oever en vonden ondanks de duisternis, weldra de kloof in welke wij onze paarden hadden vastgebonden. Hier was niets bijzonders gebeurd. Wel had Old-Cursing-Dry, naar ik kon zien, geducht aan zijn banden getrokken, maar zijn pogingen om los te komen waren geheel zonder gevolg gebleven. Hij werd nu weer op zijn paard gezet en goed vastgebonden.

De kameraad van Hammerdull verbaasde zich zeer over de behandeling, welke wij Fletcher aandeden, maar hij werd met een enkel woord op de hoogte gebracht; toen stegen wij op en reden naar een open vlakte, om zoo de bocht van de San-Juan-rivier af te snijden.

Ik reed, Fletchers paard voortdurend bij den teugel voerend, vooraan en luisterde nauwelijks naar de gesprekken, welke de drie anderen achter mij voerden.

Toen de dag begon aan te breken zagen wij in de verte den groenen zoom van de rivier en bij het water gekomen, stegen wij af om Winnetou’s komst af te wachten. Fletcher werd natuurlijk weer tegen een paal gebonden. Hij had gedurende den geheelen rit steeds de prop in den mond gehad, ik verwijderde deze uit medelijden, maar nauwelijks had hij de tong vrij of hij liet zulk een vloed van vloeken en verwenschingen over ons uit, dat wij hem alleen tot zwijgen konden [348]brengen, door de bedreiging, hem dadelijk weer te zullen knevelen en nog een extra pak slaag te laten geven.

Wij hadden gisteren, zuinigheidshalve, de tweede helft van de visch niet gebraden, daarom maakten wij nu een vuur aan en maakten ons ontbijt gereed. Fletcher kreeg wederom zijn deel. Gedurende het maal kon Hammerdull de vragen, welke hem sedert gisteren op de lippen zweefden, niet langer bedwingen, maar ik wenkte hem te zwijgen, daar Fletcher niets mocht hooren. Toen deze evenwel gegeten had, kreeg hij opnieuw de prop in den mond, werd hij op zijn paard een eind weggebracht en daar weer vastgebonden. Nu kon echter de dikke dan ook niet langer zijn nieuwsgierigheid bedwingen, hij vroeg:

—Waarom mag die oude man niet hier blijven, Mr. Shatterhand? Waarom brengt gij hem daarginds in het kreupelhout?

—Omdat zijn zoon, wanneer hij hier mocht uitstappen, hem niet dadelijk mag zien, want hij zou dan tegen ons opstaan, terwijl hij kalm zal blijven, zoolang hij niet weet, wat wij met zijn vader voorhebben.

—Wel! Dat is verstandig, maar ik heb nog wel honderd vragen te doen, welke.…

—Welke gij beter deedt vóór u te houden,—viel ik hem in de rede.—Neemt uw hengels en ziet of er hier ook visch te vangen is. Als Winnetou met zijn begeleiders komt zullen zij wel honger hebben. Ik zal u intusschen nog dit zeggen: de Pa-Utes zullen ons natuurlijk achtervolgen, te land of te water. Daar zij in de duisternis onze sporen niet kunnen zien, hebben zij wel moeten wachten tot het aanbreken van den dag en dezen tijd besteed met het bouwen van vlotten. Ook moeten intusschen de dooden begraven worden. Gij kunt dus wel nagaan, welken voorsprong wij op hen hebben.

—Die kunnen zij niet gemakkelijk inhalen!

—Neen, maar om hen te prikkelen, willen wij hen zoo dicht mogelijk bij ons laten komen, dan zullen zij misschien de onvoorzichtigheid begaan ons in den canon te volgen.

—Zouden de Navajos daar al reeds zijn?

—Nu nog niet, maar ook wij kunnen dien eerst hedenavond bereiken en dan is Nitsas-Kar met zijn krijgers daar zeker reeds aangekomen. Dat is alles wat wij vooreerst noodig hebben te weten.

—Maar gij hebt hierover niet met Winnetou gesproken. Het kan zijn dat hij een heel ander plan heeft dan gij.

—Neen ik ken hem en hij kent mij. Laat ons nu eerst zien of wij wat te eten kunnen krijgen. [349]

Hammerdull en Holbers waren wederom zeer gelukkig, zij maakten een goede vangst en hielden eerst met visschen op toen wij van verre het vlot zagen aankomen. De visschen werden dadelijk over het vuur gehangen, opdat de hongerigen niet al te lang op het eten behoefden te wachten. Winnetou stond met opgerichten hoofde voor aan het roer en zag met nieuwsgierige blikken om zich heen. Toen hij den ouden Fletcher niet zag, knikte hij mij tevreden toe en stuurde het vaartuig naar den oever, waar het werd vastgelegd. De geur der gebraden visschen trok de acht mannen zoozeer aan, dat allen na weinige minuten al kauwend om het vuur zaten.

Nu bij dag, kon ik de gezichten beter zien. De vier kerels, die bij Old-Cursing-Dry behoorden, hadden geen vertrouwenwekkende gezichten en de wijze waarop zij spraken, was allesbehalve beschaafd.

Winnetou nam mij een eindje mee ter zijde om het noodzakelijke met mij te bespreken. De jonge Fletcher evenwel riep ons toe:

—Wat voert gij daar uit? Hebt gij zulk een kwaad geweten, dat wij niet mogen hooren, wat gij zegt?

Nu antwoordde Dick Hammerdull:

—Gij schijnt niet te weten, Mr. Fletcher tegen wie gij spreekt. Old-Shatterhand en Winnetou zijn niet gewend op zulk een toon te worden aangesproken!

—Zoo. Is het daarom noodig dat ik mijn mond houd?

—Noodig of niet, dat is ’t zelfde, maar gij kondt wel eens een leelijken slag op uw mondje krijgen!

—Ik zou wel eens willen zien wie dat zou durven wagen! Dat gij ons hebt bevrijd is bijzaak, want dat was uw.… plicht en wij zijn u daarvoor volstrekt geen dank schuldig. Ik wil nu beslist weten, waar mijn.… is.

Het was werkelijk al te vreeselijk het woord aan te hooren, dat hij voor „vader” gebruikte. Dick antwoordde:

—Als gij met dit mooie woord, uw vader bedoelt, dan wil ik u wel zeggen dat deze reeds op weg naar de Navajos is,—niet waar, Piet Holbers, oude Coon?

—Ja, beste Dick,—antwoordde deze, als hij niet achter ons is, is hij voor ons.

—Nu, als dat zoo is, ben ik vooreerst tevreden,—verklaarde Fletcher.—Wij willen maar hopen dat de Pa-Utes in de val zullen loopen en dan zullen zij.…

Hier volgde wederom een vloed van verwenschingen, die niet weer te geven zijn en hij knoopte daaraan vast een opsomming van gebeurtenissen, welke duidelijk bewezen, dat de beide Fletcher’s gewoon waren, iederen Indiaan te beschouwen als een wezen dat [350]„uitgebluscht” diende te worden. Hoeveel moorden zouden zij reeds op hun geweten hebben?

Daar wij den voorsprong, dien wij op onze vervolgers hadden, een weinig wenschten in te korten, bleven wij nagenoeg vier uur aan de Sitsu-to, toen voer Winnetou met zijn vier mannen verder. Wij anderen zorgden dat de Pa-Utes wanneer zij aankwamen, reeds van verre konden zien, dat het vlot hier had aangelegd en dat ook wij, ruiters hier gelegerd hadden, daarop verlieten wij ook de plaats, nadat wij natuurlijk eerst Old-Cursing-Dry uit zijn schuilplaats hadden gehaald. Wij namen hem onderweg de prop uit den mond en al waagde hij het ook niet ons zelf te vervloeken, toch moesten wij aanhoudend uitdrukkingen aanhooren, welke ik nog nooit te voren had vernomen. Vooral bezwoer hij steeds bij kris en bij kras, dat hij niet de moordenaar van de Pa-Utes was.

Onze weg voerde ons dikwijls dicht langs den oever en dan weer verder af en eerst laat in den namiddag konden wij den oever onafgebroken volgen. Achter ons lag een rotsachtige vlakte, links de rivier en voor ons verhieven zich tal van hoogten, welker wanden loodrecht omhoogstegen en tusschen welke de Rio San-Juan verdween. Dit was de canon in welke wij de Pa-Utes wilden vangen. De vraag evenwel was of zij er in zouden gaan.

Om hen daartoe te bewegen, had ik met Winnetou afgesproken hier te blijven wachten, totdat zij ons konden zien; hij wilde op zijn vlot hetzelfde doen. Nauwelijks was een kwartier voorbijgegaan of wij zagen een ruiter aan de rivier komen. Het was een Navajo, die ons meldde, dat zijn krijgers waren aangekomen en zich zoo hadden opgesteld als Winnetou het had bevolen. Toen verwijderde hij zich wederom, om Nitsas-Kar te zeggen dat hij ons had ontmoet.

Korten tijd daarna zagen wij ons vlot aankomen. Ik gaf Winnetou het afgesproken teeken, waarop hij aanlegde om evenals wij hier te wachten.

De rivier vormde stroomopwaarts een rechte lijn en Winnetou kon dus zijn vervolgers even zoover zien aankomen, als wij de onzen. Dick Hammerdull wierp juist de vraag op, of de Pa-Utes ons wel werkelijk zouden achtervolgen, toen Piet Holbers in de verte wees en zeide:

—Zie eens achter u, oude Dick en gij zult zien, dat Mr. Shatterhand als altijd gelijk heeft.

Ja, zij kwamen! Een groote ruitertroep, wel tweehonderd man sterk. Wij bleven nog altijd staan. Toen wij door hen eveneens werden opgemerkt, hielden zij hun paarden in. Nu werden onze oogen afgeleid naar de rivier, want hier zagen wij vier of vijf vlotten. Winnetou zag ze ook en roeide naar het midden om zich te laten [351]zien. Dadelijk vermeerderden de anderen hun vaart en ook de ruiters achter ons zetten zich in beweging. Het had allen schijn dat ons plan zou gelukken.

Wij reden verder en wel zoo, dat wij steeds met Winnetou evenwijdig bleven. Nu en dan omziende, bemerkten wij na eenigen tijd dat de ruiters de plaats hadden bereikt, waar wij halt hadden gehouden en van daar uit hun vlotten en ook dat van Winnetou konden zien. Hooren konden wij hen niet maar de opgeheven armen zeiden ons, dat zij een groot gejuich van vreugde aanhieven. Toen zetten zij hun paarden in galop, wij deden hetzelfde. De rivier stroomde hier tusschen nauwere oevers waardoor haar snelheid zoo vermeerderde, dat Winnetou ons nu ook kon bijhouden.

De rotsen stegen hooger en hooger en kwamen elkaar zoo nabij, dat de oever nauwelijks vijf meter breed bleef, ja, zelfs hier en daar nog smaller werd. Dit was de ingang tot den canon. Een oplettende blik overtuigde mij, dat de eene afdeeling der Navajos haar post reeds bezet had. Nu ging het in galop verder, dan eens tusschen hemelhoog schijnende rotswanden naast het water over spleten en steenbrokken in halve duisternis tot het plotseling weer licht voor ons werd, daar de natuurlijke muren ineens achteruitweken. Nu kwamen wij over een menigte rotsblokken, waarachter de gestalten der Navajos zichtbaar werden. Wij stegen af, om onze paarden tusschen deze gevaarten door te leiden. Het opperhoofd zelf heette ons welkom en ik gaf hem den ouden Fletcher met de opdracht, hem nauwkeurig in het oog te houden. Dadelijk daarop liet Winnetou zijn vlot tegen den hellenden oever glijden en kwam met zijn makkers naderbij. Dit alles ging veel sneller in zijn werk dan ik het kan vertellen en nu zagen wij ook in de engte, welke de canon scheen te vormen de vlotten en ruiters der Pa-Utes verschijnen; zij waren dus in de val geloopen.

Ik legde den berendooder aan en schoot twee paarden neer. De schoten donderden tusschen de rotswanden als kanonschoten. De Navajos sprongen uit hun schuilhoeken te voorschijn en hielden hun geweren gereed. Toen de ruiters der Pa-Utes dit bemerkten, zwenkten zij hun paarden en gaven hun lieden op de vlotten een teeken aan te leggen, wat evenwel niet zoo gemakkelijk ging. Nu vielen van beide kanten schoten, welke ons evenwel geen schade deden. De vijanden zagen in, dat zij niet door konden breken en keerden terug. Toen zij verdwenen waren, dreven de ledige vlotten aan ons voorbij. Nu wachtten wij, maar niet lang, want de Pa-Utes kwamen terug. Zij waren op hun terugtocht op onze andere afdeeling gestuit en moesten wel inzien, dat zij zich in onze macht bevonden, [352]want, terwijl wij ruimte hadden gehad ons te verspreiden, zoodat ieder van ons kon schieten, waren zij op zulk een nauwen weg bijeengedreven, dat alleen de voorsten gebruik konden maken van hun geweren, wilde de een den ander niet verwonden. En zouden zij zich langzaam laten insluiten, in deze gevaarlijke engte? Dat zou krankzinnigheid zijn. Wij waren dus overtuigd, dat wij niet lang op hun besluit zouden behoeven te wachten.

Het bleek dat dit juist was ingezien, want na eenigen tijd kwam een van hen op ons toe, met een witten doek in de opgeheven hand, als teeken van onderhandeling. Wij lieten hem kalm komen en hij vertelde ons, dat zijn opperhoofd met onzen aanvoerder wenschte te spreken. Wij zeiden hem, dat Pats-Avat kon komen zonder dat hem eenig leed zou gedaan worden.

Wat wij verwacht hadden geschiedde. Het opperhoofd der Pa-Utes hechtte geloof aan onze woorden en kwam bij ons. De onderhandeling werd gevoerd op langzame, Indiaansche wijze, zoodat het tegen den avond liep en een vuur moest worden aangemaakt. Het opperhoofd der Navajos verlangde vrede en vijftig geweren, de Pa-Utes wilden vrede, maar geen geweren geven, daar er twee krijgers van hen waren gedood.

Nu mengde Winnetou zich in de zaak en het gevolg van zijn voorstel was, dat Pats-Avat de geweren gaf en den moordenaar van zijn zoon uitgeleverd kreeg. Deze afspraak werd met het rooken van de vredespijp bekrachtigd en de Pa-Ute keerde naar de zijnen terug, om hen dit te vertellen.

Nu werd een bode afgezonden naar de andere afdeeling en weldra verzamelden zich alle Navajos aan den oever der rivier. Daar werd de legerplaats opgeslagen en ook de Pa-Utes legerden zich in de onmiddellijke nabijheid. Voor Pats-Avat was het uiterst moeilijk, welken krijgers hij de geweren zou afnemen en het duurde bijna tot middernacht voor zij ingeleverd werden en er iemand kwam om den moordenaar te halen. Het spreekt vanzelf, dat zij ook alles moesten teruggeven, wat zij den acht gevangenen hadden afgenomen. Met hem kwam ook de Pa-Ute, die met de beide vermoorden vooruit was gereden en den vluchtenden moordenaar had gezien.

Natuurlijk moest er tegen Old-Cursing-Dry, voor hij kon worden uitgeleverd, bewijs geleverd zijn. Er werd daarom een jury benoemd, bestaande uit de twee opperhoofden, Winnetou, Dick Hammerdull en mij.

Fletcher was zoo afgezonderd gehouden, dat zijn zoon hem tot nu toe niet had kunnen zien, nu echter, nu hij gebonden bij ons [353]legervuur werd gebracht, zag de jonge den oude en van woede snuivend, eischte hij van ons oogenblikkelijke invrijheidstelling van zijn vader. Er volgde een tooneel dat ik niet vermag te beschrijven, maar dat hiermee eindigde, dat Fletcher junior eveneens werd gebonden.

Nu vormde zich om ons een groote kring van toehoorders. Voor het verhoor begon werden den gevangene, volgens de wetten der prairiën, de boeien afgenomen; aan vluchten was immers toch niet te denken. De getuige herkende in hem dadelijk dengeen, dien hij had zien vluchten en toen hem daarop Fletcher’s paard werd getoond, verklaarde hij met volkomen zekerheid, dat dit het dier was, waarop de moordenaar had gezeten. Het bewijs was voldoende. Toen evenwel Fletcher het woord kreeg om zich te verdedigen, kon hij niets uitbrengen dan vloeken en verwenschingen, die hiermee eindigden, dat hij blind zou worden en verpletterd als hij de moordenaar was. Wij moesten hem wel laten uitspreken, maar het was bijna niet om aan te hooren! En daarbij dat gezicht! Het geleek eerder op dat van een woedend dier, dan van een mensch! Pats-Avat, de vader van den vermoorde zat tegenover mij. Hij had zijn geweer naast zich liggen, een mes, een tomahawk en een oud, dubbelloopspistool staken in zijn gordel, waaraan ook de lederen kruitbundel hing. Waarschijnlijk om slechts maar iets te doen, of om zijn ergernis te verbergen, trok hij het pistool en begon het te laden, ik lette er niet op, want mijn aandacht was gevestigd op Old-Cursing-Dry. Nu herhaalde Winnetou de aanklacht, er was niets ter verdediging aangevoerd en dus moesten wij het oordeel vellen. Toen het eenstemmig „schuldig” luidde, stond de Apache op en zeide:

—Volgens de wetten der prairiën is het dus bewezen, dat Old-Cursing-Dry de krijgers der Pa-Utes heeft vermoord en daar wij beloofd hebben den moordenaar aan de Pa-Utes uit te leveren, zoo is hij van af dit oogenblik in handen van het opperhoofd der Pa-Utes, die met hem mag doen, wat hij wil. Howgh!

Nu stond ook Pats-Avat op. Het pistool in de linkerhand, strekte hij de rechterhand naar den moordenaar uit en riep:

—Dit blanke roofdier behoort dus van nu af aan mij. Hij zal dadelijk aan den paal worden gebonden en zoo gemarteld worden, dat hij drie dagen en drie nachten van pijn zal brullen, zonder te kunnen sterven, want niet alleen, dat hij dezen dubbelen moord heeft begaan, maar hij is bovendien de moordenaar van vele roode mannen geweest. Howgh!

Fletcher stond eenigen tijd stokstijf, toen riep hij:

—Ik sterven? Aan den martelpaal? Hoewel ik zeg, dat ik de [354]moordenaar niet ben? Roode.… hond! Is er voor mij geen redding, dan zult ook gij ter helle varen! Let op!

Hij rukte de pistool uit de handen van het opperhoofd, mikte op hem en schoot af: in het volgende oogenblik hield hij het tegen zijn eigen slaap en schoot weer af. De beide schoten klonken onmiddellijk na elkander. Men zag nauwelijks dat het opperhoofd bij het eerste schot ter zijde sprong en bij het tweede de hand naar het pistool uitstrekte. Wij stonden allen van onze zitplaatsen op, niet anders denkend dan dat beiden dood neder zouden storten, maar het opperhoofd stond ongedeerd overeind en zeide hoonend:

—Hij trof mij niet, want ik stiet zijn hand ter zijde en er was nog geen kogel, maar slechts kruit in den loop. Maar zie dien bleeken hond? Wat is er met hem gebeurd?

Ja, wat was er met Fletcher gebeurd? Hij had het pistool laten vallen en had de beide handen stijf tegen de oogen gedrukt, toen nam hij de handen weg, hief het hoofd op als wilde hij naar den sterrenhemel zien, uitte een doordringenden kreet en wierp zich ter aarde, terwijl hij jammerend met de vuisten in den grond boorde.

—Oef, oef, oef!—riep Winnetou.—Hij wilde blind worden, als hij schuldig was en heeft zichzelf met het kruit in de oogen geschoten. Volgens de wet der prairiën is hij veroordeeld, maar de groote Manitou heeft hem nog veel strenger gestraft. Winnetou, de hoofdman der Apachen, heeft veel gezien en beleefd, wat anderen niet mochten zien, maar hij huivert van dit gezicht. Howgh!

Hij rilde als van koude en keerde zich om om heen te gaan. Het was zooals hij zeide: Fletcher had zich met den kogel in den slaap willen treffen, maar omdat Pats-Avat op hetzelfde oogenblik naar het pistool had gegrepen, was het schot hem door de beide oogen gegaan. Het ging mij als Winnetou, ik huiverde en ik verwijderde mij zoover van de legerplaats, dat ik het gejammer niet meer hoorde. Toen ik na langen tijd weer terugkwam, was hij intusschen naar de Pa-Utes gebracht, wier opperhoofd er niet meer aan dacht, hem nog hedenavond aan den martelpaal te binden.

Alhoewel wij allen behoefte aan slaap hadden, kon ik dien niet vatten, ik keerde mij van de eene zijde op de andere en steeds klonken mij in de ooren de woorden van den Apache: „maar de groote Manitou heeft hem nog veel strenger gestraft.” En toen ik eindelijk toch in slaap viel, was het mij in den droom, alsof ik telkens weer de beide pistoolschoten hoorde.

Maar was het werkelijk een droom? Of waakte ik? Er waren werkelijk schoten gevallen en ik vernam een haastig heen en weer geloop. Toen ik opstond zag ik de geheele legerplaats in rep en roer en [355]op mijn vragen vertelde men mij dat Old-Cursing-Dry ontvlucht was.

Was dat mogelijk? Hij, de blinde, ontvlucht? Dat kon ik haast niet gelooven! Of was hij misschien niet geheel, niet volkomen blind geweest? Daar kwam Dick Hammerdull aangeloopen en in de verte riep hij mij reeds tegemoet:

—Weet gij reeds, dat de oude Fletcher weg is, sir?

—Ik hoorde het, maar kon het nauwelijks gelooven!

—Of gij het gelooft of niet, dat blijft gelijk, maar het is zoo, Mr. Shatterhand.

—Was hij dan niet gebonden?

—Ja zeker was hij gebonden.

—Hebben de Pa-Utes hem dan niet streng genoeg bewaakt?

—Mij dunkt van wel. Maar blind en gebonden, dan denkt men toch dat hij niet weg kan?

—Maar hoe is het dan gebeurd? Er moet iemand zijn die hem geholpen heeft.

—Ja natuurlijk heeft hem iemand geholpen, zijn zoon en deze is ook verdwenen. Een van de buitenste wachtposten heeft twee mannen gezien, die samen op een paard zaten.

—Dus hebben de beide Fletchers zich niet den tijd gegund een tweede paard weg te nemen? Is de zoon dan niet gebonden geweest?

—Gebonden of niet, dat is ’t zelfde, maar men heeft hem de riemen afgenomen, omdat hij er om gevraagd heeft en beloofde kalm te zijn. Men heeft gedacht, dat men hem niet behoefde te wantrouwen, omdat zijn vader in handen der Pa-Utes was!

—Welk een onvoorzichtigheid!—In welke richting zijn zij gegaan?

—Naar het zuiden. De schildwacht aan wien zij voorbij moesten, heeft hen aangeroepen en toen zij niet antwoordden, tweemaal op hen geschoten. Hij had een dubbelloopsgeweer, want het was een van mijn kameraden.

—Kom dan mee! Ik wil daarheen, waar hij gestaan heeft. Misschien kan men, ondanks de duisternis, nog een spoor ontdekken.

Wij gingen. Vele anderen volgden ons, maar weldra hoorden wij ver vooraan de bevelende stem van Winnetou, die een verder vooruitdringen verbood, omdat daardoor de sporen der vluchtelingen vernietigd werden. Men gehoorzaamde, ik evenwel ging verder. Toen ik bij hem kwam, zeide hij:

—Mijn broeder zal gehoord hebben, wat er gebeurd is. Wij moeten.…

Hij hield op en luisterde. Duidelijk hoorden wij den hoefslag van een paard dat langzaam naderde. Wij gingen het tegemoet, met [356]de hand aan den trekker van onze revolver. Deze voorzichtigheid bleek overbodig te zijn, want er zat niemand op het paard. Het was dat van den jongen Fletcher. Toen wij het bij het weder opgeporde legervuur brachten, zagen wij, dat het van achteren geheel bebloed, maar toch ongedeerd was. Een van de ruiters moest dus door een kogel van den schildwacht getroffen zijn geworden. Het paard had toen de beide ruiters afgeworpen en was teruggekeerd. Nu konden wij dus zeker zijn, de beide vluchtelingen te vinden en gerust wachten tot de morgen aanbrak. Bij de eerste morgenschemering begonnen wij te zoeken, maar wij behoefden niet ver te gaan. Van de plaats waar de beide Fletchers voor het laatst waren gezien, voerde ons het spoor eerst niet verder dan hoogstens duizend pas. Hier lag de zoon dood, reeds geheel verstijfd. De kogel was hem van achteren in den rug gedrongen, hij had zich dus slechts enkele minuten meer op het paard kunnen houden. Dit was met den ouden Fletcher verder gereden. Tengevolge van zijn blindheid had hij verkeerd gestuurd, namelijk naar een rotswand, welke wel dertig meter diep naar de rivier afhelde. Hier had het paard niet verder gewild en den ruiter afgeworpen. Toen wij over den kant heen, naar beneden zagen, zagen wij hem liggen. Hij leefde nog, want wij zagen, dat hij zich bewoog en hoorden een zacht gejammer.

Ik ben nooit duizelig geweest, maar nu duizelde het mij bij de gedachte dat ook het tweede deel van zijn godslastering in vervulling was gegaan. „Ik wil blind worden en verpletterd!” had hij gezegd en nu lag hij daar zoo beneden in de diepte!

Wij daalden aan den anderen kant, waar het niet zoo gevaarlijk was, naar beneden. Toen wij bij hem kwamen, lag hij nog steeds op dezelfde plaats, jammerend en met gesloten oogen. Ik knielde bij hem neer en vroeg:

—Mr. Fletcher, hoort ge mij?—verstaat ge mij? Hij opende langzaam de oogleden en staarde mij met zijn verglaasde oogen aan, maar een antwoord kreeg ik niet.

Ik herhaalde mijn vraag, maar wederom zonder eenig gevolg. Zijn hoofd toonde geen bijzondere verwonding, maar de beide armen en beenen waren gebroken.

—Verpletterd, zooals hij wilde!—fluisterde Winnetou mij toe.

In elk geval was hij ook inwendig zwaar gekwetst, want toen wij een poging deden om hem op te beuren, gilde hij onafgebroken door. Onder de vreeselijke pijnen welke hij leed, scheen zijn bewustzijn terug te keeren, want toen ik hem nu weer vroeg of hij mij hoorde of verstond, hield hij op te jammeren en antwoordde: [357]

—Wie is dat?—Wie zijt gij?

—Old-Shatterhand en Winnetou.

—Waar is mijn zoon?

—Hij is dood.

—Doodgeschoten?

—Ja.

—Dood.… ge.… scho.… ten!—stamelde hij,.… dat.… is mijn.… schuld!

—Ja, gij zijt schuld aan alles, aan uw vreeselijken dood en ook aan het treurig uiteinde van uw zoon!

Hij zuchtte diep en sloot de oogen. Zoo bleef hij een langen tijd onbewegelijk liggen.

—Zijt gij nog wakker?—vroeg ik hem,—hoort gij mij?

—Ja,—zuchtte hij.

—Gij hebt nog slechts weinige minuten te leven, denk aan uw zonden en aan het eeuwige gericht! Denk evenwel ook aan Gods barmhartigheid, welke zonder einde is.

—Gods.… barm.… hartigheid!—klonk het zacht.

—Zeg nu eindelijk de waarheid! Hebt gij de beide Pa-Utes vermoord?

—Ja,—bekende hij.

—Hebt gij berouw over dezen moord en over alle, welke gij vroeger hebt begaan?

—Berouw.… berouw! Bid.… voor mij een Onze Vader!

—Luister eerst, wat ik u ga zeggen! Als gij berouw hebt, kunt gij gerust sterven in de overtuiging dat de barmhartige God een genadig Rechter zal zijn. Laat ons nu bidden!

Hij deed een poging om zijn handen te vouwen, welke evenwel mislukte. Ik hielp hem en bad toen luide het Onze Vader en nog meer, dat mij op het hart lag. Op zijn gelaat kwam langzaam een vredige uitdrukking, een beweging met het hoofd, als wilde hij slapen gaan, toen was alles gedaan: Old-Cursing-Dry was dood.

Winnetou wenkte mij op te staan.

—Nu heeft mijn broeder Charley toch nog zijn zin gekregen,—zeide hij.—De ziel van dezen man is tot den grooten Manitou teruggekeerd. Zijn lichaam mag met dat van zijn zoon in de aarde rusten, tot eens aan den eeuwigen dag de ziel weer tot hem keert. Howgh!.… [358]


1 Zie Karl May: „De Duivelskop in het Rotsgebergte”.