XI

Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen, den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad, waarvan de Indianen gebruik maken.

Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten, en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht, nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden, die door de reis erger zullen worden. Bladzijde 302Wij slaan dus het pad in, dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.

Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora, den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft; hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man, dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan onze eerste pleisterplaats.

De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep: zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water, willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met mijne aanteekeningen en clichés droeg, deed nog beter: hij ging op de diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn; gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.

Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden; van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of misschien door de tijgers verscheurd.

Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.

Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein, dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista, die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout hier nog aanbrengen.

Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal; het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad, waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen; maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.

Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in, zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig: opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.

Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune, hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.

Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens, hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten bewijze van de oudheid dier steden.

De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.

“De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig vares, en hij was zeer hoog.” Is het niet of men eene beschrijving leest van het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.

Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Bladzijde 303Chichen-Itza; haar moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala, Coban, Copan, Quiriga.

Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers: door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten, waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen en photografieën, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.

De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert; de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als te Palenque op.

De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel begroeid is.

Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is, een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben, als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige breedte der gangen of kamers.

Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend, zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.

Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.

De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden, en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het beeld der godheid het midden inneemt.

Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter, gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.

Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten, waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter linkerzijde bespeurt men—althans met eenigen goeden Bladzijde 304wil—eene tweede monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden, op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere, onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.

Afgodsbeeld te Copan.

Afgodsbeeld te Copan.

Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften, de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter, dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche beschaving te spreken.

Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende, de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga zal stichten.

Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg, zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis der historie.

Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.; deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.

Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd; zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.

Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen; naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand van Mayapan.

Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken, waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras, hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars, die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten, te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden, en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.

Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit het zuiden in Yucatan zijn Bladzijde 305gekomen. Wij hadden dus recht te beweren, dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie, handelden zij geheel in den geest der traditie.

XII

Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie Chiquimula, grondvestte.

Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers, kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in 1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden in wezen.

De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden, als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.

Afgodsbeeld te Copan

Afgodsbeeld te Copan

Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent te herkennen. Bij nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige draken- of slangenmuil is gevat, herkennen wij daarin het beeld van den god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende attributen ontbreken ook hier niet. Hij draagt een hoofddeksel van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband, dien wij op andere monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan, en te oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden, evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden, evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque, Chichen. Uxmal en anderen. Bladzijde 306De tak van den tolteekschen stam, die zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditiën van het gemeenschappelijke vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen, de oude gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een andere natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere of mindere mate van den voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken elkander weder, en de bouwstijl onderging eene verandering door het opnemen van verschillende elementen.

Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het kenmerk is der perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien wij de in den aanvang zoo strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd, langzamerhand al rijker en weelderiger worden; de architektonische lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer en meer voortwoekert en eindelijk tot overlading, gemaaktheid en wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld, en de arabische kunst in Spanje niet minder.

De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog te zijn, om bij het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de eerste, maar veelmeer tot de laatste periode eener kunstontwikkeling behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds spraken, hebben hier alle ornamenten en alle architektonische motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen, hunne tempels hunne bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.

En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten, zij stellen zelfs in één beeld verschillende goden voor: getuige het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote middenfiguur, die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener vrouw, wier kostuum ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque, met zijne menschenhoofden als gordel versiersels; deze koppen zijn hier geplaatst boven een krans of slinger van maïshalmen, die een der attributen is zoowel van Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc, als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit beeld zou dus tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde en dat hun feest op denzelfden dag werd gevierd.

Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan wij op bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig vakken met hiëroglyfen.

Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; het profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van tulband, zoo als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons, maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende typen: een verschijnsel, dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het tolteeksche ras, na eene lange scheiding van misschien twee eeuwen, elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate samensmolten. Dit zonderlinge monument is als het ware de uitdrukking van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en zuiver tolteeksch door de symbolische teekens, die hetzij op iedere figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht, ons den naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. De kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, Filips II, in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen ver verheven te zijn boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer streken waren gesticht.

“De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit Yucatan”; en Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst in stijl tusschen deze monumenten en die welke men in Yucatan en Tabasco aantreft.

Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst en hare vermenging met eene andere, niet minder oude kunst. Misschien zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou de amerikaansche beschaving en de amerikaansche kunst, aan haar eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de windselen der barbaarschheid, waarin zij nog gevangen lag, hebben ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning der Spanjaarden maakten aan die ontwikkeling een einde en vernietigden de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor in de plaats te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur der europeesche beschaving.

XIII

Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om dezen langen Bladzijde 307en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera, in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen door wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens gingen wij, zwoegend en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten wij door menschen gedragen worden; zonder de vriendelijke hulp van de pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de plaats onzer bestemming te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam: menschen en beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput.

Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten. Twee mijlen verder ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en granaatboomen, het aardige, bevallige dorp Santa-Maria del Tule. De reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine kapel overschaduwt, is door de gansche republiek bekend; van verre gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt de oude boom onwederstaanbaar onze bewondering door zijn geweldigen omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht.

Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den grond behoudt hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam, en zijne machtige takken, in omvang gelijk aan honderdjarige eiken, verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende schaduw. Hij is niet zoo hoog, als zijn geweldige omvang eigenlijk zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet.

De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg, opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens den Sabino eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom den voet des booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje afbrak. Sommige reizigers verklaren dit wonder van het plantenrijk door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid zouden zijn. Wij hebben den boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien, nog eeuwen kan leven.

Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula, en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen, het laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de ruïnen der paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk een sterke wind, die alles doet uitdrogen; er groeit hier bijna niets dan de zoogenaamde pitayoles, die dichte hagen vormen en waarvan de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei.

De ruïnen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen van zes paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene ordelooze samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden met mozaïeken in relief zijn versierd. Onder de uitspringende lijsten vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs de eenvoudige rechte lijn niet in acht is genomen: het zijn zeer ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander kruisen, maar waarvan de beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis, waar zij op eene of andere wijze tegen den invloed van de lucht en het weder beschut waren.

De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken met de bouwstoffen van de oude paleizen.

Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd. De pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den tempel, die weleer op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn geheel is en waaraan alleen het dak ontbreekt, bestaat uit een groot laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel het schoonste en belangrijkste, en tevens het best geconserveerde der monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig meters; daarachter bevindt zich eene zaal van gelijke breedte, waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van ongeveer veertien voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke laag cement. Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel van het paleis, met mozaïekpaneelen en figuren in steenen lijsten zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen vier lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met mozaïeken en relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige steenblokken, die een omvang hebben van vijf of zes meter.

Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande gebleven, benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven. Maar zuidwestwaarts bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder den grond begraven zijn, waarboven de muren nog slechts ter hoogte van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze ruïnen en op de binnenplaatsen hunne woningen gevestigd.

De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met eene soort van steenen Bladzijde 308tegels bekleed. Onder de ruïnen strekken zich kelders uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten.

Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die, waarvan wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij verwoest werden door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens valt de verwantschap tusschen deze gebouwen en de tolteeksche of mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde heilige plaats en de begraafplaats der koningen van Teotzapotlan. Toen de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde kompartimenten boven den grond, waarmede vier andere lokalen onder den grond overeen kwamen.

Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters; het derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten. De woning van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken, want zij bevatte een troonzetel met een kussen en een rugleuning, beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond uit fijne beschilderde matten, gelooide huiden en stoffen om zich gedurende den slaap te dekken.

Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die het altaar verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het derde werden de koningen begraven. Het vierde, dat naar men zegt zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote zaal boven den grond; de toegang tot dit vertrek werd met eene groote zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der slachtoffers en der in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze heilige plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend begraven werden.

Altaar te Copan (voorzijde) (Blz. 306.)

Altaar te Copan (voorzijde) (Blz. 306.)

De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht bekleed en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen, zonder hunne vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen de goden en de menschen, was hij ook de eenige uitdeeler van gaven en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd.

Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ruïnen van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt in zijne beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen, dat de mexikaansche regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens, geene opgravingen heeft laten doen in de paleizen van Mitla. Men zou daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste zaken: afgodsbeelden, sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne prachtigste kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand hielden zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst zeldzaam zijn.

Altaar te Copan (achterzijde). (Blz. 306.)

Altaar te Copan (achterzijde). (Blz. 306.)

Tot dusver de heer Charnay, wiens reisverhaal, onderdeel van een uitgebreid werk, hier afbreekt. Naar wij vertrouwen, zal het onzen lezers, tot recht verstand en toelichting van het voorafgaande, niet onwelkom zijn, een beknopt samenvattend overzicht van de overblijfselen en monumenten eener vroegere beschaving, bepaaldelijk in Centraal-Amerika, te ontvangen. Het betreft hier een veld van studie, dat bij ons nog weinig bekend en bearbeid is, en waarvan toch het hooge belang voor de algemeene kultuurgeschiedenis niet te miskennen valt.

De amerikaansche antiquiteiten, de monumenten Bladzijde 310van de eigenaardige beschaving der oorspronkelijk amerikaansche volken, behooren deels tot een voorhistorischen tijd, deels tot den tijd der Tolteken en hunner opvolgers de Azteken, aanvangende omstreeks de zevende eeuw onzer jaartelling; of wel tot het rijk der Inka's in Peru, uit de dertiende eeuw. Zij worden in drie hoofdgroepen verdeeld, die zoowel geografisch als historisch gescheiden zijn: namelijk, in noord-amerikaansche, centraal-amerikaansche en zuid-amerikaansche antiquiteiten. Van de eersten en de laatsten kunnen wij nu niet spreken: slechts zij hier opgemerkt, dat de noord-amerikaansche antiquiteiten, die weder in drie groepen worden gesplitst en bijna het geheele gebied der Vereenigde-Staten omvatten, een veel lageren trap van beschaving aanduiden, dan die van Zuid- en vooral van Centraal-Amerika. Dit neemt echter niet weg, dat ook de in Noord-Amerika, met name in het stroomgebied van den Mississippi gevonden overblijfselen van gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid de onwedersprekelijke bewijzen zijn voor eene vrij wat hoogere beschaving, dan waarop later, bij de aanraking met de Europeanen, de indiaansche stammen van Noord-Amerika stonden.

Boom te Santa-Maria del Tule. (Blz. 307.)

Boom te Santa-Maria del Tule. (Blz. 307.)

De belangrijkste overblijfselen van de oud-amerikaansche beschaving bezitten, buiten kijf, de hooglanden van Centraal-Amerika, Mexiko, Guatemala en Yucatan. Met name zijn het de gewrochten van bouw- en beeldhouwkunst, die hier deels als op zich zelven staande monumenten in de nabijheid van nog bewoonde plaatsen, deels tot groepen vereenigd als overblijfselen en ruïnen van voormalige steden, de aandacht tot zich trekken. Hoewel zij in het algemeen en in hoofdzaak hetzelfde karakter eener zeer eenvoudige kunst vertoonen, kunnen zij toch in twee afdeelingen worden onderscheiden, die elk tot eene andere kunstperiode behooren. Tot de oudere en tevens hooger ontwikkelde periode behooren de monumenten in Oaxaca, Guatemala en Yucatan, die van tolteekschen oorsprong zijn; tot de jongere azteeksche periode behooren de monumenten, die men in Mexiko en in het algemeen binnen de grenzen van het oude rijk der Azteken vindt. Eene meer nauwkeurige splitsing naar nationaliteit en tijdvakken is nog aan vele twijfelingen en bezwaren onderhevig.

Sedert Antonio del Rio in 1787, op last van den gouverneur van Guatemala, de ruïnen van Palenque bezocht, maar vooral sedert zijn verslag, in 1822, in eene engelsche en eene fransche vertaling het licht zag, hebben vele andere reizigers en geleerden de monumenten dezer landstreek onderzocht en in beeld en schrift meer algemeen bekend gemaakt. In Mexiko zijn de voornaamste overblijfselen ruïnen van tempels en van vestingwerken: welke groepen van bouwwerken echter meermalen samenvallen, in zoo verre de tempels ook zelven vestingen waren. Zij onderscheiden zich vooral door hun massieven bouw, maar getuigen tevens van smaak en van eene vrij hoog ontwikkelde kunst. De voornaamste tempel van Mexiko lag in het midden der stad en was zoo groot, dat hij, volgens Cortez, ruimte aanbood voor vijfhonderd paarden. Hij vormde eene pyramide van vijf verdiepingen, acht-en-dertig meter hoog, met een basis van vijf-en-negentig meter, en twee torens. Pyramiden van meer of minder merkwaardigen bouw vindt men op een aantal andere plaatsen; ruïnen van oude steden vindt men bij Tula, de oude Toltekenstad, bij Papantla in Vera-Cruz, bij Mopilca in dezelfde provincie, bij Palenque, bij Ocosingo en elders.

Grondvorm van de geheele architektuur in Centraal-Amerika is de pyramide, die voornamelijk in godsdienstige monumenten, minder duidelijk in eigenlijke tempels en nog minder in paleizen, aan het licht treedt. De teokalli's (godshuizen), die men onder zeker opzicht reusachtige altaren zou kunnen noemen, zijn altijd vierzijdige, nauwkeurig naar de windstreken georiënteerde, van boven afgeknotte pyramiden, waarop zeer dikwijls nog kapellen of andere gebouwen verrezen. Hare wanden stijgen soms in onafgebroken helling naar boven; maar meestal verheffen zij zich in verschillende, hoogstens acht, verdiepingen, die of wel afzonderlijke terrassen vormen, of alleen door omloopende, meestal versierde galerijen aangewezen worden. Naar het plat voeren breede en steile trappen, die meest aan eene, soms ook aan twee of meer zijden zijn aangebracht; enkele malen zijn ook de verschillende terrassen of verdiepingen door trappen onderling verbonden. Rondom de teokalli's lagen de woningen der priesters, benevens andere lokalen voor de dienst der goden bestemd. Doch ook bij andere gebouwen dan de teokalli's vinden wij den pyramiden vorm terug, en wel door het regelmatig afnemen der grootte van de verschillende verdiepingen.

De architektuur der Mexikanen getuigt niet van eene hooge kunstontwikkeling, maar kenmerkt zich door strenge consequentie in den stijl; alle details en onderverdeelingen zijn naar de eenvoudigste beginselen en regelen ontworpen. Voor de versiering der wandoppervlakten gebruikte men rechtlijnige, maar vaak zeer samengestelde vakken of kassetten, voorts golvende lijnen, zigzags en dergelijke figuren. In hun geheel genomen, vertoonen de op den vlakken grond, of op gewone terrassen, of ook wel op het plat der teokalli's geplaatste gebouwen, de gedaante van eenvoudige, vierkante steenklompen, met rechtlijnig overdekte portalen, en eenvoudige pijlers, waarboven zich dikwijls een rijk versierde, dikwijls overladen, geweldig groote fries—door Charnay dekoratiemuur genoemd—verheft. Het dak is horizontaal of bestaat ook wel uit een soort van gewelf, dat door trapsgewijze over elkander liggende zerken wordt gevormd. Deze wijze van bedekking en het gemis van eigenlijke zuilen maken het aanleggen van groote zalen of hallen onmogelijk.

De meeste gebouwen zijn met beeldwerken versierd, hetzij reliëfs, hetzij standbeelden in eigenlijken zin. Deze beeldwerken, die blijkbaar van verschillende volken en uit verschillende tijden afkomstig zijn, getuigen zoowel van onbeholpenheid als van barbaarschen wansmaak in de zonderlinge Bladzijde 311overlading. Bij vergelijking met egyptische, assyrische, indische of oud-grieksche beeldwerken, staan de monumenten der amerikaansche skulptuur op een zeer lagen trap. Niet alleen dat alle individualiteit en uitdrukking aan de beelden ontbreekt, maar de navolging der natuur is zoo gebrekkig, dat de meeste figuren iets monsterachtigs hebben. Somwijlen doen zij ons denken aan de wanstaltige afgodsbeelden van de bewoners der Zuidzee-eilanden. In hoeverre deze hoogst gebrekkige, onbeholpen kunst de kiem van hoogere ontwikkeling in zich bevatte, kunnen wij in het midden laten. Eene geschiedenis der amerikaansche kunst is zeker nog niet te schrijven.

In Centraal-Amerika zijn vooral Honduras en Yucatan rijk aan antiquiteiten en ruïnen. In den eerstgenoemden staat zijn de beroemdste ruïnen die van Copan; in Yucatan kent men reeds meer dan vijftig ruïnen, die door haar omvang en deels ook door haar pracht de bewondering wekken. De paleizen bestaan dikwijls uit verschillende gebouwen boven elkander; kolossale trappen voeren van het eene terras naar het andere; ter wederzijde zijn die trappen met slangen versierd, wier kop den grond aanraakt, terwijl het reuzenlijf zich naar boven kronkelt. Terwijl de monumenten uit lateren tijd met versieringen overladen zijn, kenmerken zich de oudste gedenkteekenen door eenvoud, ernst en soliditeit; zoo als, bij voorbeeld, de pyramidale tempel van Palenque in Guatemala, waarvan de voorgevel met figuren en opschriften is versierd, terwijl van binnen mythologische beeldwerken en bas-reliefs de wanden bedekken.

Ook elders in Centraal-Amerika heeft men merkwaardige overblijfselen eener vroegere beschaving gevonden; zoo in Costa-Rica, waar massieve sieradiën van goud, kleine godenbeelden van brons, goud en koper, en bevallig vaatwerk nog getuigen van de aanwezigheid eener hooger beschaafde bevolking dan de Indianen; voorts aan de Mosquitokust en vooral in Nicaragua, waar de eilanden in de meren nog belangrijke ruïnen bevatten, die nog maar voor een deel onderzocht zijn.

De Tolteken, van wie in het reisverhaal van Charnay bij herhaling gesproken wordt, zijn een amerikaansche volksstam, die vermoedelijk in de vijfde of zesde eeuw onzer jaartelling, van een meer noordelijk gelegen land, Huehuetlapallan genoemd, naar Anahuac verhuisden en daar omstreeks het midden der zevende eeuw de stad Tollan (Tula) stichtten. Door verovering en vreedzame overeenkomsten breidden de Tolteken allengs hun gebied uit en bereikten een betrekkelijk vrij hoogen trap van beschaving. Omstreeks de elfde of twaalfde eeuw onzer jaartelling stond het rijk der Tolteken op het toppunt van bloei en macht; door ongelukkige oorlogen en andere rampen geraakte het allengs in verval. Tegen het midden der twaalfde eeuw werden de Tolteken uit een deel hunner woonplaatsen verdrongen door de Chichimeken, die anderhalve eeuw later gevolgd werden door het krijgshaftige volk der Azteken, die in 1325 de stad Tenochtitlan (Mexiko) stichtten en allengs meester werden van het geheele land. De nieuwe veroveraars namen ook hier de beschaving en kunst hunner hooger ontwikkelde voorgangers, de Tolteken, over; deze laatsten weken allengs naar zuidelijker streken, met name naar Yucatan, waar zij gaandeweg met de inheemsche stammen samensmolten of uitstierven.