WeRead Powered by ReaderPub
Winnetou cover

Winnetou

Chapter 9: HOOFDSTUK VII. DE BLIZZARD.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A travelling narrator recounts journeys across the North American frontier, describing dangers, alliances, and a deep friendship with an Apache leader. Action scenes—pursuits, skirmishes, and rescues—are interwoven with descriptive passages of landscape and Indigenous life. A persistent moral concern runs through the text, lamenting the displacement and decline of native communities and criticizing settler injustices. The work mixes episodic adventure with ethnographic detail and reflective commentary on loyalty, cultural loss, and responsibility.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

DE BLIZZARD.

De tweede gebeurtenis, waarop ik in het vorige hoofdstuk doelde, was niet minder treffend.

Ik was met Winnetou, het fiere opperhoofd der Apachen, aan gindsche zijde van het rotsgebergte bij de bevriende Indianen op de buffeljacht geweest en daarna met hem, ondanks het late jaargetijde, dwars door Wyoming naar fort Niobrara in Nebraska gereden, waar de winter ons overviel. Daar op dit fort dikwijls Sioux kwamen, die ons ten onrechte voor hun doodsvijanden hielden, was het geraden, onze namen niet bekend te maken. Het was voor alle gevallen beter, dat niemand wist, dat Winnetou en Old-Shatterhand hier aanwezig waren. Aangezien onze jachtkleeren geheel versleten waren en wij naar het beschaafde Oosten wilden gaan, kochten wij in het fort nette kleeren, uit warme wollen stoffen vervaardigd en dikke paardedekens. In deze kleeding zag ik er dan ook niet als een prairiejager uit en daar ik mij Mr. Beyer liet noemen en Winnetou geen oogenblik van mijn zijde week, zoo waren wij weldra niet anders bekend dan als Mr. Beyer en zijn Indiaan.

Nauwelijks waren wij in het fort Niobrara aangekomen of het begon zoo hevig te sneeuwen, dat wij ons wel gedwongen zagen de geheele December- en Januari-maanden daar te blijven vertoeven. Gezelschap hadden wij niet anders dan enkele officieren, van wie ik ook niet kan zeggen dat zij mij zoo erg sympathiek waren; met de overige soldaten bemoeiden wij ons niet meer dan strikt noodzakelijk was en wat de anderen betreft, die met ons op het fort waren ingesneeuwd, er waren er eigenlijk maar twee, die wij zoo nu en dan eens spraken. Het waren de beide broeders Burnings uit Moberly in Missouri, die in de Blackhills naar goud hadden gezocht en zich nu met de opbrengst van hun zwaren arbeid op weg naar huis bevonden. Beiden waren [359]getrouwd, verlangden erg naar de hunnen en vonden het daarom vreeselijk onaangenaam, door deze sneeuw zoolang te worden opgehouden.

Behalve deze beiden, waren er nog enkele anderen, meest slecht bekendstaande sujetten, met wie de Burnings zich niet bemoeiden.

Er werd veel kruit vermorst, veel gespeeld, veel gewed en nog veel meer gedronken en er heerschte onder dit volkje een toon, welke mij zoo tegenstond, dat ik de algemeene gezelschapskamer niet dan hoogst noodig betrad. Het aller ruwste gedroegen zich twee kerels, die Grinder en Slack heetten. Zij waren valsche spelers, dronkaards en woestelingen, zonder dat zij evenwel werkelijk moed bezaten. Er had geen bijeenkomst plaats, zonder dat zij een vechtpartij uitlokten; vooral hielden zij van zoogenaamde Amerikaansche duels, maar altijd wisten zij het zoo te leiden, dat niet zij, maar anderen de kastanjes uit het vuur moesten halen. Het meest van alles hinderde het mij, dat beiden zich een stopwoord hadden aangewend, dat men wel honderdmaal daags kreeg te hooren. Grinder zeide, waar hij het maar te pas kon brengen: „Ik mag dadelijk blind worden,” terwijl zijn kameraad: „God mag mij krankzinnig maken,” vooraan in den mond had.

Met deze beide menschen kwam ik slechts een enkele maal in botsing. Zij hadden vernomen dat ik een Duitscher was en wierpen mij, toen ik op hun uitnoodiging om mee te spelen een weigerend antwoord gaf „verdomde mof” naar het hoofd. Daarvoor kregen beiden zulk een geduchten oorvijg van mij, dat zij van hun stoelen tuimelden. De anderen dachten natuurlijk niet anders, of er zou een geweldige vechtpartij volgen, maar zij vergisten zich, want de beide kerels bezaten feitelijk niet den moed het tegen Mr. Beyer en zijn Indiaan op te nemen.

Er waren nog twee Indianen, die door den sneeuwstorm naar het fort waren gedreven. Zij beweerden te behooren tot den stam der Caddos, maar waren waarschijnlijk uitgestootenen van een anderen stam, arme kerels, die nauwelijks hun naaktheid konden bedekken en niet eens wapenen bezaten, daar zij kort geleden door de Sioux geheel waren uitgeplunderd. Zij wilden naar Kansas gaan en sneden pijlen en bogen om onderweg niet te moeten verhongeren. Wij gaven hun zooveel wij konden missen, maar konden hen helaas geen paarden en geweren verschaffen, daar deze niet te verkrijgen waren.

In het begin van Februari begon het weer zachter te worden en kregen wij regen. De sneeuw verdween en wij konden er aan beginnen te denken, onzen tocht te vervolgen. Eerst vertrokken de [360]beide Indianen, te voet natuurlijk, wij gaven hun een goeden voorraad levensmiddelen mede, voldoende om tot fort Hillock te komen, waar zij opnieuw halt konden houden. Twee dagen later reden de broeders Burnings weg en den volgenden dag Grinder en Slack. Toen ze ons voorbijgingen, riep Slack ons toe:

—Kom ons niet in den weg! God mag mij dadelijk krankzinnig maken, als ik u de oorvijgen niet terugbetaal, welke gij ons hebt gegeven.

En Grinder voegde er woedend bij:

—Ja, onthoudt dat, schurken! Ik mag dadelijk blind worden, als wij bij onze eerste ontmoeting uw levenslamp niet als een kaars uitblazen!

Wij deden natuurlijk alsof wij deze woorden niet gehoord hadden. Zulke menschen maakten ons in het geheel niet bang.

Als ervaren prairiejagers wachtten wij nog een dag om te zien of het zachte weer standhield; toen braken wij ook op. Men kan zich voorstellen dat de weg door dit doorweekte land geen gemakkelijke was, maar onze sterke hengsten hadden nu wekenlang uitgerust en overwonnen alle hindernissen. Nebraska heeft bijna alleen prairieland, dat, door hetwelk wij reden, was vlak en in den weeken bodem zagen wij duidelijk de sporen van allen, die fort Niobrara hadden verlaten. Alleen de twee Indianen, de Burnings, Grinder en Slack, schenen zonder uitzondering, evenals wij, naar fort Hillock te willen gaan. Dat maakte mij een weinig ongerust. Men had mij verteld dat Grinder en Slack in de laatste dagen ongelukkig in het spel waren geweest en alles hadden verloren. Zij wisten hoogst waarschijnlijk evengoed als wij dat de Burnings stofgoud en Nuggets bij zich hadden en hoewel ik hen voor veel te laf aanzag, om een openlijken strijd aan te durven, achtte ik hen laag genoeg, om een sluipmoord te begaan. Toen ik mijn gedachten daaromtrent aan Winnetou toevertrouwde, zeide hij niets, maar drukte zijn paard de sporen in de zijde, wat voor mij even duidelijk was alsof hij tegen mij gezegd had: gij hebt gelijk, wij moeten zien de kerels in te halen!

Over dezen verderen rit, welke meer dan drie dagen duurde, behoef ik niet te spreken; de sporen bleven duidelijk zichtbaar en voerden over de Loux Fork, waarvan het ijs hier en daar nog zoo dik was, dat het gemakkelijk paard en ruiter kon dragen. Van hier kon men fort Hillock in een dag bereiken. Daar het evenwel nu reeds laat in den namiddag was, konden wij eerst den volgenden voormiddag daar aankomen.

De diep uitgetreden sporen lagen duidelijk voor ons. Winnetou [361]kon zelfs bepalen hoe oud zij waren. De twee Indianen hadden een voorsprong van twee dagen op de Burnings, maar daar zij te voet waren, hadden de beide broeders hen nu reeds ingehaald, Grinder en Slack waren een dag na de Burnings van Niobrara vertrokken; zij hadden echter naar de sporen te zien hun paarden zoo aangejaagd, dat zij dicht achter de Burnings moesten zijn. Dit maakte mij nog ongeruster. Waarom hadden deze beide menschen zoo vlug gereden? Om de Burnings in te halen en te overvallen, of om des te eerder op fort Hillock aan te komen? Dit laatste was zeer wel mogelijk maar ik kon er geen vrede mee hebben. De volgende uren zouden ons zekerheid brengen. Zeiden ons die sporen, dat Grinder en Slack de Burnings hadden ingehaald en leidden hun sporen verder, dan waren mijn vermoedens ongegrond geweest.

Wij joegen dus in galop over de vlakte, steeds het oog houdend op de drie sporen. Zoo verliepen twee uur, tot Winnetou eensklaps zijn paard inhield en tot mij zeide:

—De beide blanke mannen, die Burnings heeten, zijn verloren, zij zullen vannacht vermoord worden.

Ik knikte, want ik was geheel dezelfde meening toegedaan. Hij vervolgde:

—Van deze beide sporen is het eene een uur ouder dan het andere, het is gedurende een rit van acht mijl niet anders geworden. Grinder en Slack willen dus de Burnings niet inhalen, maar hen, als het donker is geworden, vermoorden.

—God in den hemel!—riep ik,—en het is ons onmogelijk hen te redden?

—Howgh!—stemde hij toe.—Het is ons onmogelijk hen zoo snel in te halen, want binnen twee uur is het nacht en dan kunnen wij het spoor niet meer lezen. Laat ons evenwel het nog volgen en laat ons intusschen bidden tot den Grooten Manitou, dat hij de beide broeders bescherme!

Ik heb dien namiddag, dien avond en den daaropvolgenden nacht doodsangsten uitgestaan. Verbeeld u, zeker te zijn dat er een moord zal worden gepleegd en dat niet te kunnen verhoeden! Dezen nacht, dien wij in het kreupelhout nabij een zijriviertje van de Loux-Fork doorbrachten, zal ik nooit vergeten. Wanneer er sneeuw had gelegen, zou zij geschitterd hebben, de sporen zouden te zien zijn geweest en wij hadden de misdaad kunnen voorkomen, maar nu waren de sporen onzichtbaar; wij moesten ondanks het ongeduld, dat ons verhinderde te slapen, wachten tot eindelijk de dag aanbrak. Zoodra het in het Oosten slechts eenigermate licht werd, stegen wij te paard en reden verder. Wij hadden nog een flauwe hoop, dat de Burnings [362]geen legervuur hadden aangemaakt en daardoor door Grinder en Slack niet gezien en gevonden waren geworden, maar deze hoop werd steeds zwakker en zwakker, toen wij bemerkten dat de beide sporen langzamerhand dichter bij elkaar kwamen. Grinder en Slack hadden dus gisteravond zoo dicht mogelijk de broeders trachten te naderen. Ieder oogenblik kon ons dus nu de treurige zekerheid brengen dat twee menschenlevens vernietigd waren geworden.

Wij reden, de sporen volgend, om een kreupelboschje heen. Plotseling stonden onze paarden stil, voor hen lagen de beide Burnings, badende in hun bloed. Wij sprongen van onze paarden om de lichamen te onderzoeken. Er was geen leven meer in, de dood was reeds gisteravond ingetreden. Een mensch te doorsteken, daartoe behoort meer moed dan hem op zekeren afstand dood te schieten. Waren de moordenaars misschien niet zoo laf, als ik had gedacht? Of hadden zij er een bepaalde bedoeling mede gehad, het mes te gebruiken in plaats van het geweer?

Wat wij te doen hadden was gemakkelijk in te zien. Wij mochten niet bij de lijken blijven treuren, maar moesten de moordenaars vervolgen, die naar wij zagen, hun slachtoffers niet geheel hadden uitgeplunderd, maar hun alleen het goud en de geweren hadden afgenomen en daarop met de twee buitgemaakte paarden verder waren gereden. Wij galoppeerden dus verder op hun spoor dat tot onze verbazing naar fort Hillock voerde. Na ongeveer een half uur zagen wij dat de ruiters halt hadden gehouden. Hier waren niet enkel hoefsporen, maar ook voetsporen en van deze plaats af verdeelde zich het eene spoor van vier paarden, in twee van twee paarden.

Wat moest dat beteekenen? Wij bleven even staan tot Winnetou riep:

—Oef, hier liepen de roode Caddo-mannen en waarschijnlijk hebben zij de gestolen paarden ten geschenke gekregen.

Met welk een zekerheid raadde de onvergelijkelijke scherpzinnigheid van Winnetou hier wederom het rechte. De moordenaars hadden de arme roodhuiden hier ingehaald en hun de paarden geschonken, om de verdenking van zich af te schuiven. Daarom ook hadden zij hun slachtoffers niet doodgeschoten, maar doodgestoken, omdat de Caddo-Indianen slechts pijl en boog en mes, maar geen geweren hadden. De beklagenswaardige roodhuiden waren dus reeds gisteravond uitgekozen geworden, om de schuld van anderen op zich te zien laden. Hoe weinig erg-denkend zij in deze val geloopen waren, zagen wij hieruit dat de sporen allen naar Hillock leidden met dat onderscheid, evenwel dat Grinder en Slack een omweg hadden gemaakt, [363]waarschijnlijk om hun buit in veiligheid te brengen en om na de Indianen op het fort aan te komen en ze daar te kunnen aanklagen.

Terwijl wij verder reden, schudde Winnetou zijn lange, blauw-zwarte haren uit het gezicht en zeide toornig:

—Nu ziet mijn broeder Charley weer, wie beter zijn, de blanken of de rooden. En toch des ondanks is het geluk aan de zijde der bleekgezichten en wij moeten ondergaan! Oef, oef, oef!

Wat moest, wat kon ik hem antwoorden? Niets! Bovendien, wij zouden nu ook geen tijd hebben gehad, deze kwestie te bespreken, want wij zagen voor ons een schare ruiters, die ons tegemoet reden. Weldra stonden wij tegenover elkaar. Het was een deel der bezetting van fort Hillock, onder geleide van een luitenant. Deze cavaleristen hadden in hun midden de beide Caddo-Indianen stevig geboeid en aan hun paarden vastgebonden. Toen de officier het bevel had gegeven om halt te maken, vroeg hij ons:

—Van waar komt gij, heeren?

—Van fort Niobrara,—antwoordde ik.

—Langs dit spoor?

—Ja.

—Hebt gij vandaag ook iets bijzonders gezien?

—Zeker, wij zagen de lijken van twee mannen, die vermoord en uitgeplunderd zijn geworden.

—Dat komt uit! Hoe ver is die plaats van hier verwijderd?

—Drie kwartier ongeveer. Ik zie daar twee Indianen, die gebonden zijn. Waarom is dit gebeurd?

—Omdat zij de moordenaars zijn van de twee mannen, wier lijken gij gezien hebt. Wij brengen hen naar de plaats, waar de moord is geschied om hun slachtoffers te begraven en hen boven de graven op te hangen. Gij weet wel, dat men hier in het Westen korte wetten maakt.

—Dat weet ik, sir, maar weet gij wel zeker dat deze Indianen de schuldigen zijn?

—Natuurlijk zijn zij het. Zij hebben zelfs de paarden en de geweren der vermoorden bij zich.

—Hoe weet gij, dat deze paarden en deze geweren aan de dooden hebben toebehoord?

Man, wie geeft u het recht, mij zoo uit te vragen? Gij zijt een onbekende, die er niet uitziet alsof hij hier in het Westen thuis hoort; ik echter ben officier en ben u in elk geval geen rekenschap schuldig!

Na deze terechtwijzing keerde hij zich om, om het commando „verder op rijden,” te geven, maar ik voorkwam hem:

—Halt, sir, nog één woord! Er bevinden zich twee personen [364]in het fort en het is zeker op hun aandringen dat gij het bevel hebt gegeven deze beide Indianen op te knoopen, niet waar?

—Ja en houd nu uw mond maar! Ik heb geen tijd, verdere onnoodige vragen aan te hooren en.…

—Onnoodige?—viel ik hem in de rede.—Ik heb niet alleen alle reden, maar het is zelfs mijn heilige plicht deze vragen te doen, want deze Indianen zijn onschuldig en hun aanklagers zijn de moordenaars!

—Hallo! Hoe komt gij hierbij?

—Wij wisten reeds gisteren van den moord, maar konden hem helaas niet verhinderen. Brengt ons naar den commandant van het fort, wij zullen dat wat wij beweren, ook bewijzen.

—Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij denkt. Ik heb bevel de lijken te begraven en de moordenaars aan de halzen zoo hoog te binden, dat hun voeten den bodem niet kunnen raken.

—Daar zal niemand iets tegen hebben, als het eerst maar is bewezen dat het werkelijk de moordenaars zijn die worden opgeknoopt.

Hij deed mij, ondanks het ontvangen bevel, het genoegen mij verder aan te hooren. Toen ik geëindigd had, zag hij ons met een verbaasden blik aan en zeide:

—Hm! Gij ziet er uit als een gentleman, die hier in de Far-West zoo groen zijt als gras, maar uit uw woorden spreekt een opmerkingsgave, waarvoor ik alle respect heb. Zouden deze Grinder en Slack ons werkelijk hebben voorgelogen! Zij zagen er niet erg gentleman-like uit, dat moet ik zeggen. Welnu, het eene gedeelte van het bevel, namelijk het begraven der lijken moet ik ten uitvoer brengen, maar het andere deel, zal ik op uw aandringen achterwege laten. Maar wee u, sir, als gij ons wat op de mouw hebt gespeld! Ik laat mij niet voor den gek houden!

Hij koos zes man uit, die met de meegebrachte spaden verder moesten rijden om de lijken te begraven, toen nam hij Winnetou en mij met de beide geboeide Indianen in het midden en zoo reden wij naar het fort Hillock. Hij had, ondanks het gewicht mijner woorden niet er aan gedacht naar onze namen te vragen. De Caddo-Indianen mochten niet met ons spreken, maar de blikken, welke zij ons toewierpen zeiden even duidelijk, als woorden dit konden, hoe dankbaar zij ons waren.

Slechts weinige minuten nadat wij wederom op weg waren, begon het eerst zacht en toen steeds harder te sneeuwen en de sneeuw smolt niet, daar de temperatuur plotseling daalde. Winnetou zag met een somberen blik naar de lucht en den horizon en toen wij het fort voor ons zagen opdoemen, was de geheele omtrek reeds eenige duimen hoog met sneeuw bedekt. [365]

Fort Hillock had wel den naam, niet evenwel het aanzien van een fort. Op een met planken omringd vierkant, waren blokhutten opgericht. Lange, houten gebouwtjes gaven de nederzetting meer het aanzien van een winkelgalerij dan van een vestingwerk en slechts de nauwelijks meer zichtbare, vuil-witte overblijfselen bewezen dat de plaats door een hoogen en sterken sneeuwval omgeven was geweest, welke nu in de laatste dagen was weggesmolten. Voor Indianen scheen men niet bang te zijn, want de poort stond wijd open toen wij binnentrokken. Naar wij aan de bezig zijnde soldaten zagen, schenen de zooeven genoemde winkeltjes dienst te doen als stalling voor de paarden en als voorraadschuren. Opmerkzaam gemaakt door het hoefgetrappel van onze paarden kwamen uit een der blokhutten twee officieren, een luitenant en een kapitein, welke laatste een zeer streng gezicht zette, toen hij ons zag. De aanvoerder van onzen troep steeg van zijn paard en trad op hem toe om hem alles te vertellen. Ook wij stegen af.

De kapitein luisterde slechts met een half oor naar het verhaal van zijn ondergeschikte, want zijn oogen waren het meest op onze paarden gericht. Hij kwam naderbij en riep:

—Wel, wat zijn dat voor prachtige dieren! Die wil ik u wel afkoopen. Wat moeten ze kosten?

Eerst nu zag hij ons aan. Winnetou scheen niet bijzonder veel indruk op hem te maken, maar toen hij mij goed aanzag, zag ik, dat hij mij herkende.

—All devils! riep hij.—Wien zie ik daar? Is het waar? Wie zijt gij, sir?

—Ik heet Beyer,—antwoordde ik.

Nu schudde hij het hoofd, pakte mij bij de kin, draaide mijn hoofd naar rechts om de linkerzijde van mijn hals te zien en zeide toen op triomfantelijken toon:

—Ik heb het dadelijk wel gedacht! Dat litteeken daar is van dien beroemden messteek. Laat anderen u voor groen aanzien, ik laat mij door uw kleeding niet foppen, heeren. Gij beiden zijt.…

—Als ik u verzoeken mag, geen namen kapitein,—viel ik hem in de rede.

—Waarom niet?—vroeg hij.

—Om de Sioux, door wier gebied wij nog moeten trekken. Als gij ons werkelijk hebt herkend, dat weet gij ook wel, dat de onderhoorigen van deze natie niet behoeven te weten, dat wij ons in hun gebied bevinden.

—Zooals gij wilt, sir! Ik was van plan mijn luitenant een geduchten uitbrander te geven, dat hij zich heeft laten overreden terug te keeren, maar nu zie ik wel in, dat hij goed gehandeld heeft [366]Komt binnen, ik zal uw paarden goed laten verzorgen en gij kunt een flinken grog krijgen en mij meteen vertellen wat gij op die Grinder en Slack tegen hebt.

—Waar zijn de kerels, kapitein? Ik zie hen niet! Zij zijn toch niet reeds weg?

—O neen. Hun paarden staan daarginds in den stal en zij zijn op jacht om een stuk wild te schieten.

—En om waarschijnlijk meteen eens naar het gestolen goud te zien dat zij verborgen hebben. Jammer dat het zoo sneeuwt! Daardoor is het onmogelijk hen na te sluipen en te beluisteren. Deze sneeuw berooft ons van de bewijzen, welke noodig zijn om hen van de misdaad te overtuigen.

—Dat is mij tamelijk onverschillig, sir! Ik weet zeer goed dat gij beiden juist de menschen zijt om de bewijzen van onder de dikste sneeuw weg te halen.

De blokhut, in welke wij gedurende dit laatste gesprek binnengeleid waren, diende hem en den luitenant tot woning. Terwijl de jongste officier den grog gereedmaakte, wees de kapitein op twee zeer primitief in elkaar gespijkerde stoelen en zeide:

—Gaat zitten, heeren en zeg mij oprecht: niet waar, gij zijt Mr. Old-Shatterhand en Mr. Winnetou.

Ik antwoordde terwijl ik wees op onze geweren, welke wij natuurlijk mee naar binnen hadden genomen:

—Hier is de beroemde zilverbuks van het opperhoofd der Apachen en hier ziet gij mijn geweer en mijn berendooder. Nu weet gij precies, wie wij zijn.

—Juist. Het is een groote eer voor ons u bij ons te zien. Wij heeten u hartelijk welkom en zullen geloof hechten aan ieder woord, dat gij over de misdaad zegt.

—Dank voor uw vertrouwen, sir! Maar zulk een daad moet beoordeeld worden naar de wetten der prairiën en deze wetten eischen in de eerste plaats onwederlegbare bewijzen. Gij moogt geen vonnis vellen, alleen op ons zeggen.

Winnetou, die nooit alcohol gebruikte, bedankte ook voor den grog, maar ik proefde den warmen drank, teug voor teug en vertelde daarbij uitvoerig, wat wij van Grinder en Slack wisten en dachten. Nog waren wij niet geheel daarover uitgepraat of de deur ging open en de beide genoemden traden binnen.

—All devils!—riep Grinder, toen hij ons gewaar werd,—ik mag dadelijk blind worden, als dat niet Mr. Beyer met zijn Indiaan is.

—Hij is het!—antwoordde de kapitein, terwijl hij den luitenant een wenk gaf, waarop deze zich verwijderde.—Waarschijnlijk [367]is het u niet aangenaam, deze beide gentlemen hier te zien?

—Niet aangenaam? De duivel mag mij halen of mij iets, wat deze mannen aangaat, aangenaam is of niet, zij zijn mij geheel onverschillig.

—Dat zal wel niet zoo zijn, als gij eerst weet, waarvoor zij naar fort Hillock zijn gekomen.

—Wat zou dat kunnen zijn? Wij hebben volstrekt niets met hen te maken! Wij zijn hier enkel gekomen om te vragen of uw manschappen reeds teruggekomen zijn. De roode schurken bengelen zeker reeds aan twee flinke touwen?

—Neen zij bengelen nog niet, Mr. Beyer heeft hen weer teruggebracht.

—Wie? Wat? Wat heeft deze Mr. Beyer en zijn Indiaan met deze zaak te maken!

—Zeer veel. Zij kennen de ware moordenaars en hebben hen tot hiertoe gevolgd.

—De ware moordenaars? Dat zijn toch de Caddo-Indianen!

—Neen, Mr. Beyer beweert integendeel, dat de ware moordenaars Slack en Grinder heeten.

—Slack en Grin.… all devils, wij?—stamelde Grinder verschrikt.

—Ja, gij!

—Ik mag dadelijk blind worden als die man zijn verstand niet heeft verloren. Slack, spreek dan toch, wat zegt gij daarvan?

De gevraagde hield mij de gebalde vuist toe en schreeuwde:

—De duivel hale hem! Wat wil die kerel toch met ons! Het is een Duitscher, vertrouw hem niet. God mag mij krankzinnig maken als ik hem niet den mond stop, dat hij zijn gansche leven moet zwijgen! Kom Grinder! Voor zulk een kerel zijn wij veel te goed!

—Gij blijft!—beval de kapitein.

Zij wilden ondanks dit bevel heengaan, maar toen zij de deur openden, zagen zij den luitenant voor zich die met een half dozijn soldaten binnentrad, hen omringde en vasthield.

—Wat moet dat beteekenen?—schreeuwde Grinder, terwijl hij zich tevergeefs trachtte los te rukken.

—Dat beteekent, dat gij wegens moord wordt gearresteerd,—antwoordde de kapitein.

Nu volgde een tooneel dat niet te beschrijven is. Niet, dat deze beide menschen zich verzetten of zich trachtten te bevrijden, neen, daartoe waren zij te laf. Hun daden bestonden in woorden, welke zij tot hun verdediging aanvoerden, maar wat voor woorden en uitdrukkingen! Vloeken, eeden, bezweringen en verwenschingen, [368]waarbij mij de haren te berge rezen. Ik gevoelde mij verlicht, toen deze godslasteraars eindelijk buiten de deur waren gezet, om opgesloten te worden. Zelfs mijn anders zoo kalme Winnetou, die door niets of niemand van zijn stuk was te brengen, legde mij den vinger op den arm en zeide:

—Charley, zou ooit een roode man zich zóó gedragen en zijn Manitou op zulk een wijze beleedigen? Wie zou nu nog durven beweren dat de bleekgezichten beter en beschaafder zijn dan de kinderen der savanne? Wanneer men spreekt van het „wilde” Westen, dan is dit enkel verwilderd geworden door de blanke indringers die wij eens als goden hebben behandeld! Howgh!

Na eenigen tijd kwamen de zes cavaleristen terug van de begrafenis der vermoorden. Zij brachten alles mede wat zij in de zakken hadden gevonden. Er was nog een notitieboekje bij, waarin de namen der bloedverwanten waren opgeschreven. Toen werd bevel gegeven het middagmaal gereed te maken. Ik werd, met Winnetou natuurlijk, aan de officierstafel genoodigd.

Daarna werden de leden van de rechtbank bijeengeroepen, die uit de officieren en drie onderofficieren bestond. Winnetou en ik hadden deze zitting als getuigen bij te wonen en ook de Caddo-Indianen moesten verschijnen om op mogelijke vragen te kunnen antwoorden. Toen al deze personen bijeen waren, werden Grinder en Slack gehaald. Zij verschenen geboeid en werden elk door twee soldaten bewaakt.

De beide aangeklaagden waren volstrekt niet onder den indruk van het oogenblik, integendeel, hun optreden was zoo brutaal mogelijk en zij verklaarden zelfs dat zij de rechtbank niet eens voor wettig samengesteld erkenden. Misschien begrepen zij, dat de versch gevallen sneeuw het ons onmogelijk zou maken voldoende bewijzen aan te voeren. Het eenige geldige bewijs zou nu hierin bestaan, het gestolen geld te vinden en te kunnen zeggen dat zij het verborgen hadden. Dat zij den Caddo-Indianen de paarden en geweren van de vermoorden hadden gegeven, konden wij niet bewijzen, want de getuigenis van deze beide roodhuiden was volgens de wetten der prairiën, van nul en geener waarde.

Ik durf niet beweren dat de kapitein als voorzitter het verhoor op een zeer verstandige wijze leidde, maar ik moet eerlijk bekennen, dat het mij in zijn plaats ook zeer moeilijk zou zijn gevallen de misdadigers tot bekentenis te brengen. Het voornaamste bewijs, dat wij onder de bestaande omstandigheden konden bijbrengen, was dat zij de vermoorden met opzet niet waren voorbijgereden, maar hun rit zoo hadden geregeld, dat zij de broeders eerst na het invallen der duisternis konden bereiken. Wel waren ook deze sporen niet [369]meer te zien, maar wij durfden dit met een eed bezweren. Helaas was hiermee de moord op de Burnings nog niet bewezen. Het verhoor bestond dus eigenlijk niet dan uit beschuldigingen van de zijde van den kapitein en tegenwerpingen van de zijde der aangeklaagden. Hun onbeschaamdheid werd telkens grooter, hun verwenschingen telkens ruwer, tot ik eindelijk den voorzitter verzocht het verhoor te sluiten of in elk geval te verdagen.

—Verdagen?—vroeg Grinder lachend, dat zal niet gebeuren. Wij verlangen of directe veroordeeling op grond van onomstootelijke bewijzen of onze oogenblikkelijke invrijheidstelling. Ik mag blind worden als ik iets anders wil.

—Ja,—voegde Slack er bij,—hangt ons op of laat ons vrij. Een van beide moet gebeuren. Wat die Mr. Beyer en zijn Indiaan ons voor de voeten werpen is zóó belachelijk dat ik er niet verder over spreken wil. Toch willen wij om onze onschuld te bewijzen, hun nog eens kans geven om ons ten onder te brengen. Brengt ons vanavond met hen in een donkere ruimte en geeft ons ieder een spits mes in de hand! Wanneer zij op deze ridderlijke wijze van verdediging ingaan, dan mag God mij krankzinnig maken, als wij hun onze onschuld niet zoo duidelijk maken dat er morgen niets meer van hen over is, dan een paar rottende lijken. Zijt gij met dat voorstel tevreden, Grinder?

—Zeker,—antwoordde deze.—Amerikaansche duels, man tegen man in het donker, dat is onze bijzondere liefhebberij, wij hebben reeds menigeen het mes door de ribben gejaagd en het zou mij groot genoegen doen, wanneer deze gentlemen op uw voorstel ingingen. Helaas ik vrees, dat zij daartoe niet den moed bezitten. Zij kunnen liegen, dat het gedrukt staat, maar vechten?.…

Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij antwoordde toestemmend met de oogen, Daarna zeide ik:

—Dat is grootsprekerij, anders niet! Indien wij dat voorstel aannamen, zouden zij zich dadelijk terugtrekken.

—Terugtrekken?—lachte Grinder.—Twee zulke beroemde en gevreesde vechtmeesters als wij, zich terugtrekken? De gedachte alleen is te dwaas om van te spreken!

De beide mannen gingen nog geruimen tijd voort, ons te hoonen en te bespotten tot ik eindelijk den voorzitter uitnoodigde zijn toestemming te geven, tot zulk een dubbel-duel, als Gods-oordeel. Het woord „Gods-oordeel” wekte wederom hun lachlust op, want zij waren er letterlijk trotsch op, niet aan een God te gelooven. Zij waren volkomen overtuigd, dat wij door den nood gedrongen, schijnbaar op het duel ingingen, maar voordat de avond aanbrak [370]verdwenen zouden zijn. De kapitein evenwel, die wist, wie wij waren, verklaarde zich met mijn voorstel ingenomen en zoo werd bepaald, dat wij vier personen, ieder met een mes gewapend, van dienzelfden avond acht uur tot den volgenden morgen vroeg acht uur, in een ledige ruimte zouden worden opgesloten om de vraag of de aangeklaagden schuldig of wel onschuldig waren, uit te vechten. Terwijl de beide mannen weer werden weggeleid, wierpen zij ons schimpwoorden naar het hoofd die ik onmogelijk kan teruggeven. Zij vertrouwden er natuurlijk op, dat bij een nauwkeurig onderzoek geen spoor van goud bij hen was te vinden geweest en dat wij vreesachtige nieuwelingen waren, wien het niet zoude invallen van avond acht uur nog in het fort Hillock te zijn.

Toen zij weg waren, spraken wij nog even met den kapitein. Voor hem was de afloop van een duel tusschen Winnetou en Old-Shatterhand en twee zulke schelmen, niet twijfelachtig en de geheele bezetting van de plaats vond het hoogst interessant, dat zulk een gebeurtenis zich hier af zou spelen. Wij bezagen de aangewezen ruimte, een soort hut. Zij stond onder een boom en was uit ruwe planken samengetimmerd. Aan den buitenkant van de deur was een lange, zware houten grendel aangebracht. Binnenin was niets dan een weinig stroo, dat in den rechterachterhoek lag.

Wij bleven bijna tot acht uur bij de officieren, zonder dat er veel over het duel werd gesproken. Herhaalde malen evenwel vertelde ons de gevangenbewaarder dat Grinder en Slack gevraagd hadden of wij beiden nog aanwezig waren. Precies om acht uur werden zij naar de hut gebracht en kregen zij hun messen. Toen gaven wij al onze wapenen met uitzondering natuurlijk van onze messen, aan den kapitein, namen onze warme dekens mee en lieten ons naar het tooneel van den strijd brengen. Een soldaat ging ons vooruit met een fakkel. Grinder en Slack leunden tegen den achterwand met hun messen in de hand.

—Daar zijn zij!—riep Grinder.—Zij vliegen in hun verderf als muggen in de kaars. Waarom tot morgen vroeg te wachten? De deur kan in een kwartier weer geopend worden, want dan hebben wij de kerels reeds ter helle gezonden.

Dit moest zeer uitdagend klinken, maar wij hoorden wel dat zijn stem beefde. Nu het bleek dat wij niet, zooals hij had verwacht, verdwenen waren, werd hij toch wel angstig. Terwijl wij onze dekens in den hoek rechts uitspreidden, alsof wij daar wilden gaan liggen, zeide de kapitein tot hen:

—Het is wel mogelijk, dat het zoo gauw beslist is, als gij denkt, maar hoogstwaarschijnlijk is de uitslag anders dan gij vermoedt. Gij [371]weet immers niet, wie deze Mr. Beyer en zijn Indiaan eigenlijk zijn?

—Wie zouden het zijn!—lachte Slack.—Menschen die nog niet eens droog zijn achter de ooren. God mag mij vandaag nog krankzinnig maken als deze kerels na verloop van een uur nog een enkelen druppel bloed in de aderen hebben!

—Houdt nu eindelijk eens op met uw gezwets! Als uw woorden bewaarheid worden, verlaat gij deze hut niet anders als de een blind en de ander krankzinnig. Gij zult nu eindelijk weten met wien gij te doen hebt. Deze heeren namelijk zijn Old-Shatterhand en zijn vriend Winnetou en wij zijn overtuigd dat zij deze hut geheel ongedeerd zullen verlaten.

—Old-Shatt.… Winn.…!—klonk het van den achterwand. Van schrik konden zij de namen niet verder uitspreken en het duurde geruimen tijd voor Grinder er bijvoegde:—Ik mag dadelijk blind worden als dat niet een verdomde leugen is!

Nu trad ik op hem toe, greep hem met de rechterhand bij den gordel, hief hem op en wierp hem tegen den wand dat de planken kraakten; toen ging ik zonder een woord te zeggen weer naar mijn plaats terug. De kapitein nam voor mij het woord, terwijl Grinder zuchtend en kermend opstond.

—Dat was een bewijs dat ik de waarheid sprak,—zeide hij. Zulk een kunststuk kan alleen Old-Shatterhand uitvoeren. Wilt gij nu gelooven dat hij het is?

—Loop naar den duivel!—zeide Slack.—Dat is bedrog. Waarom werd ons niet eerder meegedeeld, wie het waren! Zij zullen ons hier langzaam en zeker slachten en in het donker neersteken. Dat is nog erger dan gewoon gevonnist worden. Wij willen weg, wij willen nogmaals verhoord worden.

—Wilt ge den moord bekennen?

—Neen en nog eens neen! Wij zijn onschuldig.

Nu legde Winnetou met een beweging van zijn hand allen het zwijgen op en zeide op zijn kalmen, indrukmakenden toon:

—Hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen en hier staat zijn vriend Old-Shatterhand, dien niemand nog ooit heeft kunnen weerstaan. Ik heb nog geen woord gesproken en nu evenwel zal ik zeggen wat er moet gebeuren. Men moet ons nu alleen laten en den grendel op de deur doen. Ondanks de duisternis zullen onze messen de kelen der misdadigers weten te vinden, want onze oogen zijn gewend de duisternis te doorboren. Wij zijn als de slangen welke men ook niet hoort kruipen. Er zijn vandaag genoeg onnutte woorden gesproken, nu zullen de daden volgen en men zal niet anders hooren dan de doodskreten der moordenaars, die onder onze messen zullen vallen als de Burnings onder de hunne. Laat ons beginnen! [372]

De manier waarop Winnetou sprak, maakte een verpletterenden indruk op de schurken. Zij vroegen op sidderenden toon genade, zij dreigden, zij vloekten, alles tevergeefs. Toen de fakkeldragers de ruimte verlieten, balden zij de vuisten en brulden van blind worden en krankzinnig maken. Eerst toen de deur was dichtgegrendeld, zwegen zij en vermeden zelfs het minste gedruisch om ons niet opmerkzaam te maken op de plaats waar ze zich bevonden.

Wat ons betreft het was niet ons doel hen te vermoorden, maar wel om hen door doodsangst tot bekentenis te brengen. Wij waren vast overtuigd dat zij niet den moed hadden ons aan te vallen, maar toch trokken wij onze dekens zacht van den eenen hoek naar den anderen en gingen met uitgestrekte beenen zoo liggen, dat ieder die ons wilde naderen niet bij ons kon komen, zonder onze voeten aan te raken. Toen wachtten wij met de messen in de hand wat er verder zou gebeuren.

Ik denk dat wij ongeveer een half uur zoo hebben gelegen, zonder dat wij eenig gedruisch vernamen. Toen werd het plotseling buitengewoon koud, zoo koud, dat het was alsof we zouden bevriezen, en kort daarop begon een hol, dof gebruis als van een hevigen wind welke over het dak streek. Slechts weinige minuten later hoorden wij buiten roepen:

—Ziet gij het St. Elmusvuur aan alle punten en hoeken? De Blizzard (sneeuwstorm) komt! Redt u, redt u in de blokhutten!

Blizzard, zoo heet in het westen van het Mississippi-gebied de vreeselijke sneeuwstorm, welke steeds uit het noorden komt, zich kenmerkt door een plotselinge daling van de temperatuur, doch tamelijk snel voorbijgaat. Dikwijls komen bij zulk een sneeuwstorm electrische verschijnselen voor en ondanks de felle vorst zijn bliksem en donderslagen geen zeldzaamheid. Wee dengene, wien deze Blizzard in het vrije veld, of in een niet te stevig gebouwde woning overvalt. De storm sleurt alles met zich mee en bedekt ieder voorwerp met een lijkwade van voetenhooge sneeuw.

Het roepen buiten hield op, de wachters waren in de blokhuizen gevlucht. Daar kwam de eerste windstoot, welke alles van de aarde scheen te willen vegen, alles uit de voegen te scheuren. En nu huilde, kraste, siste, steunde en brulde het om en boven ons als een onzichtbare vloed, welke geen oevers kent en geen erbarmen. De donder ratelde, de bliksemschichten volgden elkander op. Het binnenste der hut vulde zich met dichte stuifsneeuw, welke door de luiken naar binnen werd gedreven. Wij beefden van kou, wij klappertandden, hoewel wij de dekens stevig om ons toe hadden getrokken. De aarde beefde, de hut wankelde. Dit duurde wel meer dan een half [373]uur, toen traden korte tusschenpoozen in, waarin wij Grinder en Slack hoorden steunen en kermen, misschien uit angst? Dat konden wij nu niet weten. Toen was het of de orkaan nog eens in een geweldigen windstoot zijn kracht wilde toonen. De bodem onder ons beefde, de hut kraakte, zij wankelde van rechts naar links, toen bezweek de achterste helft. En alsof de storm hiermee tevreden was, trad nu de kalmte in, even plotseling als zooeven de storm was opgekomen. Het gevaar was voorbij!

Werkelijk voorbij? Voor Winnetou en mij, zeker, maar ook voor de anderen? Onder de puinhoopen der ingestorte hut lag een gestalte, die zich met moeite daaruit werkte en toen onder luid gebrul wegliep. Uit den anderen hoek klonken onverstaanbare geluiden, alsof iemand wilde roepen en niet kon. Wij wierpen onze dekens af en liepen naar den hoek toe. Hier lag Grinder tusschen gebroken planken onder een balk, welke hem bijna de borst indrukte. Ik hief den balk op en Winnetou trok den zwaar gewonde er uit, die in onmacht viel, zoodra hij van zijn last was bevrijd. Wij droegen hem naar de officierswoning, waar de kapitein ons reeds bij de deur tegemoet kwam om na te zien, welke schade de storm in en om het fort had aangericht. Toen wij Grinder binnenbrachten en bij het vuur nederlegden, konden wij zijn verwondingen zien en uitten allen een kreet van schrik. Een plank was met den scherpen kant over zijn gezicht gevallen en had hem den neuswortel verbrijzeld en de oogen ingedrukt.

—Blind, blind!—riep de kapitein.—Hoe dikwijls heeft hij gezegd dat hij blind mocht worden. Dat is Gods oordeel!

Ik zeide geen woord, zoo diep was ik getroffen, ook Winnetou stond zwijgend naast mij. Toen verbonden wij den man en legden hem op een legerstede van een der luitenants. Hierop gingen wij naar buiten om te zien, wat er verder was gebeurd. De eenige schade welke de orkaan had aangebracht, bestond hierin, dat de hut was ingestort. Nu moesten wij nog zoeken naar den verdwenen Slack. Zijn spoor leidde naar de planken omheining, waarover hij was geklommen en verder naar het nabijzijnde bosch. De sneeuw lag hoog, ook zonder licht konden wij het spoor duidelijk zien. Aan den zoom van het bosch gekomen hoorden wij een menschelijke stem. Wij drongen door het kreupelhout en vonden Slack, die onder een boom de sneeuw had omgewoeld en languit op den grond liggend de eene hand onder de wortels hield, terwijl hij als een kind zong:

—Stofgoud, nuggets.… stofgoud, nuggets,.… acht buidels vol.… acht buidels vol! [374]

Hij liet zich niet, dan met geweld wegsleuren en nu vonden wij, onder het mos, acht leeren buidels vol goud. Dit kwam geheel overeen met wat de Burnings hadden genoteerd, het was dus het goud, dat hun den dood had bezorgd.

Slack werd naar het fort gebracht. Daar zagen wij, dat er bloed in zijn haren kleefde. Toen wij zijn hoofd onderzochten, bleek het, dat ook hij door neervallende balken zwaar gekwetst was geworden. Of ten gevolge daarvan zijn geest was beneveld of dat reeds van te voren door angst, zijn verstand was verloren gegaan, dat kan ik niet zeggen! Dus Grinder blind en Slack krankzinnig. Juist zooals zij het in hun godslastering hadden gezegd!

Zonderling genoeg, volgde op dezen verschrikkelijken dag een tijd van zacht weer, zoodat wij onzen tocht konden vervolgen. Grinder en Slack bleven op het fort achter. Hun lot hing nu af van de daar geplaatste officieren, die ons een eind weegs uitgeleide deden. De beide Caddo-Indianen kregen Grinder’s en Slack’s paarden ten geschenke, zij konden dus met ons vertrekken. Wij brachten hen tot aan de Platterivier, waar zij afscheid van ons namen, vol dankbaarheid, dat wij hen van een zekeren dood hadden gered.

Vier jaar later stapte ik in Baton Rouge uit den Mississippi-steamer, daar ik op de stoomboot naar Natchez moest wachten. Aan de landingsplaats zaten twee bedelaars, ellendig, mager en in lompen gekleed. Hun gezichten kwamen mij bekend voor. De een miste de oogen en op de plaats waar de neuswortel moest zitten had hij een diep breed litteeken. De andere hield mij met een smeekend gebaar den hoed toe. Toen ik er een zilverstuk in wierp, stak hij het haastig in zijn zak en prevelde:

—Stofgoud, nuggets … acht buidels vol.… acht buidels vol!

Nu wist ik wie ik voor mij had. De moordenaars hadden dus op fort Hillock niet den welverdienden dood gevonden, maar het leven dat zij nu leidden, was erger dan de dood.

In hetzelfde jaar kwam ik toevallig in Mobery in Missouri. Daar vroeg ik naar de familie van de gebroeders Burnings. Ik kreeg de geheele geschiedenis van den moord te hooren en wel met allerlei uitweidingen over de groote daden van Old-Shatterhand en Winnetou. Ik zeide niet, wie ik was, maar was tevreden toen ik vernam, dat de kapitein aan de bloedverwanten van de vermoorden de acht buidels vol goud had doen toekomen. [375]