Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren, zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.—
“Mannen,” zeî hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628, “mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij, lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven de Zilvervloot genoemd wordt!—Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal bladzijde 81ieder, die dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.—De kat komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!”
Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed, doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind te kampen, dat iedereen dacht: “Nu zal de buit ons toch ontgaan!”
Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden, dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: “Den g’ndag van mijn baas, en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen; want de kat loopt te tafelschuimen!”
Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: “Kip, ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!”
De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusschen onze schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten, of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij, op voorwaarde bladzijde 82van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.
Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! ’T was haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden meê in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden vijftig percent winst uit.
Zoo er echter één naar verdienste beloond werd, dan was het onze Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister maar!
Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.
Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt, maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bladzijde 83bedotten. Hij zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.
Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven van eenen man, dien de Vereenigde Provinciën zoo zeer noodig hadden.
Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de Oude kerk begraven.
Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein, aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.
Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok en rustig aan den wal ging leven.—
De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik, zaliger, op onzen Tromp vielen.
Dit geschiedde in ’t jaar ’37. bladzijde 84
Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger, weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral omdat ik in ’s Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en ... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen, dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: “Spanje rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche staten tegen de Zweden te helpen!” Dan weer was het: “Mis mannetje, misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!” Eindelijk kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch blazen wist, want dat “de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,”—ik meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,—aan den koning van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou binnenloopen.
De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land, of te Duinkerken de poppen aan het bladzijde 85dansen te krijgen, was wel zeven en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.—Ze had bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D’ Oquendo, die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met de Duinkerkers. Die luî waren met den dag brutaler geworden. In zes jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.
Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen, ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.—
Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.
Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het oogenblik, dat we de vloot, waarover al bladzijde 86zooveel geschreven en gezegd was, eens onder de oogen konden zien.
De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze, maar wat gaven wij daar om?
“Grooter,” riep er een, “ei wat, grooter! ’T zit ’m in de grootte niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de tralies van ’t keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange slurf te kijken, als Jut voor het landhek!”
De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat gaven wij daar om?
“Meer schepen,” riep een tweede, “meer schepen, wat zou dat? ’T zit ’m niet in zoo ’n menigte schepen! Eén vliegje maakt het twintig paarden op een’ dag lastig!”—
De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar wat gaven wij daar om?
“Meer kanonnen en meer zeevolk,” riep een derde, “wat zou dat? Twintig haviken pikken naar ééne zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want het beestje is die luî te glad af!”—
De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar wat gaven wij daar om?
“Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal,” riep een vierde, “wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van ’k weet niet hoe lang wel?”—-
Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er, die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.
Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar ze den wind vlak voor het lapje hadden.— bladzijde 87
Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.—Om de zijnen te laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben, want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon, want hij had den wind vlak tegen.
Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend, of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken, die van Witte’s schip neergelaten werd. ’T spreekt van zelf, dat hij bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.—
De boot leî aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van één der roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande.
Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham van belang.
Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar stond hij in levenden lijve! Wat was dat “Kregel Mennonietje” veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem; hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot, alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon. bladzijde 88
“Daer eî-je noe dat vloekbeest van ’n veint!” zeî een Zeeuwsch matroos achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk op de Hollandsche schepen dienst deed.
“Wat eit ie alevel ’n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht’ond Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z’n biebel weze as z’n matroos, ’oore! En jie Uub?”—
Met dat “Uub” bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar: “’K en weet niet!”—
Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een matroos!—Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot Witte gezegd, toen hij nog “Kregel Mennonietje” was. En nu ... Jonge Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd, en ’t was me, of ’k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn “Kwikkwik” voor me zag staan!
Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:
“Dus De With! je denkt dat....”
“Ik denk niet, ik zeg dat wij die luî daar aanpakken moeten Zeventien Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang als die van hunne ezels! bladzijde 89
“Bang,—bah, wie bang is moet op schildwacht!”—
“Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, “goed, we zullen den vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden uitslag klinken en drinken!”—
“En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool,” riep Witte en dronk in eenen zijnen beker ledig.
Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons af. Don D’Oquendo was voorop!
Eer de vijand nog één schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder, dat verzeker ik je. ’T ging er aardig langs en het duurde niet lang of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten, en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens te beginnen. Om één uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.—De Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende zeker, dat we ’t wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan te pakken. En jawel, net waren bladzijde 90we van plan den vijand al weer aan te vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn Koeterwaalsch zeî: “Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in zijn keuken hebben! Begrepen?”—
Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zeî: “Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington dat gezegd heeft?”—
“Och, loop,” hernam Huib, “dat kon ik wel raden; want van vechten kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen; want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald “als Keuningen”!— Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!”—
“Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer,” sprak thans dezelfde matroos. “Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen’s Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!”—
“Ja,” hervatte Huib, “gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben, zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar ’t Vaderland gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen en om versterking te bladzijde 91vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen gezien, dat er te Rotterdam op één dag meer dan honderd matrozen zich aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins, Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! “Alles voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!” dacht ik en duizenden dachten als ik.
Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.
“Welnu,” zeî Tromp, “dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar vecht ik ook liever!”—
Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D’Oquendo, doch kwam al heel gauw terug en zeî: “De groeten van Don Antonio en hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!”—
“Als ’t anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,” sprak Tromp. “Ik zal ze laten halen!”—
Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard had zijn wensch; maar toch kwam hij niet. bladzijde 92
Daar kwam Pennington alweer en zeî: “Hoor eens, Tromp, onze goede vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de man heeft geen buskruit!”
“Dat ’s niemendal,” luidde weer Tromps antwoord, “ik zal hem eenige duizenden ponden verschaffen!”—
Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef waar hij was.
Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar hij hem vond.
In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D’Oqueudo ook al had kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden, toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten.
Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan de Roôrokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen het Portugeesche gedeelte bladzijde 93der vloot aangetast. De Portugeezen vochten dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden, als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had, niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D’ Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of verdronken. Wij verloren slechts honderd man en één schip. De vreugde te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen, gouden ketenen werden uitgedeeld en de poëeten maakten liederen, die klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en, als we die moeten missen, dan is liet met ons land mis. Op de zee ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;—op de zee ligt ons alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt! bladzijde 94
Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.
Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met hunne roofschepen, en, al zeî ook heel de wereld, dat wij de eerste mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, ’t was of ze met den dag brutaler werden.
Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op één enkelen dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsch oorlogsschip en vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer oorlogsschepen mede.
Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee waren.
Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor onze kooplieden bladzijde 95was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, inplaats van ze te verwenschen.
Weet je waarom?
’T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.
Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.
De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog ter zee voeren!
Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer geleerd hebben, van hem of van Tromp.
Die eene Brielsche kwâjongen is méér dan de andere, de roem van zijne stad en de eer van zijn Land geworden!
Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een handje tegen de Spanjaarden te helpen.
In Oogstmaand van ’41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet behoorde tot de luî, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik Hendrik naar Engeland gingen brengen.
Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning bladzijde 96Karel eens gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk had toen hij zeî: “Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan nog niet dat er tweeërlei soort van menschen zijn en wel matrozen en landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: “Hier ben ik! en jij zegt dan: “En ik ben hier!”—En als we dan zoo over en weer mekaêr gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt: “’K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!” Zie-je, Huib, zoo zouden wij, matrozen en varensluî, doen, en daar we toch wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te denken wat de landkrabben doen!”—
Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.
Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.
Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land een handje te helpen tegen de Spanjaarden.1 Behalve Gijsels, die onze bladzijde 97vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.—Dat Gijsels een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand van dien ouderdom gezien, die zóó moedig, zóó verstandig, zóó slim, zóó beleidvol, zóó goed, zóó rechtvaardig en zóó vriendelijk was als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in, dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwâjongen moet geweest zijn zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man te kunnen worden.—Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd en dat is zijn ongeluk.—
Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond dan nog voor een groot deel uit luî, die nooit zeewater geproefd hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander oneens, en toen er zoo’n klein stormpje opstak, liepen er zes van de tien te grienen bladzijde 98en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, alsof hun leste uurtje al geslagen was.
En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. ’T stond bijster mooi aan.
Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die luî helpen en het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen, tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en één jacht.2
“Goeien morgen, Huib,” zeî ik tot mij zelven, “goeien morgen, Huib, dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!”—
Onderwijl ik dat zoo zeî, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik keerde mij om, en, ’t was om de oogen uit het hoofd te schamen, een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.
“Wat hapert er aan jou, kameraad?” vroeg ik.
“Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!” gaf hij mij ten antwoord.3
Zoo’n lummel!
“Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?” vroeg ik.
“Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik nooit niet meer m’n Smeerdiekje mee z’n klokkespilletje!”—
“Och, och, hoe erg!”— bladzijde 99
“Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z’n klokkespilletje, daer weunt m’n meutje en daer ’oud ik zoovee van!”—
“Wel, wel, dat ’s verschrikkelijk!”—
“En as ze me noe is doodschiete, wat zal m’n meutje dan jule!”4
’T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.
Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag gieren van het lachen, zeî hij: “Dat moet je niet doen, Huib! En jij, goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar weet je wat je doen moet?”—
“Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!” snikte de man.
“Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den goeden God vertrouwen; want die heeft voor ’n armen zeeman ook wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen meê af te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag zooveel geleerd hebt!”
Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en ... daar ging het er van door!
Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te bladzijde 100vereenigen. De vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem na. Maar Gijsels dacht: “Neen, dat bedoel ik niet!” en terstond liet hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter dat hij zoo ’n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,
“Mannen,” riep De Ruyter, “onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche Dons te kwaad; we gaan hem helpen!”
Zoo gezegd zoo gedaan.
Van ’s morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als leeuwen.
“Aoist, aoist, aoist!” klonk het op eens naast me.5
Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan narden schoot.
“Dat heb je ’m eens secuur gelapt, kompeer!” zeî ik.
“Jae, jae, dat ’eb ik net! Aoist, aoist, aoist!” juichte hij.
“Aan de pompen, aan de pompen!” kommandeerde De Ruyter, en ’t was noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken hebben, zóó hadden ze ons beschoten.
Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.
Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen bladzijde 101wat er gedaan moest worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol konden honden.—
De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te Lissabon binnen te loopen.
De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen ons niet hielpen. Die luî waren echter liever koud dan moê, en daarom zeî onze Ammiraal op een’ mooien morgen den Koning goeien dag en wij keerden naar het Vaderland terug.
Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch was ik aangekomen of ’t was alweer maar: “Vooruit, Huibje! Help de Duinkerkers eens achter den broek zitten!”—Was dàt afgeloopen, dan was het weêr: “Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok, eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, bladzijde 102help jij met je Brielschen kameraad, ’t “Kregel Mennonietje,” dien Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!
In Hooimaand van het jaar ’44 staken twee en veertig oorlogsschepen onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zeî: “Als ik ga varen, wil ik Ammiraal worden!”—En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip waarop ik kapitein was!—
En nu! ’T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:
“Veel roemen met een dommen geest,
Een ijdel vat bomt aldermeest.”6
Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in ’45 nog eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te beschermen. Nu was zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met bladzijde 103zijne oorlogsvloot door de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte’s hand. Met vijftig wél uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.
Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was, te begroeten.
Witte gaf geen antwoord.
“Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, Ammiraal?” klonk andermaal de vraag.
“Hoeveel schoten? Eén, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een dronken kadraaier!”7
“Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?”
“Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!”
De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.
Dáár lag het sterke Kroonenburg en dáár stond de Koning.
Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard een paar keeren zijnen hoed af, en zeî: “Dag Kris! Je hebt de groeten van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes uitbetaling houden.”
De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning kreeg zooveel eerbied bladzijde 104voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja, onze roem begon toen zóó te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de zeevaart kwamen leeren.8 Na deze tochten naar het Noorden had ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.—
Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van ’46.
Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.
Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.
Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht ik dikwijls: “Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, ja, dat ben-je!” bladzijde 105
Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al geen botertje tot den boôm. Dat is harrewarren hier en harrewarren daar. Zelfs onder ons sjouwerluî kwam er al verdeeldheid, en dat gaf maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.
Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet geern zag.
En wat was het gevolg?
Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en Piet zeî alweêr: “De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!”
Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.
Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag, nu misschien een jaar geleden.
Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd van de Hoeken en Kabeljauwen!”
“Welke boer was dat, Huib?” vroeg Jonge Kees.
“En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je ’t vertellen. In den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn werk bladzijde 106kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche schobbejakken aan.9
“Hei, boer,” riepen ze, “wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?”
Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of Kabeljauwen, zeî op de bonnefooi10: “Wel Hoeksch, mannen!”—
“Wacht, we zullen je Hoekschen,” riepen die luî en gaven Krelis een hard pak slaag.
“Dat heb ik al vast beet,” dacht onze maat en ging verder.
’T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo’n troepje van die vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?”
Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zeî: “Kabeljauwsch, mannen! Rondom Kabeljauwsch!”
“We zullen je Kabeljauwschen!” was het antwoord en daar ging het weer, van hetzelfde laken een pak.
“Die heb ik al weer beet,” zeî Krelis, “maar nou zullen ze me niet weer vangen!”—
Daar kwam het derde troepje en ’t was al weer: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?”
“Wel,” zei Krelis, “dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!” en den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.—
Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.
Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag aan den wal te Rotterdam. Ik stond bladzijde 107al sedert een paar dagen op werk te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe, dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was.11
“Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!” riep een jonge kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. “Dat vrachtje is voor ons!”
“Heeft de kapitein jeluî dan al aangenomen?” vroeg ik.
“Neê, maar jij blijft er af, ’t is voor ons!” zeide de ander en duwde me met een flinken ribbestoot terzijde.
Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten den besten kwâjongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn’ arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en zeî: “Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!”—
Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.
“We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!” riepen ze en begonnen onder het schreeuwen van: “Landkrabben!” ankersmidje te spelen. Hunne vuisten waren de voorhamers en de koppen van de “Landkrabben” de aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.—Wij, oude zeerobben, waren in de minderheid en weken meer bladzijde 108en meer achteruit, totdat wij onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.
Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.
Ik keek hem aan en dacht: “Jou heb ik meer gezien!”
Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en leî het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.
Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: “Schort het je in je bol?”
De man lachte even en zeî: “Als een visch op het droge, Huib!”
Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die mij vroeger gezegd had, dat er tweeërlei soort van menschen waren, doch ik was het vergeten.
“Hoe maak-je ’t, ouwe jongen?” vroeg ik en stak mijne hand uit.
“Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens gezegd heb?”
“Jij mij gezegd? Wàt heb je mij gezegd?”
“Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?”—
“o, Ja, dat ’s waar ook: matrozen en landkrabben!”—
“Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element en ’t zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob Cats spreekt!”—
“Wat zegt die excellente puikpoëet dan?”— bladzijde 109
“Ken je ’t versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff altet, soo reiten hem de Krehen.
“Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen,
Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen,
Ick was in ’t woudt gesien, en overal gevreest,
Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,
Oock van ’k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen,
Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen,
Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach,
Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.
Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen,
Die komen tegen mij, en over mij gesprongen:
Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft,
’t Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft.”
“Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd,” zeide ik.
“Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, dan ben je net als dit botje!”
Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den grond lag.
“Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!” gaf ik heel wijs ten antwoord.
“Je bent gladder dan ik dacht, Huib,” zeî de ander weer, en na nog eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het beest in de Maas.
“Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?” vroeg ik.
“Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!”—
“Welke bot?”
“Wel, die ik in de Maas smeet!”
“Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit meer weerom!” antwoordde ik.
“Dat ’s niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen bladzijde 110kan, dat een matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en ’t is zoo vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, even als de wolf, je tanden overleefd!”—
“Maar ik en heb geen zin meer in het varen!” gaf ik eenigszins schoorvoetend ten antwoord.
Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van kwaadheid, riep hij: “Daar heb-je ’t! Daar heb-je ’t! Jawel, als de luî bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: “Adjuus, Vereenigde Provinciën! Heel de wereld groeit je over den kop en je bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, weet-je ’t dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht, kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!
Heb je je Land lief? Naar zee!
Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar zee!
Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!
Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en streken? Naar zee! Naar zee!”
Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren er van alle kanten mannen en vrouwen bladzijde 111komen opdagen, die met open ooren en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar: “Ga voort, ga voort!”
En Warmont sprak: “Ik en weet niet of jeluî altemaal Rotterdammers zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar”—hij wees op mij—is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we niet één, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel vroedschappen, zooveel landjes,—zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar op zee, op zee zijn we één! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander, de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal bij elkaêr zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den achtersteven en hebben maar één vijand en één vriend! De vijand is hij, die ons voor den boeg komt;—de vriend is de Oceaan, die ons op zijne golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt, die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je ’t wel met je Land, met je vrouw, met je kinderen, meen je ’t wel met je zelven, smijt dan den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg, schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!”12
Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: “Hoezee! Hoezee!” bladzijde 112
Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om “Goede vaer Tromp” nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd hebben. “Goede vaer Tromp” zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen volgen, dat is ook zeker!”—
Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder der hoorders volgde zijn voorbeeld.
Thans wist men ook wie Tromp was. bladzijde 113