De kattenkoopman (Blz 188.)

De kattenkoopman (Blz 188.)

De raad is goed, maar niet gemakkelijk in praktijk te brengen; nauwelijks zetten wij den voet buiten de deur, of wij worden bestormd door zieken, die allen tegelijk spreken, ons hunne kwalen vertellen, op hunne oogen, hun borst, hunne armen wijzen, en elkander al twistende verdringen en wegduwen, om tot ons te naderen. De wachters maken met moeite ruim baan, en wij rijden eindelijk weg.

Soerneh, waar wij na een rit van zes uren aankomen, is een klein stadje, door aarden wallen omringd; in vroeger tijd was het vlek vermoedelijk van meer beteekenis dan thans, want tusschen de tuinen ziet men nog de overblijfselen van eene oude vesting uit den tijd der Sassaniden. Op eenigen afstand van het dorp vindt men nog sporen van oude vestingwerken uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Bladzijde 265

Koning Shapoer en keizer Valerianus. (Blz. 271.)

Koning Shapoer en keizer Valerianus. (Blz. 271.)

XXI

28 September.—Wij hebben Dehbid bereikt, tweeduizend-vierhonderd el boven de zee, het hoogste punt van den weg van Ispahan naar Shirâz. Het kleine, zeer armoedige dorpje bestaat uit eene oude, zeer vervallen citadel, enkele uit leem opgetrokken huizen en een station van de engelsche telegraaflijn: alles even ellendig.

De beide laatste etappen duurden zeer lang en waren buitengewoon vermoeiend: de met losse keien bedekte wegen waren zeer steil en dus zeer bezwaarlijk te bestijgen; de paarden struikelden en vielen telkens, en moesten dan weer van hunne vracht ontdaan worden om zich te kunnen oprichten. De armenische vrouwen zijn uitgeput van vermoeienis; de kinderen huilen den ganschen dag; de reiziger, die reeds krank was toen wij van Ispahan vertrokken, schijnt zijn einde nabij. Ook wij zelven maken zeker eene droevige figuur. Die nachtelijke tochten, zonder tusschenpoozen op elkander volgende, zijn moordend; ik heb mij nog nimmer zoo moede, zoo geheel af gevoeld als sedert de laatste twee dagen, en snak naar het oogenblik waarop wij te Persepolis zullen aankomen.

De tsjarvadar-bashi zou gaarne aan zijne karavaan een dag rust hebben gegund, alvorens den tocht over de bergen te ondernemen; maar hij heeft geen hooi meer voor zijne paarden: wij moeten ons dus wel op weg begeven. Het vertrek is bepaald op heden avond acht uur: wij mogen ons gelukkig rekenen, als wij vóór den volgenden morgen tien uur, Madereh Soleiman bereiken.

Omstreeks middernacht hield de geheele karavaan, op het geroep der tsjarvadars, eensklaps stil: de zieke is kort na ons vertrek uit Dehbid overleden, en het lijk moet nu voor zonsopgang ter aarde worden besteld. Er worden toortsen aangestoken; de tsjarvadars, met messen en stokken gewapend, delven een kuil in het midden van den weg; dan halen zij den doode, dien men van zijne Bladzijde 266beste kleederen heeft ontdaan, en leggen het bijna nog warme lijk in het pas gedolven graf, Het eenige onderscheid tusschen zulk eene begrafenis en die van een hond bestaat wel hierin, dat men de moeite genomen heeft om een derwisj—die altijd met een tijgervel over de schouderen verscheen —uit zijn slaap te wekken, en hem heeft verzocht om het hoofd van den doode in de richting van Mekka te leggen en onder zijne armen de krukken te plaatsen, waarmede hij zich moet oprichten, als de roepstem weerklinkt van den engel Azraël. De kuil wordt daarop weer gevuld en de grond gelijk gestampt; vervolgens werpt men eenige steenen op het graf, en alles is afgeloopen. De weinige nieuwsgierigen, die waren afgestegen, bestijgen hun paarden of ezels weder: de slapenden ontwaken een oogenblik op het geroep der tsjarvadars en de karavaan vervolgt haar marsch.

30 September.—Wij hebben gisteren een bij uitnemendheid vermoeienden dag gehad, en na veertien nachten achter elkander te paard te hebben doorgebracht, is het inderdaad een onwaardeerbaar genot, zich weder eens in eene goed gesloten kamer, op een op den vloer uitgespreid tapijt te mogen neervlijen. Heden morgen was alle vermoeienis en alle ontstemming voorbij; ik kon met lust den arbeid hervatten en de ruïnen gaan bezoeken. Reeds gisteren hebben wij een kleinen heuvel bestegen, waarop zich een groot, uit kalksteen opgetrokken terras verheft, dat bij de inwoners van het dorp Deh-No, waar wij ons thans bevinden, onder den naam van Takhteh Madereh Soleïman (troon van de moeder van Salomo) bekend is, en dat aanstonds aan de terrassen herinnert, waarop de koningen van Babel hunne paleizen plachten te bouwen. Het is echter duidelijk, dat op dezen kunstmatigen heuvel nooit een gebouw heeft gestaan, want het terras zelf is niet voltooid.—Op eenigen afstand van den Takhteh bevindt zich een klein gebouwtje, waarheen wij thans onze schreden richten.

Dit monument had de gedaante van een vierkanten toren. De muren waren opgetrokken van kalksteenen, die met ijzeren bouten onderling waren verbonden. Een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, voerde naar de deur in het midden van den voorgevel. Op de vier hoeken bevonden zich uitspringende pilaren: eene soort van uitgetande kroonlijst sloot het monument van boven af. Ongetwijfeld hebben wij de ruïnen voor ons van een grafmonument, voor een koning of althans voor een aanzienlijk man opgericht.—Wij dalen af naar de vlakte: het onderzoek van een hoop steenen, waarboven eene zuil oprijst, zal ons misschien eenige inlichting verschaffen omtrent den ouderdom dezer gebouwen. Naderbij gekomen, zien wij dat de zuil van kalksteen is; hare hoogte bedraagt ruim elf, en haar doorsnede iets meer dan een el. De gladde schacht rust op een rond voetstuk van zwart bazalt; het kapiteel is verdwenen of licht misschien in gruis op den grond. In de onmiddellijke nabijheid ziet men nog, op regelmatige afstanden, eenige andere voetstukken van zwart bazalt: blijkbaar stonden daarop in vroeger tijd dergelijke zuilen als de eenige, die tot dusver gespaard bleef.

Niet ver van deze zuilen staan drie zware pilaren, eveneens van kalksteen vervaardigd. Zij zijn acht el hoog en bestaan uit drie steenblokken boven elkander, die aan eene zijde gedeeltelijk zijn uitgehold, zoodat zij eene nis vormen; aan het bovengedeelte ziet men eene inscriptie in spijkerschrift. Ongetwijfeld is dit de beroemde perzische, medische en assyrische tekst, die, naar de vertaling der geleerden, aldus luidt: “Ik, Cyrus, koning van het geslacht der Achemeniden.”—Zonder moeite herkent mijn echtgenoot den naam van den stichter der perzische monarchie en den titel Khshâyatrya, overeenkomende met het Sar der Semitische volken en met het grieksche basileus. Ongetwijfeld is de titel van Shâh, waarmede nog heden de beheerscher van Perzië wordt aangeduid, niet anders dan eene afkorting van dit woord.

Verder vinden wij nog eenige gebroken platen van zwart bazalt, aan de binnenzijde met beeldwerk versierd, benevens talrijke sporen van fondamenten, ten deele onder het puin begraven. Uit hetgeen nog gespaard bleef, mogen wij veilig besluiten dat wij hier de overblijfselen voor ons hebben van eene groote zuilenhal, die met een houten dak was gedekt, en vermoedelijk ter wederzijde geflankeerd door kleinere vertrekken, die met de portiek voor de zaal in gemeenschap stonden.

Niet ver van dit gebouw zie ik, meer oostwaarts, een groote steenen paal of stèle; wij gaan daarheen. Op de eene zijde zie ik, onder eene inscriptie in drie talen, een fraai beeld in basrelief, dat ongelukkig door den tijd heeft geleden en ten deele met mos is begroeid. Het is een man in de kracht des levens, met een zuiver europeesch gelaatstype; de schedel is kaal geschoren; de haren langs de slapen en aan het achterhoofd zijn in tressen gevlochten, die in den hals hangen; de baard is kort en gefriseerd. Hij draagt een lang overkleed, dat aan de zijde wordt toegeknoopt, zooals de Perzen nog heden des winters dragen: het zonderlinge hoofddeksel, waaraan men den egyptischen uraëus herkent, herinnert aan de kroon van sommige egyptische godheden: aan de schouders zijn groote vleugels bevestigd, als die der cherubim; in de hand houdt hij een beeld, waarvan de kroon mede met den uraëus prijkt.

Naar de meening van Marcel is dit beeld, versierd met de attributen van de goden der aan Iran grenzende landen, niet de beschermgod van Cyrus, maar het portret van den koning zelven.

Cyrus, beheerscher geworden van een reusachtig rijk, dat zich van Egypte tot de oevers van de Kaspische-zee uitstrekte, zou de behoefte gevoeld hebben, om, voor zijne eigene rekening en in zijn belang, de grieksche of egyptische traditie in eere te houden, volgens welke de koninklijke geslachten van de goden afstamden: met dat doel zou hij zich getooid hebben met de attributen ontleend aan het pantheon van alle volken, die het perzische rijk omvatte, ten einde op die wijze zijn gezag in zekeren zin te wijden en te bevestigen. Bladzijde 267

Dit basrelief is een van de belangrijkste monumenten van het oude Perzië: het geeft niet alleen belangrijke inlichtingen omtrent den oorsprong van de beeldhouwkunst in Iran; maar het gunt ons daarenboven een blik op de godsdienstige en politieke inzichten en denkbeelden van Cyrus en bewijst het eclecticisme van dezen monarch, die hoegenaamd geen onderscheid maakte tusschen de nationale goden en die der volkeren, welke bij het perzische rijk waren ingelijfd.2

In het dorp teruggekeerd, vind ik den tsjarvadar-bashi in ons kamp. “Ik vertrek heden met de karavaan,” zegt hij tot ons; “ik zal u twee mannen achterlaten om voor de rijpaarden en den muilezel, die uwe dagelijksche bagage draagt, te zorgen. Hoewel het mij moeilijk valt, van mijne dieren te scheiden, maak ik mij toch niet ongerust over hen, want de door den gouverneur van Shirâz gezonden toefangtsjis, die u tot geleide moeten dienen, zijn er ook om toezicht te houden. Ik moet u echter ten dringendste aanraden, bij den tocht door de bergpassen van den Polvar, de soldaten niet achter te laten; om op de afschuwelijke wegen, die gij volgen moet, af te stijgen; om te zorgen dat gij de beesten niet vermoeit, en om ze zorgvuldig te dekken als gij aan de pleisterplaats zult gekomen zijn.

—Wij zullen voor uwe beesten zoo goed zorgen als voor ons zelven, dat beloof ik u plechtig; antwoordde ik. “Wat kunt gij meer verlangen?

—Kunnen wij de andere zijde van den berg niet bereiken, zonder door de passen van Maderèh Soleîman te trekken? vroeg mijn echtgenoot op zijne beurt.

—Neen, Çaheb; meent gij dan dat wanneer de tsjarvadars, al ware het ook ten koste van een langen omweg, dien weg konden vermijden, zij ieder jaar in die noodlottige passen bagage en muildieren zouden laten verloren gaan? Als het water laag is, volgen de karavanen de oevers van den Polvar en trekken zonder bezwaar door den pas; maar des winters moet men een weg volgen, die voor onheugelijke tijden in de loodrechte rotswanden is uitgehouwen.

—Als ge u oostwaarts wildet richten en naar Kirman gaan, zoudt ge ook dan nog de passen moeten doortrekken? Zoudt ge dan niet op zeker punt links kunnen afslaan?

—Neen, zeker niet. De woestijn ten oosten van Meshed Moergab is de dorste en meest waterlooze wildernis, die in geheel Perzië te vinden is, dat toch geen gebrek heeft aan wildernissen. Geene enkele karavaan zou zich in die woestijn durven wagen.

—Het is dus, volgens u, uitgemaakt, dat men niet van Kirman naar Madereh Soleîman kan gaan, dan over Darab en den Takhteh Dsjemsjid?

—Dat staat vast, Çaheb. Vraag het maar aan alle tsjarvadars; zij zullen u hetzelfde zeggen. Men behoeft daarvoor niet eens zestig jaren lang de karavanen te hebben begeleid.

—Waarom vraagt ge toch al die inlichtingen omtrent de wegen, die naar het oosten voeren, vroeg ik aan Marcel. Wij zijn immers niet voornemens, Kirman te bezoeken.

—Omdat wij hier in de nabijheid zijn van den weg, dien Alexander op zijn terugkeer uit Indië volgde, en dat het van het hoogste belang is te weten, dat de macedonische koning niet naar Persepolis is kunnen gaan, den weg nemende over Kirman, Madereh Soleîman en de passen van den Polvar, maar dat hij de karavanenwegen heeft moeten volgen en over Darab en de passen van Sarvistan naar Perzië is moeten trekken.”

XXII

1 October.—Bij het aanbreken van den dag stijgen wij te paard, en de ruïnen van den Takhteh en van het paleis ter linkerhand latende liggen, rijden wij naar een dorp van een ellendig voorkomen, dicht bij den rand van het ravijn, waarin de Polvar stroomt. De van leem opgetrokken huizen rusten op antieke fondamenten van witten steen. Het zou wel de moeite waard zijn, die fondamenten te onderzoeken, maar men zou daartoe de huizen moeten wegruimen: dit is dus voorloopig onmogelijk. Iets verder verheft zich een klein monument, waarvan de matte goudkleur mij aan de warme tinten van het prachtige pentelische marmer herinnert. Het monument ligt buiten het dorp en is zeer gemakkelijk te genaken. Wij rijden over een kerkhof en houden stil aan den voet van het gebouwtje, waaraan de Engelschen den naam van het graf van Cyrus geven, maar dat bij de Perzen bekend is onder dien van Gabre Madereh Soleîman.

Van alle gedenkteekenen in de vlakte van den Polvar is dit buiten kijf het belangrijkste en het best geconserveerde. Het archaïstisch karakter van den griekschen bouwstijl van den naos en de fronton daarboven—de eenige in geheel Perzië—trekken dadelijk onze aandacht. Het graf rust op eene soort van pyramide, gevormd door zes trappen, die op een breeden sokkel rusten; een gedeeltelijk vernielde trap voerde naar boven. Het geheel is opgetrokken van reusachtige blokken kalksteen, die met de grootste zorgvuldigheid zijn uitgezocht en saamgevoegd; het deksel van de sarkophaag is massief en even als al het overige van steen. De grafpyramide was omgeven door eene portiek; aan drie zijden zijn nog de sporen van de basementen en zelfs van de schachten der zuilen te vinden. Drie lage en smalle deuren gaven toegang Bladzijde 268tot den binnenhof; de posten dier deuren zijn nog staande gebleven.

Pilaar van het paleis van Cyrus.

Pilaar van het paleis van Cyrus.

Ik beklim de trappen van den gabre (de grafpyramide); ik stoot eene houten deur open en bevind mij in een klein vertrekje. Een der zijden prijkt met een mirhab, die eerst in later tijd is aangebracht; de andere wanden zijn vlak. Metalen lampen hangen aan koorden, die aan houten krammen zijn bevestigd; verder ziet men er allerlei bonte lappen, die daar bij wijze van ex-voto's zijn nedergelegd.

Ik vroeg mijn echtgenoot, wat hij van dit graf dacht.

“Dit gebouwtje,” antwoordde hij, “is zeer zeker niet het graf van Cyrus; dit staat bij mij vast. Er is inderdaad niet de minste overeenstemming tusschen dit monument en het graf van Cyrus, zooals dit beschreven wordt door Arrianus en Strabo, of liever door Aristobulus, die dit graf bezocht en op bevel van Alexander liet herstellen, en wiens beschrijving door de beide eerstgenoemden is overgenomen.”

Het graf van den grondlegger der perzische monarchie verrees midden in de koninklijke tuinen; het was omringd door boomen, grasperken en stroomende wateren. Het was een vierkante toren van geringe hoogte, zoodat hij door het geboomte geheel verborgen werd. In het bovenste gedeelte bevond zich de grafkamer, met een dak van steen, en waartoe eene zeer smalle deur toegang gaf. Aristobulus zag daar een gouden bed, eene tafel met bekers en vazen, eene vergulde wasch- of badkuip, en eene menigte kleederen, edelgesteenten en andere kostbaarheden. Door middel van een trap had dit vertrek gemeenschap met eene andere kamer, waar de priesters verblijf hielden, met de bewaking van het graf belast.

Op de buitenzijde van het graf was, in de perzische taal, het volgende opschrift gebeiteld: “O mensch, ik ben Cyrus, de zoon van Kambyses. Ik heb de monarchie der Perzen gesticht en over Azië geheerscht. Benijd mij dit graf niet.”

“Een Griek,” voegde mijn echtgenoot er bij, “zou nooit op de gedachte zijn gekomen om den Gabre Maderèh Soleîman te vergelijken bij een vierkanten toren; evenmin als hij gemeend zou hebben eene voldoende beschrijving te hebben gegeven van den onderbouw met zijne zes trappen, door eenvoudig te spreken van de stevigheid en soliditeit van het onderste gedeelte. Daar komt bij, dat het volstrekt onmogelijk zou zijn geweest, om in een vertrekje van zes vierkante meters oppervlakte ruimte te vinden voor de sarkophaag, voor het gouden bed, de tafel, de vergulde badkuip en de groote menigte kleederen en kostbaarheden, die Aristobulus in het graf zag. En waar is de inscriptie, die de Grieken lieten vertalen?

“Ik ben veeleer geneigd om, ook in verband met de overlevering, volgens welke dit monument het graf zou zijn van de moeder van Salomo, daarin het mausoleum eener koningin te zien; misschien wel van de echtgenoote van Cyrus, wiens naam thans bij het volk geheel in vergetelheid is geraakt en verdrongen door dien van Salomo, die zoo dikwijls in den Koran wordt genoemd.”

De rotsgraven van Nakhske Roestem. (Blz. 271.)

De rotsgraven van Nakhske Roestem. (Blz. 271.)

Wat hiervan zij, de ruïnen, die wij in de vlakte van den Polvar gevonden hebben, de Takhteh, de vierkante toren, het paleis en het mausoleum zijn de laatste overblijfselen van de monumenten, door den grooten Cyrus, in de zesde eeuw voor Christus, opgericht. Deze ouderdom blijkt ten duidelijkste uit den geheelen bouwstijl, uit de ornamenten en alle bijzonderheden der architektuur. Evenzeer is het onmogelijk, de nauwe verwantschap te miskennen tusschen deze monumenten en de ionische gebouwen. Zouden wij hier de prototypen voor ons hebben van de monumenten in de grieksche koloniën langs de kust van Klein-Azië? Ik geloof dit niet. Voor de verovering van Lydië waren Bladzijde 270de bewoners van Farsistan nimmer in aanraking geweest met de Grieken; zij verkeerden nog in een toestand van meer dan halve barbaarschheid, toen Cyrus bij de Ariërs de heerschappij der Meden vernietigde en daarvoor die der Perzen in de plaats stelde. Misschien behoorde de architekt, die deze gebouwen maakte, wel tot de omgeving van Croesus, die na de verovering van Sardes de vriend en raadsman van zijn overwinnaar geworden was.

5 October.—Na twee dagreizen zijn wij thans gehuisvest in den tsjapar khaneh van Kenareh, op eenige duizenden ellen afstands van het eenmaal zoo beroemde Persepolis.

Na Maderèh Soleîman verlaten te hebben, betraden wij de enge passen van den Polvar. Aanvankelijk volgden wij den oever der rivier, geheel met dichte rietbosschen en biezen begroeid, waarin wij elkander uit het oog verloren. De tsjarvadar-bashi had er niets te veel van gezegd, toen hij dezen weg een helschen weg noemde; maar daar hij uitsluitend de meerdere of mindere bruikbaarheid der wegen voor zijne paarden in het oog hield, had hij ons niet gesproken van de schilderachtige schoonheid der passen, die de bezwaren aan den tocht verbonden vergoeden en voor een deel doen vergeten.

De monumenten van Persepolis worden in twee groepen verdeeld, bekend onder de namen van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem) en Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid); de afstand tusschen de beide groepen bedraagt acht tot tien kilometers. Eene ellendige hut, met den naam van tsjapar khaneh versierd, staat omstreeks halverwege: ons eskorte heeft dit krot voor ons ten verblijve uitgekozen. De reizigers houden zich doorgaans te Persepolis niet op, uithoofde van de ongezonde lucht, die men hier inademt; de postdienst is in Farsistan alles behalve voortreffelijk ingericht; de platte daken en de opperzaal van onze herberg liggen dan ook in puin. De eenige kamer, waarin wij logeeren kunnen, is opgevuld met paardentuig, met weggeworpen rommel en met den schralen voorraad van den tsjapartshi (den bewaarder of concierge), wiens ongelukkig voorkomen juist niet pleit voor de gezondheid der streek. Op ons verzoek wordt de kamer schoongemaakt en tot onze beschikking gesteld.

Na afloop van den maaltijd begon ik medelijden te gevoelen met onze bedienden, en noodigde ik hen uit, in het eenige bewoonbare vertrek te komen slapen.

“Wij zullen ons wel wachten, in een besloten ruimte te gaan slapen,” antwoordde de kok; “zoodra gij het licht zult hebben uitgedaan, zult gij door de muskieten vermoord worden; het eenige middel om niet levend te worden verslonden, is onder den blooten hemel den nacht door te brengen.”

Helaas! de kok had gelijk; nauwelijks hadden wij een oogenblik stil gelegen, of wij werden als door duizenden naalden geprikt en gestoken. De muskieten van Persepolis maken geen geluid, maar zoo zij door hun gegons niet hinderen, hunne beten zijn des te venijniger. Tot ons ongeluk, heeft de natuur hen zeer klein en dun geschapen, zoodat zij door de kleinste gaatjes in de kleeding kunnen kruipen. Wij meenden de aanvallen van deze onverbiddelijke vijanden te kunnen afweren, door de pijpen van onze pantalons om onze beenen toe te binden, onze voeten in stevige lederen schoenen te steken en onze handen met doeken te omwikkelen. Het eenige gevolg was, dat de bloeddorstige beulen zich schadeloos stelden op ons gezicht en vooral op onze lippen, die wij wel onbedekt moesten laten, ten einde te kunnen ademen. De vrees van op nieuw door de koorts te worden aangetast, als wij op het platte dak gingen slapen, hield ons in de kamer terug: maar reeds voor de dag aanbrak waren wij op de been. Zonder op ons gezwollen gelaat en ontstoken lippen acht te slaan, stijgen wij te paard en richten ons naar den steilen rotswand, dien wij den vorigen avond aan onze rechterhand hadden laten liggen. Toen wij den rotswand naderden, werd mijne aandacht aanstonds getrokken door de voorgevels van vier grafkamers, en door een klein vierhoekig monument tegenover den berg, dat geheel overeenkomt met het vernielde gebouwtje hetwelk wij in de vlakte van den Polvar gezien hebben. Te Maderèh Soleîman is echter nog maar eene van de vier zijden overgebleven: het grafteeken dat wij hier voor ons hebben, is nog geheel volledig: er ontbreekt geen enkele steen. De gedaante van het gebouw is die van een vierkanten toren, waarvan het benedengedeelte geheel massief is. Het bovengedeelte wordt geheel ingenomen door eene zeer eenvoudige zaal, waarvan de zoldering uit fraaie zerken bestaat; de muren zijn kaal en de hoeken afgerond. Dit vertrek is voorzien van eene kleine deur, die langs een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, werd bereikt. Eene getande kroonlijst sluit het monument van boven af; groote platen van zwart bazalt, aan drie zijden aangebracht, maken den indruk van vensters, hoewel het gebouwtje in werkelijkheid geene andere opening heeft dan de deur. Marcel is van oordeel, dat de lijken der koningen voorloopig in deze torens werden nedergelegd, om na in zekere mate tot ontbinding te zijn overgegaan, naar de in de rots uitgehouwen graven te worden overgebracht. Deze beide torens in de vlakte van den Polvar en hier, geven ons ongetwijfeld de voorbeelden te aanschouwen van de koninklijke mausoleën, die Cyrus, na zijn terugkeer uit Ionië invoerde; de grafkamers daarentegen, naar egyptischen trant, in den berg van Nakhshè Roestem uitgehouwen, waren de graven van de eerste vorsten uit de tweede Achemeniden-dynastie.

Aan de voorzijde der graven van Darius en zijne opvolgers is, in relief, op den loodrechten rotswand, een gebouw afgebeeld, met zuilen versierd, waarvan de kapiteelen worden gevormd door twee stieren, ter halverlijve met elkander verbonden. De deuren hebben van boven eene egyptische kroonlijst.—Boven een troon ziet men den koning, gebeden richtende tot den god Ahoeramazda, die in de lucht zweeft.

De platten of terrassen voor den ingang der grafkamers zijn te hoog boven den grond en de rotswand is te steil, dan dat men die van uit de Bladzijde 271vlakte zou kunnen bereiken. Wil men de grafkamers zelven bezoeken, dan moet men zich aan een touw laten ophijschen door mannen, die boven op de rots klauteren. Marcel is de eerste, die deze expeditie onderneemt, en niet zonder angst zie ik hem tusschen hemel en aarde zweven aan een touw, dat mij niet dikker toeschijnt dan een draad. Hij komt zonder ongeval weer beneden, en nu maak ik mij gereed om de luchtreis te ondernemen.

“Wat wilt gij daar boven gaan uitvoeren? zegt mijn echtgenoot; de kamers zijn ruw in de rots uitgehouwen, en de wanden vertoonen geen enkel spoor van beeld- of schilderwerk; de zolderingen zijn bij wijze van gewelf gemaakt, en de in den steen uitgehouwen sarkophagen verschillen in niets van de egyptische.

—Ik wil het gezicht van Darius van nabij bekijken. Ik verbeeld mij ook, dat ik daar boven een prachtig uitzicht zal hebben over de vlakte van de Merdash.

—Dring er niet verder op aan; ik zal u nooit toestaan, dezen tocht te wagen. Gij weet niet, welk eene zonderlinge gewaarwording zich meester maakt van iemand, die vijftien ellen boven den grond aan een touw hangt te zweven. Ik ben er ook volstrekt niet zeker van, dat gij vasten voet zoudt weten te zetten op het plat, of dat gij u stevig zoudt vastbinden bij het aflaten. Gij gaat niet naar de graven.”—Dit zeggende gaf hij den mannen boven op de rots een teeken dat zij naar beneden konden komen.

Natuurlijk protesteerde ik tegen het verbod van mijn echtgenoot, maar het baatte niet: voor de eerste maal sedert ik hem gehoorzaamheid gezworen had, moest ik mij aan zijn wil onderwerpen.

Aangenomen dat mij, bij het bezoek der graven, een ongeluk ware overkomen, dan zou dit toch stellig minder opzien hebben gebaard, dan toen voor omstreeks vier-en-twintighonderd jaren de ouders van Darius, bij eene dergelijke gelegenheid, het leven verloren. De koning had hen uitgenoodigd, zijn graf te komen zien, en droeg aan veertig magiërs de zorg op, om de mand naar boven te hijschen, waarin de oude lieden waren gezeten. De veertig priesters klauterden op den top der rots, grepen de touwen en trokken de ouders van hun koning voorzichtig en langzaam naar boven. Maar zie, daar schoot eensklaps eene reusachtige slang uit de rots te voorschijn en verspreidde een panischen schrik onder de magiërs, die in hunne verbijstering de touwen loslieten, zoodat de mand met haar kostbare vracht tegen den grond plofte. Darius, wiens toorn en droefheid geene palen kende, liet de ongelukkige priesters gevangen nemen en voor zijne oogen spietsen.

Onder de graven der oude koningen bevinden zich de beroemde beeldwerken uit den tijd der Sassaniden, waaraan de geheele groep van monumenten aan den ingang der vlakte van de Merdash den naam te danken heeft van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem).

Een dezer bas-reliefs, dat eene lengte heeft van ongeveer elf meter, moet de zegepraal vereeuwigen door den koning Shapoer over keizer Valerianus behaald. De perzische koning zit te paard; de romeinsche keizer, met den lauwerkrans om de slapen, schijnt geknield de barmhartigheid van den overwinnaar af te smeeken. De onderworpen houding van den gevangen Caesar verhinderde niet, dat de Shâh hem zes jaren lang bij het te paard stijgen, als voetbank gebruikte, en hem ten slotte liet spietsen en zijn lijk in triomf voor het leger uitdragen. Eene inscriptie vermeldt de overwinning bij Edessa, door Shapoer op de Romeinen behaald.

Het onderwerp van het tweede bas-relief is minder gemakkelijk te begrijpen. Twee koningen, te paard gezeten, houden te zamen een ring of een dergelijk voorwerp vast, misschien een teeken van bondgenootschap. Hunne rustige kalme houding vormt een scherp contrast met de krijgshaftige drift van twee gewapende mannen, die, op een derde bas-relief met gevelde lans op elkander aanstormen. Dit laatste bas-relief, dat bijna gelijk met den grond is, heeft ongelukkig zeer veel geleden.

De monumentale beeldhouwkunst uit het tijdperk van de Sassaniden schijnt meer aan de romeinsche, dan aan de grieksche kunst verwant. De beelden, door de Muzelmannen zoo veel mogelijk vernield, verkeeren thans in zoodanigen toestand, dat het niet meer mogelijk is over de bewerking van het naakt te oordeelen; maar de handen, die in vele gevallen nog ongeschonden zijn, zijn plomp en zeer oppervlakkig behandeld; de drapeering is onnatuurlijk en gezocht en mist daardoor waarheid. Daarentegen is de houding der koningen edel en eenvoudig, en verraden de dieren, met name de paarden, de hand van bekwame meesters, die zich vrij wat beter rekenschap wisten te geven van de eischen der dekoratieve kunst, dan de vervaardigers van de bas-reliefs in het bovenste gedeelte van de vier koningsgraven.

Het laatste en misschien het belangrijkste monument in de groep van Nahkshe Roestem bevindt zich zuidwaarts van de grafkamers.

Dit zijn twee Atesh-ka (vuuraltaren), die op de plaats zelve in de rots zijn uitgehouwen. Zij bestaan uit eene vierkante tafel, rustende op vier massieve rondbogen, die gedragen worden door vier pilaren in hoog relief. De bovenrand van het altaar bestaat uit eene soort van krans van driekantige kanteelen. De geheele bewerking is ruw en barbaarsch, en getuigt van eene kunst, die op vrij wat lager trap stond dan die, welke de monumenten uit den tijd van Cyrus schiep. Let men daarenboven op het zuiver assyrisch karakter der kanteelen, der bogen en pilaren, dan komt men gedeeltelijk tot het besluit dat de Atesh-ka van Nakhshè Roestem de oudste monumenten in de vlakten van den Polvar en de Merdash zijn en uit den tijd vóór Cyrus dagteekenen.

De eerwaardige herinneringen en vrome traditiën, aan deze antieke vuuraltaren verbonden, waren vermoedelijk een der redenen, die Darius bewogen, den naburigen berg uit te kiezen als koninklijke begraafplaats. Ongetwijfeld lieten later Bladzijde 272de Sassaniden, om dezelfde redenen, in dien rotswand de bas-reliefs beitelen, die hunne overwinningen moesten vereeuwigen. Ten allen tijde waren de Atash-ka van Nakhshè Roestem, voor de aanhangers van Zoroaster, eene bij uitnemendheid gewijde en druk bezochte bedevaartsplaats; en nog in onze dagen, nu de betrekkelijk weinige Parsis welhaast de herinnering van hun roemrijk verleden hebben verloren, komen de pelgrims uit Indië in grooten getale, om een bezoek te brengen aan de vuuraltaren, en aan het mausoleum, dat in den omtrek bekend staat onder den naam van de Kaäba der Guebers.

Portret van Cyrus. (Blz. 266.)

Portret van Cyrus. (Blz. 266.)

XXIII

6 October.—De noodzakelijkheid om ons op nieuw van levensmiddelen te voorzien, de onmogelijkheid om nog langer de martelingen van de muskieten uit te houden, hebben ons twee dagen geleden doen besluiten, om ons afschuwelijk krot te verlaten en een onderkomen te zoeken in het dorpje Kenareh, op twee farsaks afstand van het persepolitaansche paleis. Wij zijn nu wel verplicht, 's morgens en 's avonds, een vrij langen rit te maken om de ruïnen te bereiken; maar wat zou men niet doen, om aan de muskieten te ontkomen, die u geregeld iederen nacht den slaap ontrooven?

Wij hebben een behoorlijk logies gevonden in de opperzaal van eene boerenwoning. De muur en de zoldering zijn van leem; een strooien mat op den vloer en een koperen kan, vormen het gansche ameublement. De inrichting lijdt dus niet aan bovenmatige pracht; maar toch zijn wij hier op ons gemak; de hooge ligging van de kamer beveiligt ons tegen de vochtige ongezonde uitwasemingen Bladzijde 273van den grond en vergunt ons de zuivere, frissche berglucht in te ademen, die door den oostenwind wordt aangevoerd. Deze voordeelen moeten echter met eenige offers worden gekocht: daar wij gedwongen zijn op het platte dak ons middagmaal te gebruiken, en daar ook de clichés te bereiden, zijn wij het voorwerp geworden van de belangstellende nieuwsgierigheid van een aantal vrouwen, ouden en jongen, die op de naburige daken samenscholen.

Portiek van het paleis des konings te Persepolis.

Portiek van het paleis des konings te Persepolis.

Het komt mij voor, dat de type van het ras gaandeweg eene verandering ondergaat: ik zie jonge vrouwen van eene slanke gestalte, met blauwe oogen en blonde zijdeachtige haren, zoo als ik in Perzië nog niet gezien heb; onze tsjarvadar, een inboorling dezer streek, is rossig en heeft paarsachtig groene oogen. Dit trok mijne aandacht; op mijne navraag, vernam ik, dat rossig blonde haren en groene oogen steeds minder zeldzaam worden, naarmate men verder naar het zuiden komt. Over het algemeen wordt de type schooner. Ik moet er echter bijvoegen, dat ook te Kenareh, zoo als trouwens in het geheele Oosten, de bejaarde vrouwen erg vervallen en terugstootend leelijk zijn: de verregaande onzindelijkheid, die met name in Farsistan heerscht, maakt haar nog afzichtelijker. De boerinnen kammen bijna nooit heur haar, wasschen zich uiterst zelden, en dragen haar kleederen, zonder wasschen, tot zij haar aan flarden bij het lijf hangen. Een katoenen rok, halverwege den buik vastgemaakt en nauwelijks tot de knieën reikende; een wijd hemd, dat op de borst geopend is, maar niet verder gaat dan het middel:—ziedaar haar eenige kleeding.

Maar indien alzoo het lichaam aan alle invloeden van lucht en klimaat is blootgesteld, wordt daarentegen het hoofd zorgvuldig beschermd tegen de Bladzijde 274zon en de koude, en wel door middel van een geheele vracht vieze sluiers en smerige doeken, die om het hoofd gewonden worden. De boerinnen zijn goede moeders en houden alle lappen en vodden niet voor zich alleen: de kleine kinderen, voor wier gezondheid het schadelijk zou zijn, als zij voor hun derde jaar gewasschen werden, zijn zelfs in den winter geheel naakt, maar ook bij hen wordt het hoofd bedekt en omwikkeld met zulk eene vracht van lappen en doeken, glaskoralen en amuletten, dat zelfs de grootsten en sterksten klein en nietig schijnen onder dit monsterachtig kapsel, ten eenemale buiten verhouding tot hunne gestalte. Deze eigenaardige methode van kleeding, gevoegd bij de gewoonte om de pasgeboren kinderen op den derden dag te aderlaten, ten einde het onreine bloed der moeder af te tappen; bij de wonderlijke manier om hen al aanstonds met waterachtige vruchten te voeden, en vooral bij de onbeschrijfelijke onreinheid, is eene voldoende verklaring van het ontzaglijk sterftecijfer der kleine kinderen. Perzische moeders, die tien of twaalf kinderen ter wereld hebben gebracht, beschouwen het dan ook als een bijzonder voorrecht, als zij er drie of vier in het leven mogen behouden.

Men zou haast meenen dat Mohammed, toen hij zijn volgelingen de vijf dagelijksche wasschingen voorschreef, de dorpen van Farsistan had bezocht.

De bewoners dezer streek kunnen zich, tot verontschuldiging van hunne onzindelijkheid, ook niet beroepen op gebrek aan water of op hunne armoede: de omstreken van Persepolis worden door talrijke kanalen doorsneden en de grond is bij uitnemendheid vruchtbaar en goed bebouwd. Overal echter waar het water niet heengeleid kan worden, is de grond dor en onbebouwd; toen ik mij dus, vergezeld van onze toefangtsjis, naar de ruïnen begaf, was ik zeer verwonderd, dicht bij den Takhteh, die boven een kaal plateau oprijst, zes pas opgeworpen aardhoopen te ontdekken.

“Waarvoor delft men kuilen in deze woeste vlakte? vroeg ik aan onze gidsen.

—Deze aardhoopen bedekken de graven van gepleisterden, antwoordde een hunner. Hier liggen zes bandieten begraven, die de vorige maand gevangen en voor eenige dagen ter dood gebracht zijn. Sedert eenige jaren werd de provincie bestuurd door een broeder des konings, een vroom man, maar te goedhartig en te zwak. Verzekerd van straffeloosheid, maakten bandieten en moordenaars de openbare wegen onveilig en plunderden de karavanen, tot de Shâh eindelijk tot het besluit kwam om zijn broeder terug te roepen en in zijne plaats zijn kleinzoon te benoemen, een kind van twaalf jaren. Terzelfder tijd voegde hij als voogd aan den jongen prins een onder-gouverneur toe, die in geheel Iran om zijne strengheid bekend was.

—Maar wat is nu die bepleistering?

—O Çaheb, te oordeelen naar de kreten en stuiptrekkingen van den patiënt, moet het eene verschrikkelijke straf zijn. Men graaft een kuil in den grond en plaatst dwars daarover eene ijzeren staaf, waaraan de voeten van den veroordeelde worden vastgemaakt, zoodat zijn hoofd bijna den grond van den kuil raakt; dan laten de beulen gips of pleister in den kuil vloeien. Is de kuil daarmede gevuld, dan werpt men de uitgegraven aarde weer daarover heen, en zoo ontstaan de hoopen, die gij ziet.”

Overdreven gevoeligheid wordt op reis, vooral in het Oosten, spoedig afgestompt; toch kon ik, op het hooren van dit eenvoudig verhaal, geene beweging van afgrijzen onderdrukken.

“Gij keurt misschien de handelwijze van den gouverneur af? hernam de toefantsjis.

—Ja, zeer zeker.

—Gij hebt gelijk. Het is inderdaad jammer, op deze wijze eene aanzienlijke hoeveelheid pleister te verspillen, daar men de bandieten toch op veel goedkooper manier kon laten doodslaan; maar gij zoudt toch de hoogere uitgave niet afkeuren, zoo gij wist welk een heilzamen invloed deze strafoefening op alle roovers uitoefent.”

Naar de redeneering van mijn gids luisterende, bereik ik den voet van een terras van tien el hoogte, uit zorgvuldig saamgevoegde steenblokken opgetrokken. Deze kolossale onderbouw, in Perzië bekend onder den naam van den Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid), rust tegen eene kale bergketen en herinnert aan het terras van Madereh Soleïman, waarvan dit gebouw zeker eene kopie is. De bovenvlakte van het terras is in drie verdiepingen verdeeld. Een prachtige dubbele trap van honderd-zes treden, door twee breede portalen afgewisseld, voert uit de vlakte naar de tusschenverdieping. De helling van de trap is zoo groot en de hoogte der treden is zoo gering, dat men zonder moeite te paard op- en af kan stijgen; tien mannen naast elkander kunnen te gelijk deze koninklijke trap beklimmen. Ik stijg naar boven en bevind mij in Persepolis.

De traditioneele geschiedenis van Perzië, zoo als die door de nationale heldendichters wordt verhaald, geeft niet veel licht voor de studie der monumenten van Persepolis. Raadpleging van de grieksche schrijvers zou dan nog de voorkeur verdienen: maar de ontcijfering van de inscripties in spijkerschrift op de wanden der paleizen heeft aan de tot dusver bestaande onzekerheid en de heerschappij der algemeen aangenomen legenden een einde gemaakt. Wij weten nu dat de Takhteh Dsjemsjid het werk is van Darius en zijne eerste opvolgers.

Heeft men de trappen beklommen, dan staat men tegenover twee reusachtige stieren met menschenhoofden, die in de steenen posten van eene hooge poort zijn uitgehouwen. Deze fantastische dieren komen in gedaante overeen met de dieren van Ninive, maar zijn grooter en fraaier bewerkt dan de wachters der paleizen van Esar-Haddon en Sanherib. Even als hunne assyrische voorbeelden, dragen ook zij de koninklijke tiara der oude vorsten van Chaldea; de zes gekromde hoornen aan de tiaar zijn de teekenen van de goddelijke natuur van het dier.

Deze hybridische wezens, vervaardigd naar het beeld van een fabelachtig dier, dat de legendarische Bladzijde 275held Isdoebar op de jacht doodde, waren sedert de oudste tijden de wachters, men mag wel zeggen de beschermgeesten der paleizen van het oude Oosten. De assyrische monarch Assoer Banipal beroemt er zich op, reeds in de negende eeuw voor Christus, dat hij de gevleugelde stieren heeft omgeworpen van de poorten der paleizen van Elam, “waaraan tot dien tijd nog niemand had geraakt.”

Boven de sierlijk gekromde vleugels van de stieren zijn drie inscripties in spijkerschrift, in drie verschillende talen, aangebracht; wij leeren daaruit dat deze grootsche portiek het werk is van Xerxes.

“Een groote god is Ahoeramazda: hij heeft de aarde gemaakt, hij heeft den hemel gemaakt, hij heeft den mensch gemaakt; hij heeft den mensch het geluk gegeven: hij heeft Xerxes gemaakt tot eenigen koning over duizenden menschen, tot eenigen heerscher over vele duizenden.”

“Ik ben Xerxes, de groote koning, de koning der koningen, de koning van de volkrijke landen, de koning der aarde, die heerscht van verre en nabij. Ik ben de zoon van Darius, den koning uit het huis der Achemeniden.”

“Xerxes, de groote koning, zegt alzoo: “Deze poort, genaamd Viçadahyu, heb ik gebouwd, nevens vele andere monumenten, die ik gebouwd heb in dit Parça; ik heb ze gebouwd, zoo als mijn vader ze gebouwd heeft, en al deze heerlijke gebouwen hebben wij gemaakt door de genade van Ahoeramazda.”

“Xerxes, de koning, spreekt alzoo: “Dat Ahoeramazda mij bescherme, mij en mijn rijk, en mijn werk, en de werken van mijn vader! Dat Ahoeramazda die bescherme!”

Achter de deurpijlers ziet men de overblijfselen van vijf zuilen, die de zoldering van de portiek droegen; daarachter, aan de andere zijde van de portiek, staan weder twee stieren, geheel overeenkomende met de eersten. Als men de vestibule, die door deze indrukwekkende geniën wordt bewaakt, is doorgegaan, beklimt men eenige trappen en betreedt de apadâna van Xerxes.

De apadâna of troonzaal komt overeen met den talar, waarin de perzische koningen nog heden plechtige audiëntiën verleenen, de gezanten van vreemde mogendheden ontvangen of, ter gelegenheid van de feesten van het nieuwe jaar, de hulde en de geschenken van hunne onderdanen.

Het paleis van Xerxes bestond uit eene groote zaal, waarvan de zoldering door zes-en-dertig zuilen werd gedragen, en die aan drie zijden door portieken was omgeven. De zolderingen dezer portieken rustten op twee rijen pilaren, waarvan de kapiteelen gevormd werden door de aaneenverbonden voorlijven van twee stieren. Op deze zuilen rustte eene vlakke houten zoldering. Daar de perzische architektuur, sedert Cyrus, geene andere dan zeer elegante, dunne zuilen kende, was het niet mogelijk daarop, als bij de egyptische tempels, zware steenen architraven en zerken aan te brengen. Dat de zolderingen niet anders dan van hout kunnen geweest zijn, volgt reeds uit de groote ruimte tusschen de kolommen, uit hunne hoogte en zeer geringen omvang; ook ziet men nog aan de kapiteelen, tusschen de schouders der stieren, de plaats waar de balken werden ingevoegd; maar elke twijfel is onmogelijk geworden, sedert men, nu eenige jaren geleden, de verkoolde overblijfselen van het hout gevonden heeft. Deze zoldering was van cederhout, dat alzoo van grooten afstand, uit de bosschen van den Libanon, moest worden aangevoerd. De zoldering werd met eene laag aarde bedekt, om de warmte af te weren, en deze laag weder met een vloer van gebakken steenen belegd.

Men heeft het paleis van Xerxes vergeleken met den Tsjeel Soetoen van Ispahan, en met het oog op de lichte en luchtige zoldering van den talar in laatstgenoemd paleis, beweerd, dat ook de paleizen te Persepolis slechts eene eenvoudige houten zoldering zonder aardlaag hadden. Dit is onjuist; vergeleken bij het klimaat van Persepolis, is de temperatuur te Ispahan betrekkelijk koel; eene bedekking, die aan de oevers van den Zendeh-Roed ten volle aan de vereischten beantwoordt, zou in de vlakte van de Merdash ten eenemale onvoldoende zijn, om het paleis in het warme jaargetijde bewoonbaar te maken.—Doch wat hiervan zij, en welke dan ook de vorm der zoldering moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat de apadâna een grootschen aanblik moet hebben opgeleverd. Als ik mij eene voorstelling maak van de groote hal, met haar portieken, haar marmeren of porfieren zuilen, haar kapiteelen met de stierenbeelden, waarvan de oogen, de hoornen en de halskettingen verguld waren; met haar zoldering van cederhout, haar wandbekleeding met gekleurde tegels en email; haar rijk gekleurde en vergulde kroonlijsten; haar zijden draperiën voor de deuren, de fijne, zachte, kleurrijke tapijten op den vloer;—dan kan ik zeer goed begrijpen, welk een machtigen indruk de paleizen van den grooten koning op de bezoekers moesten maken.

Na dit gebouw nauwkeurig te hebben opgenomen, ga ik om een tweede monument heen, ten einde aan de oostzijde de trappen te gaan opzoeken, die daarheen toegang geven. Twee trappen, evenwijdig met den voorgevel, voeren naar eene op acht zuilen rustende portiek, het voorportaal van een paleis, dat, naar mij voorkomt, de bijzondere vertrekken van den monarch bevatte. Eene deur, ter wederzijde door twee vensters geflankeerd, geeft uit de portiek toegang tot een zuilenhal, waarvan de zoldering door zestien kolommen gedragen wordt. Deze zaal heeft vijf groote openingen of doorgangen, die de gemeenschap vormen met verschillende kamers en vertrekken, welke de middelste hal omringen. In de wanden ziet men verder, behalve de reeds genoemde vier vensters, die op de portiek uitkomen, groote rechthoekige nissen, overeenkomende met de takhtsjés, die men nog tegenwoordig in de perzische woningen vindt. De posten, de lijsten en de bekroningen der deuren en der vensters, alsmede de voetstukken der zuilen, zijn van donker-grijs porfier en uitmuntend bewerkt. Bladzijde 276

Rondom de nissen en de vensters, aan de binnenzijde der deuren, op de draagmuren der trappen, zijn, bij wijze van ornament, inscripties in zeer fraai spijkerschrift aangebracht. Deze opschriften deelen ons belangrijke bijzonderheden mede aangaande de stichting van dit paleis; wij vernemen daaruit dat het door Darius werd begonnen en door zijn zoon Xerxes voltooid.

Jachttafreel.

Jachttafreel.

Van het meeste belang zijn in deze oude vorstelijke woning wel de beeldwerken in bas-relief, waarmede zij versierd is. Deze beeldwerken, even als de inscripties, op de zijwanden der trappen en in de doorgangen der deuren aangebracht, verdienen niet alleen de aandacht en de belangstelling om hunne artistieke waarde, maar ook om hetgeen wij daaruit kunnen leeren ten aanzien van de kleederdracht en het huisraad der oude Perzen.

Tot op de regeering van Cyrus, droegen de Perzen het met beestevellen gevoerde gewaad, dat door de grieksche schrijvers, en met name door Aristophanes, onder den naam van het perzische wordt aangeduid. Dat is de tuniek, waarmede Cyrus op het bas-relief van Madereh-Soleïman is bekleed. Later, na de verovering van Medië, zoo verhaalt ons Herodotus, namen de veroveraars de verwijfde kleederdracht aan van de noordelijke Ariërs en de lange geborduurde kleederen der groote heeren van Ekbatana. De perzische koningen namen zelfs de tunieken, de drievoudige pantalons, de dubbele vesten en den mantel der medische dames over.

De eerste tuniek was wit en reikte niet verder dan tot aan de knieën; de tweede was met bloemen geborduurd en hing tot op de voeten; de mantel was in den winter van purper, en des zomers mede met bloemen geborduurd; de aanzienlijken droegen op het hoofd eene tiara, in vorm vrij wel overeenkomende met de hooge wollen mutsen, die nog heden ten dage de boeren in Farsistan dragen; de lieden uit de volksklasse droegen eene soort van muts van zachte vilt, die onder de kin werd vastgeknoopt. Herodotus schrijft aan dit soort van hoofddeksel de weinige vastheid en dikte van den schedel der Perzen toe.

De verandering in de mode, waarvan Herodotus en Strabo melding maken, wordt volkomen bevestigd door de bas-reliefs van Madereh-Soleïman en van Persepolis: het kostuum van Darius en zijne opvolgers verschilt ten eenemale van dat van Cyrus en komt daarentegen volkomen overeen met de tot ons gekomen beschrijving. Dit feit, waarvan ieder zich door de beschouwing der monumenten overtuigen kan, bevestigt ook hetgeen ik reeds vroeger opmerkte, dat de paleizen van Persepolis van jonger dagteekening zijn dan de gebouwen in de vlakte van den Polvar, en dat het bas-relief van Madereh-Soleïman inderdaad den grooten Cyrus voorstelt.

Het eerste bas-relief dat mijne aandacht trekt, stelt een jachttafreel voor. Op de jacht, en vermoedelijk bij alle gelegenheden als hij zijne volle vrijheid van beweging noodig had, bond de koning zijne tweede tuniek op en stak die in zijn gordel, terwijl hij zijn mantel over den schouder wierp. Zoo is hij te Persepolis afgebeeld. Een leeuw, soms ook een fabelachtig monster, staat op de achterpooten voor den koning, gereed hem aan te vallen. De monarch wacht den aanval af met die volmaakte kalmte, welke den echten Oosterling nooit verlaat, en steekt het monster met de rechterhand een dolk in de borst. De teekening en het modelé van dit beeldwerk, waarvan het onderwerp zoo vaak terugkeert, zijn in een zeer goeden stijl; de uitwerking is onberispelijk; het dier is blijkbaar naar de natuur bestudeerd, en ook de behandeling van de draperiën verraadt eene niet onbeteekenende mate van studie.