Thans verwezentlykt zich alles
Wat gy beiden had gedroomd:
Al die onbeschryfbre weelde
Komt u heden toegestroomd
Ofschoon een groot gedeelte der Vlaamse benden bij hopen de vijand in de velden achtervolgde, bleven er echter nog enige regelmatige scharen op het slagveld. Jan Borluut had zijn mannen doen blijven om volgens het gebruik des oorlogs het slagveld tot des anderendaags te bewaren, slechts weinig hadden door te hevige geestdrift dit bevel miskend; de bende welke hij met zich had, bestond nog uit drieduizend Gentenaars[164]: ook waren er menigvuldige mannen van alle wapenen die, door moeite of wonden afgemat, de vijand niet konden najagen en diensvolgens op het slagveld waren gebleven. Nu de strijd gewonnen was, nu de banden des Vaderlands gebroken waren, juichten de opgetogen Vlamingen met blijde kreten: "Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is! Zege! Zege!"
En dan antwoordden de Ieperlingen en Kortrijkers van de stadwallen met nog krachtigere galmen. Zij ook mochten zege roepen, want terwijl de twee legers elkander op de Groeningekouter bevochten, was de Kastelein van Lens met honderd zijner mannen van het kasteel in de stad gevallen, en zou dezelve wellicht gans verbrand hebben, maar de Ieperlingen vielen zo onversaagd op zijn bende dat de Fransen na een lang gevecht in wanorde op het kasteel terugvloden. Mijnheer Van Lens, zijn mannen optellende, bevond dat slechts het tiende deel aan de woede der Burgers ontsnapt was[165].
De meeste Aanleiders en Edelen waren in de legerplaats gegaan, en hadden zich rondom de gulden ridder geschaard: zij drukten door hun woorden al hun dankbaarheid voor hem uit; maar hij, vrezende zich te doen kennen, antwoordde niet. Gwyde, die bij hem stond, zich naar de ridders kerende, sprak tot hen: "Mijne heren, de ridder die ons allen en het Land van Vlaanderen zo wonderlijk gered heeft, is een kruisvaarder, die begeert dat men hem niet kenne.—De edelste zoon van Vlaanderen draagt zijn naam."
De ridders spraken niet, maar ieder poogde bij zich zelven te raden wie dit ook zijn kon, die zo edel, zo dapper, en zo sterk van lichaam was. Zij die bij de samenkomst, in het bos bij den Dale, tegenwoordig geweest waren, wisten reeds lang wie het was; maar zij dorsten hun mening niet ontdekken, aangezien zij het geheim plechtiglijk beloofd hadden. Onder de anderen waren er vele die niet twijfelden of het moest de Graaf van Vlaanderen zelf zijn; het was hun echter genoeg dat Gwyde de begeerte van de gulden ridder had doen kennen, om hun het stilzwijgen tot een plicht te maken.
Nadat Robrecht enige tijd met stille stem tot Gwyde gesproken had, liet hij zijn oog over al de bijzijnde scharen gaan. Wanneer hij insgelijks over het wijde slagveld gezien had, kwam hij nader bij Gwyde, en sprak: "Ik zie Adolf van Nieuwland niet, de benauwdheid doet mij sidderen. Gij weet het, zo de onversaagde jongeling onder het vijandlijk zwaard gevallen is ... dan zullen er zulke bittere tranen over hem gestort worden!"
"Gesneuveld zal hij niet zijn, Robrecht, mij dunkt dat ik zijn groene veder daar even tussen de bomen van het Neerlanderbos nog gezien heb. Gewis jaagt hij nu de overige vijanden na; gij hebt gezien met wat onweerhoudelijke drift hij steeds te midden der Fransen zich begaf. Vrees niet, God zal niet gedoogd hebben dat hij stierve."
"O Gwyde! Spraakt gij waarheid! Mijn hart breekt bij het vooruitzicht, dat mijn ongelukkig kind, op zulke blijde dag, met dodende pijnen zal gefolterd worden. Ik bid u, mijn broeder, doe de mannen van Mijnheer Borluut over het slagveld gaan, dat men zoeke of het lichaam van Adolf niet te vinden is.—Ik ga mijn kranke Machteld troosten; de tegenwoordigheid haars vaders geve haar tenminste een heuglijk ogenblik."
Hij groette de bijzijnde ridders met de hand, en rende snellijk in de richting der abdij van Groeninge. Gwyde beval Jan Borluut dat hij zijn mannen over het slagveld spreiden zou, om de gewonden onder de lijken uit te halen, en de dode ridders in de legerplaats te brengen.
De Gentenaars, op het slagveld tredende, bleven plotseling staan, alsof een ijslijk gezicht hen verstomd hadde. Nu de vervoerdheid des gevechts in hen vergaan was, dwaalden hun ogen met afgrijzen over dit wijduitgestrekte bloedbad, in hetwelke de geplette lijken, de paarden, de Standaarden met de afgehakte leden van zoveel duizenden mensen verward lagen te zwemmen[166]. In de verte zag men hier en daar een stervende de arm, als in een hulpgebed, omhoogheffen, en dezelve smekend uitreiken. Een vervaarlijk gerucht, honderdmaal akeliger dan de ontzaglijkste stilte, heerste boven de opgehoopte lichamen. Het was de stem der gewonden, roepende: "Drinken, drinken ...Om Godswil, drinken!"
De zon brandde met hevige gloed op hun ontblote spieren, en pijnigde hen met een onverdragelijke dorst, hun lippen kleefden aan elkander, en met moeite konden zij een ratelende doodsklacht vormen. De lucht was met zwarte raven als met een onweersbui behangen: het krassend geschreeuw dier vraatzuchtige roofvogels galmde, als de roep der dood, boven het slagveld, en vervulde de harten der levenden met een sombere verslagenheid. Weldra vielen de juichende vogels op de lijken neder, en scheurden met hun klauwen de nog bevende spieren eraf. De gewonden worstelden met angst tegen die afschuwelijke vijanden, en sidderden van schrik, wanneer zij dachten dat ieder dezer dieren een deel van hun vlees eten zou;—voor hen geen ander graf dan het lijf der raven—voor hen geen rustplaats na de dood, geen gewijde aarde om tot de jongste dag te slapen...!
Wat schriklijk vooruitzicht! Welke hartplettende gedachte!
Ontellijke verhongerde honden waren op de reuk van het bloed uit de stad gekomen, zij liepen van het ene lijk naar het andere, en huilden met lange tonen zo vervaarlijk tegen elkander op, dat men zou gedacht hebben dat de hel haar duivelen uitgezonden had om de komst van zovele zielen te bezingen. Nochtans scheurden deze dieren niet aan de lichamen; integendeel schenen zij dit misbaar uit droefheid over de gesneuvelden te vormen. Alhoewel zij soms hier of daar het bloed der mensen met het bloed der paarden opslurpten, vochten zij echter met nijdigheid tegen de raven, en behoedden alzo menig lichaam voor derzelver schendende klauwen.—Bij al die schrikbarende geruchten voegde zich het doffe briesen of liever het gehuil der stervende paarden en de juichende zegeroepen der in de stad zijnde mannen. Afschuwelijk,—afschuwelijk was het gezicht van zoveel gesneuvelde dapperen die nu, met de blauwe doodsverf op het aangezicht tussen hun verstrooide leden voor eeuwig sliepen[167].
De oorlogstichtende Vorst, die na de strijd over het slagveld wandelt, die zijn Konings voeten in het bloed, dat hij deed storten, plaatst, moet in zijn eigen ogen een boosaardig schepsel zijn, wanneer hij zichzelven toespreekt en zegt: "Gij zijt het, op wiens hoofd zoveel edel bloed drijft; gij zijt het, die in één dag meer moorden hebt gedaan dan al de moordenaars uws Rijks gedaan hebben."
Indien hij dan het vloekbaar zwaard niet voor altijd vallen laat, men verachte hem als een wanschepsel; want hij heeft geen hart, geen ziel, en is de naam van Mens niet waardig.—En de volken, die de grote euveldaden zowel als de grote deugden bewonderen, geven aan zulke de naam van held, en zeggen: hij is groot.—Omdat hij het mensenbloed bij stromen vergoten heeft!—Omdat hij niet als een struikrover onder de naam van rover, maar als een Koning en onder de naam van Koning gemoord heeft! Wat misdadig vermaak vinden de mensen dan in hun eigen vernieling, dat zij de werktuigen derzelve met alles wat men op aarde begeren kan, belonen?
Naarmate de Gentenaren zich over het slagveld uitspreidden, vlogen de raven voor hen op, en gingen verder op een prooi azen. Men zocht onder al de neerliggenden, diegenen wier boezem nog klopte, en men droeg dezelve in de legerplaats, om ze tot het leven terug te roepen. Een talrijke bende was in alle slag van vaten vers water uit de Gaverse beek gaan putten om de nog levenden te laven. Het was treffend en zielroerend te zien, hoe gulzig de gewonden het koele water als het leven inzogen, en hoe dankbaar zij, met een glinsterende traan van vreugde, die lafenis uit de handen hunner broederen of hunner vijanden ontvingen[168]. Wanneer men dus met één bezig was, hieven zich in de nabijheid menige armen smekend omhoog, en vele zwakke stemmen zuchtten: "O laaft mij ook,—een enkele druppel water!—Bij de passie onzes Zaligmakers, ik bezweer u, broederen, maakt mijne lippen nat en bevrijdt mij van de dood ..."
De Gentenaars hadden het bevel ontvangen om de Vlaamse ridders, die zij vinden konden, dood of levend, naar de legerplaats te dragen; reeds hadden zij bijna de helft der lijken verplaatst en een goed deel van het slagveld overzocht. De lichamen der edele heren Salomon van Zevekote, Philip van Hofstade, Eustachius Sporkyn, Jan van Severen, Pieter van Brugge waren reeds weggedragen, en men was bezig met het harnas van de gewonde Jan, heer van Machelen, los te maken.—Zij waren nu tot de plaats, waar men het hardnekkigst gevochten had, genaderd, want grote hopen lijken lagen verward en bebloed rondom hen. Terwijl zij bezig waren met Mijnheer Van Machelen te laven, hoorden zij eensklaps een ratelende zucht, als uit de grond opkomen; zij luisterden, maar ontwaarden niets meer: geen enkel der om hen liggende lichamen gaf het minste teken van leven. De lijken verplaatsende, om de klagende op te zoeken, hoorden zij nogmaals de zucht, en bemerkten dat hij een weinig verder tussen geslachte paarden opklom; meteen liepen er anderen bij, om hun makkers te helpen. Na lange pogingen sleurden zij de paarden terzijde en vonden de stervende ridder.
Hij lag uitgestrekt op de rug, het bloed stroomde murmelend onder hem, en wendde zich kronkelend als een bron naar de Groeningebeek. Afgehakte leden lagen om hem gezaaid; zijn harnas was onder een paard geplet geweest, zijn rechterhand had het slagzwaard nog niet verlaten, terwijl hij met zijn linkerhand een groene sluier vasthield; zijn wangen waren bleek, en droegen het kenteken der aankomende dood. Dwalend en flauw blikte hij op degenen die hem kwamen verlossen; zijn zwakke wimpers hadden geen kracht meer om de verduisterde oogappels voor het gloeiend zonnelicht te behoeden. Jan Borluut herkende de ongelukkige Adolf van Nieuwland.
In allerhaast deed men de riemen van zijn harnas los; men hief zijn hoofd uit het slijk, en bevochtigde zijn lippen met verkwikkend water. Zijn stervende stem suisde enige onverstaanbare woorden, en zijn ogen sloten zich ditmaal gans toe, alsof zijn ziel uit het geplette lichaam ontvlogen was. De nieuwe lucht en de lafenis hadden hem fel geschokt, hij bleef enige ogenblikken in bezwijming; dan weder ontwakende, maar even zwak, nam hij de hand van Mijnheer Borluut, en sprak zo langzaam, dat tussen elk woord een lange poos was: "Ik sterf Gij ziet het, Mijnheer Jan, mijn ziel zal niet lang meer op aarde blijven.—Maar—beween mij niet.—Ik sterf vergenoegd—nu het Vaderland gewroken is ..."
Zijn adem was te kort om langer te kunnen spreken; hij liet zijn hoofd in de arm van Jan Borluut neervallen, en scheen meer kracht te willen verzamelen voor hetgeen hij hem nog wilde zeggen. Dan sprak hij: "O, Ik bid u—hoor mij in dit stervensuur. Beloof mij dat gij mijn laatste begeerte zult volbrengen."
"Ik zweer het bij God en mijn eer," antwoordde Borluut met een doffe toon, die zijn droefheid te kennen gaf.
Adolf bezag hem met dankbaarheid, en hernam: "Ik zou de aarde zonder droefheid verlaten, want er is nog een wereld na deze;—maar mijn ziel heeft zich der liefde van een aanbiddelijk beeld gewoon gemaakt. Zij zal de afwezendheid van hetzelve na de dood betreuren,—en wellicht zal ik in het koude graf geen rust vinden. Zij zal mij roepen, en ik zal niet komen."
Twee tranen, welke over zijn wangen rolden, trokken het smartwater uit de ogen van allen die hem omringden. Jan Borluut verstond hem niet; hij begreep wel dat de liefde voor een vrouw de stervende aldus deed spreken, maar hij kon niet raden wie die betreurde minnares zijn mocht: hij luisterde met meer aandacht op de woorden van Adolf. Deze hernam: "Ik aanbad Machteld zo vurig,—zij beminde mij zo teder,—en nu,—nu scheurt het noodlot onze harten bloedend van elkaar. Ik smeek u, Mijnheer Jan, ga en troost haar, geef haar die sluier, welke in het bloed der vreemden gedoopt is; dat zij dezelve als een teken mijner liefde beware, dat zij nog na mijn dood aan mij denke—en dat zij om de lafenis mijner ziel bidde.—Ik voel de jagingen mijns harten vergaan, de dood heeft mij geraakt. Vaarwel ... mijn vriend, mijn broeder, wij zullen elkander daar ..."
Bij dit vaarwel poogde hij zijn hand op te heffen, om naar de hemel te wijzen, doch hij kon niet meer: zijn ogen sloten zich, en het leven scheen in hem op te houden.—Nochtans bleef zijn boezem kloppen, en de warmte verliet zijn lichaam niet. Jan Borluut bewaarde nog enige twijfelachtige hoop, en deed de gewonde ridder met alle mogelijke voorzichtigheid naar de legerplaats voeren.
Machteld had zich met de zuster van Adolf, vóór het gevecht, in een cel der abdij van Groeninge vertrokken. Er was voorzeker op dit ogenblik niemand in Vlaanderen die met meer benauwdheid dan die ongelukkige Jonkvrouw gepijnigd was: dwars door alle slag van rampen was zij nu zo ver gekomen dat Adolf haar ten bruidegom beloofd was, dat Vlaanderens vrijmaking en de verlossing haars vaders haar toelachten. Alles, wat haar gelukkig op aarde maken kon, was in de strijd, welke ging aanvangen, tegen een ongelijke macht gewaagd.
Indien de Fransen de zege behaalden, voorzag zij de dood haars vaders, de dood haars minnaars, en de vernietiging van alles, waarop zij haar hoop gevestigd had.
Zodra de krijgsbazuin haar klanken over het slagveld zond, sidderden de twee vrouwen, en verbleekten alsof een dodelijke slag haar terzelfder tijd getroffen had; beide beefden voor de man, wiens leven ook haar leven was.—In zulke bange ogenblikken konden zij de aandoeningen harer ziel moeilijk uitdrukken; want ieder woord baarde haar een akeliger vooruitzicht; ook waren zij tegelijk op de knielbank neergezonken, haar hoofden rustten zwaar op de lessenaar en haar tranen lekten in stilte over haar wangen.—Daar zaten zij, vurig biddende, zonder zich te bewegen, alsof zij in een diepe slaap geweest waren; van tijd tot tijd kwam een doffe snik uit haar borsten, wanneer het gedruis des strijds zich meer verhief, en dan zuchtte Maria: "O God almachtig, God der heirkrachten, ontferm u onzer. Staat ons bij in de nood, o Heer!"
En de fijne stem van Machteld antwoordde: "O Zoete Jezus Zaligmaker, behoed hem!—En roep hem niet tot u, o goedertieren God!"
"Heilige moeder Gods, bid voor ons."
"O Moeder van Christus, troosteres der bedrukten, bid voor hem!"
Dan kwam het donderend krijgsgerucht meer akelig in haar geschokte harten galmen, en haar handen trilden van schrik als de waggelende bladen der populieren; haar hoofden bogen zich dieper, haar tranen barstten overvloediger uit haar ogen, en haar gebed werd weder onvatbaar; want de benauwdheid ontnam haar de stem.
De strijd duurde lang, het ijselijk geschreeuw der tegen elkander oplopende scharen dreef lang boven de abdij van Groeninge, maar nog langer duurde het stille gebed der vrouwen, want de gulden ridder klopte reeds aan de poort van het klooster, en zij waren nog niet van de knielbank opgestaan. Galmende mannenstappen, welke in de gang der cel klonken, deden haar het hoofd omwenden; zij blikten stijf op de deur en trilden beiden van zoet voorgevoel.
"Adolf komt weer!" zuchtte Maria. "Ho, ons gebed is verhoord geweest."
Machteld luisterde met meer aandacht, en antwoordde mistroostig:
"Neen, neen hij is het niet, zijn tred is niet zo zwaar. O Maria, misschien een ongeluksbode!"
Op dit ogenblik hoorde men de deur der cel op haar hangsels krijsen; een non opende dezelve en liet de gulden ridder binnen.
Het tengere lichaam van Machteld werd stijf, haar ogen hechtten zich twijfelachtig op degene die voor haar stond en zijn armen opende om haar te ontvangen; het scheen haar dat een logendroom haar bedroog, maar die aandoening was vluchtiger dan de bliksem die schijnt en vergaat. Zij wierp zich met onstuimigheid vooruit, en viel juichend tegen de borst des gulden ridders.
"Mijn vader," riep zij, "o mijn dierbare vader! Ik zie u weer, vrij, zonder keten! Laat mij u in mijn armen sluiten.—O God, hoe goed zijt Gij!—Onttrek mij uw wang niet, lieve vader; laat mij de vreugde, die ik gevoel, uitstorten."
Robrecht van Bethune omhelsde zijn teder kind met opgetogen blijdschap, hij hield haar tegen zijn boezem totdat de geestdrift hunner beider harten wat gezonken was, en legde dan zijn helm en zijn ijzeren handschoenen op de knielbank. Door moeite afgemat, trok hij een zetel bij, en liet zich in dezelve neergaan. De liefderijke Machteld wierp zich op de schoot haars vaders, en omving zijn hals in beide haar armen; dan bezag zij met bewonderende eerbied degene wiens gelaat voor haar zo heilgevend als het aanschijn der Godheid was, de Man wiens edel bloed ook in haar aderen vloeide en die haar zo teder en zo innig beminde. Zij luisterde met hijgende boezem op de zoete woorden welke de geliefde stem in haar oor deed klinken.
"Machteld," sprak hij, "mijn edel kind, de Heer heeft ons lang beproefd; maar nu is al ons leed ten einde, Vlaanderen is vrij, het Vaderland is gewroken, de zwarte Leeuw heeft al de Leliebloemen gescheurd, en al de vreemden zijn verslagen; vrees nu niet meer, de boze soldeniers, welke Johanna van Navarra gezonden had, zijn dood."
Het meisje vatte de woorden met angstige gretigheid op de mond haars vaders, zij blikte dwalend in zijn ogen en glimlachte met zonderlinge uitdrukking. De vreugde vervoerde haar zo zeer, dat zij beweegloos lag, alsof zij van gevoel ware beroofd geweest. Na enige ogenblikken bemerkte zij dat haar vader niet meer sprak, zij riep: "O God! Het Vaderland is vrij?—De Fransen zijn verslagen? En u mijn vader, u bezit ik weder! Dan zullen wij nog in ons schone Wijnendale terugkeren; de droefheid zal uw oude dagen niet meer bitter maken, en ik zal mijn leven zo vrolijk en zo zalig in uw armen doorbrengen! Dit geluk mocht ik niet hopen, ik dorst zo veel van God in mijn gebeden niet vragen."
"Luister wel, mijn kind, en word niet mistroostig, ik bid u: heden moet ik u weder verlaten. De edelmoedige krijgsman, die mij ditmaal nog van de banden heeft ontslagen, ontving mijn erewoord dat ik zou terugkeren, zodra de slag zou geleverd zijn."
Het meisje liet het hoofd met diepe treurnis op de borst zinken, en zuchtte: "Zij zullen u vermoorden, mijn rampzalige vader!"
"Wees toch zo bevreesd niet, Machteld," hernam Robrecht. "Mijn broeder Gwyde heeft zestig Franse ridders, van edelen bloede, gevangen genomen; men zal Philippe le Bel doen aankondigen dat hun leven voor het mijne verpand is; en het is hem niet veroorloofd die overblijvende dapperen aan zijn wraakzucht op te offeren. Ik heb niets meer te duchten, Vlaanderen is machtiger dan Frankrijk; dus bid ik u dat gij niet weent. Wees blijde, de schoonste toekomst wacht ons; ik zal het slot Wijnendale doen herstellen, om ons allen weer te ontvangen. Dan zullen wij nog samen ter valkenjacht uitgaan; verstaat gij, hoe vrolijk onze eerste tocht zijn zal."
Een glimlach van onuitsprekelijk geluk en een zoen van tedere liefde waren Machtelds antwoord. En mijn echtgenoot zal met ons wonen! was het gedacht dat haar nog meer streelde. Zij zegde: "Maar dierbare vader, gij spreekt mij niet van Adolf. Waarom komt hij niet met u?"
"Nog enige zorgen houden hem bezig, mijn kind; er lopen nog verstrooide vijanden door de velden, gewis vervolgt hij dezelve. Machteld, ik mag u zeggen dat de liefde u de edelste ridder, die ik ken, heeft doen kiezen; nooit zag ik iemand zich zo dapper gedragen. De vijanden vielen voor zijn zwaard bij hopen neer, hij was altijd te midden der Fransen, en stelde zich honderdmaal in levensgevaar. Nu ook is het mijn wil dat hij uw hand, ten toon zijner trouw en vaderlandsliefde, ontvange; heden nog, indien God het toelaat, zal ik u de man uws harten schenken."
Machteld liet het hoofd neergaan, om het schaamrood, dat haar wangen kwam verven, te verbergen: zij vatte de hand haars vaders en streelde dezelve met dankbare tederheid.—Opgetogen stond Maria op de loftuitingen haar broeder gegeven, te luisteren, zij verblijdde zich over hetgeen zij hoorde, en zag de vreugde, die Adolf treffen moest, in een gulden droom vooruit.
Terwijl de jonge Machteld haar vader in verrukking bezag, hoorde men een groot gerucht van verwarde stemmen aan de voorpoort van het klooster. Dit duurde slechts enige ogenblikken, en alles werd weder stil. Weldra werd de deur der cel geopend, en Gwyde, de broeder van Robrecht, trad langzaam en met verslagen gelaat binnen; hij naderde bij hem, en sprak: "Een groot ongeluk, mijn broeder, treft ons heden in een man die ons allen dierbaar is, de Gentenaars hebben hem op het slagveld uit de doden opgehaald, en hier in het klooster gebracht; zijn ziel zweeft op zijn lippen en wellicht is zijn stervensuur nabij. Hij vraagt om u nog te zien eer hij de wereld verlaat. Ik bid u dan, mijn broeder, bewijs hem die laatste gunst."
Zich naar de zuster van Adolf kerende, voegde hij er bij: "Hij roept u insgelijks, Edelvrouw."
Eenzelfde klacht, een pijnlijke schreeuw ontvloog uit de borst van beider vrouwen. Machteld viel zonder gevoel in de armen haars vaders, en scheen te sterven; Maria, zonder ergens naar te willen luisteren sprong met hartscheurend misbaar naar de deur, en verliet de kamer. Op die noodkreten kwamen twee nonnen binnen, en ontvingen de zwakke Machteld uit de armen van de gulden ridder; deze zoende zijn dochter met pijnend medelijden, en wilde de stervende Adolf gaan bezoeken, maar de Jonkvrouw, die de ogen opende en zijn inzicht verstond, rukte zich uit de handen der nonnen, en zich aan Robrechts lichaam vasthechtende, riep zij: "Laat mij met u gaan, o vader! Dat hij mij nog eenmaal zie. Wee mij, wat grievend zwaard gaat door mijn boezem! Mijn vader, ik sterf met hem;—reeds voel ik de dood in mij—ik wil hem zien; haast u, kom, o kom ras!—Hij sterft—hij, Adolf!"
Robrecht bezag zijn dochter met medelijden; geen woorden vindende om haar te troosten, bracht hij zijn twee armen om haar en drukte ze vast tegen zijn borst, maar Machteld ontwrong zich welhaast uit die tedere banden; zij trok Robrecht met de hand voort, roepende: "O Vader, ontferm u mijner! Kom, dat ik nog eenmaal zijn stem hore, dat zijn ogen nog eenmaal levend mij aanschouwen!"
Zij knielde neer voor hem en hernam, terwijl de tranen als uit twee bronnen over haar wangen liepen: "Ik smeek u, vader, verwerp mijn bede niet. Het is de droefheid niet die mij vervoert; maar de min drijft mij tot hem.—Aanhoor mij, o heer en vader!"
Robrecht had liefst zijn kind der nonnen overgelaten, want hij vreesde met reden dat het gezicht van de stervende ridder haar al te zeer treffen zou; echter kon hij het dringend gebed van Machteld niet langer verwerpen; hij nam haar onder de arm, en sprak: "Welaan, mijn dochter, ga met mij, en bezoek uw ongelukkige Adolf. Maar ik bid u, bedroef mij niet zozeer door uw wanhoop; denk dat God ons heden vele grote gunsten heeft bewezen, en dat Hij zich kan vergrammen om uw vertwijfeling."
Zij waren reeds in de gang en uit de cel, wanneer hij die woorden eindigde.
Men had Adolf in de grote eetzaal van het klooster gebracht; een vederen bed was op de grond gelegd, en Adolf voorzichtiglijk op hetzelve geplaatst. Een Priester, in de geneeskunde zeer ervaren, had zijn lichaam met veel nauwkeurigheid onderzocht en geen open wonden erop bevonden; lange blauwe strepen tekenden de ontvangen slagen op zijn huid af, en zware kneuzingen hadden het bloed onder dezelve vergaderd en gestold: zijn leden werden onmiddellijk, na de aderlating gewassen en met krachtgevende balsem bestreken. Door de kundige zorg des Priesters was hij een weinig versterkt geworden; echter scheen hij nog altijd stervensgereed, alhoewel zijn ogen zo asvervig of zo verglaasd niet meer waren. Rondom het doodsbed stond een groot getal ridders stilzwijgend over hun vriend te treuren. Mijnheer Jan van Renesse, Arnold van Oudenaarde en Pieter Deconinck hielpen de Priester in zijn bezigheden. Willem van Gulik, Jan Borluut en Boudewyn van Papenrode bevonden zich aan de linkerzijde, terwijl de jonge Gwyde met Jan Breydel en de andere voornaamste ridders aan het voeteinde met gebukt hoofd op de gewonde staarden.
Breydel was afschuwelijk om aan te zien: zijn wangen waren opengekrabd, een bebloede doek bedekte de helft van zijn hoofd, zijn armen en klederen waren gescheurd, en zijn botgehakte bijl hing aan zijn zijde. De andere ridders hadden insgelijks het een of ander lid met doeken omwonden, en de uitrusting van allen was schriklijk geblutst en doorhakt.—Maria, wenende, zat geknield nevens haar broeder, zij had een zijner handen gevat, en besproeide dezelve met tranen, terwijl Adolf haar met flauwe blikken bezag.
Zodra Robrecht met zijn dochter in de zaal trad, werden al de ridders met ontroering en verwondering getroffen. Hij die hen, als een geheime verlosser, in de nood was toegekomen, was de Leeuw van Vlaanderen, hun Graaf!—Zij plaatsten allen, met de diepste eerbied de ene knie ten gronde, en spraken: "Ere zij de Leeuw, onze heer!"
Robrecht liet zijn dochter los, hief de heren Jan Borluut en Van Renesse van de grond, en zoende hen beiden op de wang; hij deed aan de overigen een teken dat zij zouden opstaan, en sprak: "Mijn trouwe onderdanen, mijn vrienden, gij hebt mij heden bewezen hoe machtig een heldenvolk is. Mijn geringe kroon draag ik nu met meer hoogmoed dan Philippe le Bel die van het Franse Rijk draagt, want over u mag ik mij met recht verhovaardigen."
Machteld had zich als zinneloos nevens het hoofd van Adolf neergeworpen; de schaamte en de zedigheid harer kunne vergat zij op dit ogenblik: zij had haar lippen meermalen zonder het te weten op de bleke wangen haars beminden geplaatst, haar tranen vloeiden bitter en droeve snikken gingen brandend uit haar beklemde borst.
Adolf voelde zich onder de liefdezoenen zijner aangebeden Machteld herleven; hij bleef lang sprakeloos in die blauwe ogen, voor hem zo heilig, staren, en gaf zijn vreugde door een zachte en bijna onvatbare glimlach te kennen.—Eindelijk zuchtte hij met zwakke stem: "Machteld, mijn aangebeden vriendin, ik wilde u door dapperheid en heldenmoed verdienen, uw sluier heb ik dwars door het vijandlijk leger gedragen, vele Fransen zijn onder mijn zwaard gevallen; maar God heeft mij tot zich geroepen. Ik moet u verlaten: die overtuiging martelt mij. Gij, die mij zozeer bemindet, gij die eens het bloed van uw doorluchtige stam mijn zonen moest meedelen, gij waart mij niet bestemd. De Heer had anders over ons beiden beschikt."
De gepijnigde Jonkvrouw joeg haar handen bevend en met drift over de verlamde leden van de ridder. Zij meende enige troostende woorden uit te spreken, maar haar stem versmoorde in doffe snikken.
Dan hernam Adolf: "Ween niet, welbeminde Machteld, er is nog een ander leven. Daar zullen onze zielen elkander wederzien, en dan zal de nijdige dood ons niet meer kunnen scheiden. Blijf op aarde, o mijn zuivere bruid, wees de steun der oude dagen van uw doorluchtige vader,—en denk soms in uw gebeden aan de man, die gij bemindet."
De rampzalige jongeling wist niet dat ieder zijner woorden, als een vergiftige dolk, door het hart zijner bedrukte minnares boorde. Afgemat door zo lange woorden, drukte hij stilzwijgend de hand zijner geliefde. Robrecht van Bethune stond met gebogen hoofd op dit toneel te staren; hij dreef de bittere tranen terug in zijn ogen, en besloot de angst in zijn boezem. Adolf bemerkte hem en sprak: "O mijn heer en Graaf, uw milde hand schonk mij de rijkste gift, welke op aarde de mens kan gegeven worden; de Hemel heeft u beloond. Het land uwer vaderen is vrijgemaakt, gij zult de leeuwentroon in vredevolle dagen bezitten. Ik sterf met vreugde, nu de toekomst u en uw edele dochter blijdere dagen voorspelt.—O geloof mij in mijn stervensuur, uw ongeluk was voor mij, uw onwaardige dienaar, pijnlijker dan voor uzelf, ik heb in het geheim der nachten mijn bedstede zo menigmaal met tranen besproeid, wanneer ik aan uw gevangenis en aan de verdrukking des Vaderlands dacht... Maar God!—Wat is dit? Het schijnt mij dat een nieuwe kracht mij door de aderen vliet,—zou ik langer leven kunnen!—O Machteld, gij hebt uw hand op mijn borst gelegd;—dit is het, wat mij zo wonderlijk verkwikt."
De ogen van Adolf blonken met meer levendigheid; een zachte glimlach zweefde op zijn lippen, en men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van de dood ging opstaan.
"O, gij zult niet sterven!" riep Machteld. "Hier, in mijn hart is een stem, die mij zegt dat de Heer u nog niet geroepen heeft."
Zij wendde zich met een haastige beweging om, knielde neer, vouwde de handen te saam, en zag met smekende ogen ten hemel. Alsof de Almachtige dit stil en plechtig gebed verhoord had, zag men de krachten in Adolf terugkomen.—De Priester had, gedurende dit toneel, de zieke met scherpe blikken bezien en al de aandoeningen, welke hem getroffen hadden, nagespeurd. Hij nam en tastte de hand van Adolf met een geheim inzicht, terwijl al de aanschouwers hem met angst in zijn bewegingen volgden; zij zagen op het gelaat des Priesters dat alle hoop voor de behoudenis van de gewonde nog niet verloren was. De Geestelijke ging stilzwijgend voort; hij hief de oogleden van de zieke op en bezag dezelve, opende hem de mond en liet zijn hand over zijn blote borst glijden. Dit gedaan zijnde, keerde hij zich naar de omstaande ridders, en sprak op de toon der innigste overtuiging: "Ik zeg u, Mijne heren, de koorts, welke deze jonge ridder moest doden, is voorbij.—Hij zal niet sterven!"
Al de ridders werden door een zonderlinge aandoening getroffen, en men zou geloofd hebben dat een doodvonnis uit de mond des Priesters geklonken had; maar die hevige ontroering van verwondering liet hun welhaast toe hun blijdschap door woorden en gebaren uit te drukken.
Maria had de aankondiging des Priesters met een luide kreet beantwoord, en had haar broeder in opgetogenheid omhelsd. Machteld bezweek, haar krachten vergingen; eensklaps opspringende, viel zij hijgend in de armen haars vaders en, daar haar hart te zeer door zalige verrukking geschokt was, kon zij in den eerste niet spreken; nochtans sloten haar ogen zich niet, en de kleuren vergingen ook niet op haar wangen. Eindelijk riep zij: "O mijn vader, o mijn Adolf, nu ben ik gelukkig! Ik dank de goedertieren God dat hij het gebed zijner ootmoedige dienares zo spoedig verhoord heeft.—Ja, gij zult leven, mijn Adolf, mijn bruidegom!—Ik zie het, uw ogen blinken met het vuur des levens."
"Machteld," zuchtte Adolf, "aangebeden vrouw, wat kracht heeft uw engelenstem bij God, dat zij mij aldus van de dood terugroept?—O ja, mijn tedergeliefde, ik zal leven,—het hart jaagt mij zo krachtig!"
Hetgeen zij allen als een wonderwerk aanzagen, was een natuurlijk gevolg van Adolfs toestand. Hij had geen open noch diepe wonden, maar wel menigvuldige kneuzingen; de martelpijnen, welke dezelve veroorzaakten, hadden hem een gevaarlijke koorts, die hem moest wegrukken, gebaard: maar de tegenwoordigheid van Machteld, de krachten zijner ziel verdubbeld hebbende, joeg de doodkoorts van hem, en zo ontsnapte hij aan het graf, dat reeds op hem gaapte.
Robrecht van Bethune liet zijn van geluk verdwaalde dochter nevens Adolf geknield zitten, en voor de ridders komende, sprak hij tot hen in dezer voege: "Gij, edelste mannen van Vlaanderen, hebt heden een zege behaald, welke als een bewijs uwer hoge manhaftigheid tot onze zonen zal overgaan; gij hebt de ganse wereld getoond wat het de vreemde kost op onze Leeuwenbodem de voet te durven zetten. De liefde tot het Vaderland heeft uw heldenzielen in ongekende onversaagdheid doen ontsteken, en uw armen, door een rechtvaardige wraakzucht verstaald, hebben de dwingelanden verslagen. De vrijheid is dierbaar aan een volk dat dezelve met zijn bloed heeft bezegeld. Nu kunnen al de Vorsten van het Westen de Vlamingen geen ogenblik meer tot slaven maken; want gij zoudt allen sterven eer men over u zegepralen zou. Maar dit mogen wij niet meer vrezen, Vlaanderen heeft zich heden boven alle andere volken verheven, en het is aan u, edele mannen, dat het Vaderland die luister verschuldigd is. Nu willen wij dat de vrede en de rust onze onderdanen om hun trouw belone; het zal mij een geluk zijn door hen allen met de naam van vader begroet te worden, indien onze zorgende liefde en onophoudende pogingen om hen gelukkig te maken ons die naam kunnen verdienen. Nochtans, ware het zaak dat de Fransen dorsten wederkomen, zouden wij nog de Leeuw van Vlaanderen worden, en onze marteel zou u nogmaals ten strijde voeren. Wij bidden u, Mijne heren, zodra gij in uw lenen zult teruggekeerd zijn, bedaart de gemoederen, brengt alles tot rust, opdat de zege door geen oproerigheid bevlekt worde, en lijdt bovenal niet dat het volk meer vervolgingen tegen de Leliaards aanvange: het behoort ons over dezelve recht te doen. Wij moeten u verlaten. In onze afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.
"Ons verlaten!" riep Jan Borluut met ongeloof. "Gij keert naar Frankrijk weder? Doe het niet, edele Graaf, zij zullen hun nederlaag op u wreken."
"Mijne heren," viel Robrecht in, "ik vraag het u; wie onder u is er, die uit vreze des doods zijn erewoord en zijn riddertrouw zou willen breken?"
Zij bukten tegelijk het hoofd, en spraken geen woord; met droefheid verstonden zij dat niets hun Graaf kon wederhouden. Deze ging voort: "Mijnheer Deconinck, uw diepe wijsheid is ons van groot nut geweest en zal het nog zijn; wij roepen u in onze Raad, en begeren dat gij met ons aan het graaflijk Hof verblijft. Mijnheer Breydel, uw dapperheid en trouw verdienen een grote beloning; wees van nu af en voor altijd, opperbevelhebber van al uw stadsgenoten, die ons met wapens dienen kunnen; wij weten hoe eerlijk gij dit ambt kunt bekleden.
Daarenboven zult gij ook tot ons Hof behoren en bij hetzelve kunnen wonen, indien u dit belieft—En gij Adolf, gij die uw leven zo menigmaal voor ons en het Vaderland gewaagd hebt, u zij het kind, dat ik bovenal bemin, geschonken en gegeven."
Sedert enige tijd hoorde men een groot gedruis aan de voorpoort der abdij. Het was even alsof er een oploop des volks plaats had. Dit gerucht groeide gedurig meer en meer aan, en bij pozen verhief het zich in een hevig gejuich. Er kwam een non aankondigen dat er een grote menigte volks voor de poort stond, dat zij onophoudend schreeuwden dat zij de gulden ridder zien wilden. De deur der zaal open zijnde, klonk het gejuich verstaanbaar in de oren der ridders "Vlaanderen de Leeuw! Heil onze verlosser! Heil, heil!"
Robrecht keerde zich tot de non, en sprak "Gelief hun te doen zeggen dat de gulden ridder, die zij roepen, binnen weinig ogenblikken onder hen komen zal."
Machteld had haar arm onder het hoofd van Adolf gelegd en hetzelve met tedere zorg opgelicht, zachte onverstaanbare liefdeswoorden werden nu rustiglijk tussen hen verwisseld. Van tijd tot tijd nochtans kon men de woorden Bruid en Bruidegom op hun lippen vatten. Geen enkele traan vloeide nog uit de ogen der vrouwen. Maria zat bij de andere zijde der legerstede geknield en mengde haar zoete vriendinnenstem tussen dit troostend en brandend gesprek. De vreugde, welke de harten der meisjes vervulde, was een zalige aandoening, alleen op haar gelaat merkbaar, vol betrouwen in de plechtige woorden des Priesters vreesden zij niets meer, hun hart liep over van geluk.
Robrecht van Bethune kwam bij de kranke ridder, vatte hem de nog slappe hand, en sprak "Adolf van Nieuwland, mijn dierbare Machteld is uw echtgenote, de zegen des Almachtigen dale over uw hoofden en geve aan uw kinderen de dapperheid huns vaders en de tederheid hunner moeder. Het doorluchtig bloed der Graven van Vlaanderen menge zich met uw edele stam. Gij hebt meer verdiend, maar het is niet in mijn macht u een kostelijker geschenk te geven dan het kind dat de troost en de steun mijner oude dagen zijn moest."
Hij voegde de hand van Machteld in die van Adolf en hernam "Weest gelukkig, bemint elkander zozeer als ik u beiden bemin—Gij, Priester, dienaar Gods, gelief uw zegen bij de mijne te voegen, totdat een wettig huwelijk hen voor het altaar verenige."
De Priester trad nader, en bad in stilte over de twee bevende gelieven. Hun ogen waren ten gronde gevestigd, hun harten joegen met kracht, en niettegenstaande de zwakheid van Adolf, brandde zijn hand in de hand zijner aangebeden bruid.
Robrecht kwam vooruit bij Gwyde.
"Mijn lieve broeder," sprak hij, "ik begeer dat dit huwelijk zo spoedig mogelijk met pracht gevierd worde en door de gewone vormen der wetten worde bekrachtigd, dit is mijn innige wens.
Mijne heren, ik ga u verlaten, met de hoop dat ik welhaast vrij en zonder hinder het geluk mijner trouwe onderdanen zal mogen bewerken. Ik verzoek u allen dat gij het grootste geheim over de echte naam van de gulden ridder bewaart, mijn broeder Gwyde zal de lieden der abdij dit insgelijks bevelen."
Na die woorden, ging hij tot Adolf, en kuste hem op de wang.
"Vaarwel, mijn zoon," zegde hij.
En zijn Machteld tegen de borst drukkende: "Vaarwel, mijn beminde Machteld. Ween nu met meer over mij, ik ben gelukkig, nu het Vaderland gewroken is."
Dan omhelsde hij nog zijn broeder Gwyde, Willem van Gulik en enige andere ridders, zijn vrienden, hij drukte met ontroering de hand van allen en riep heengaande: "Vaartwel, vaartwel, gij allen mijn trouwe wapenbroeders!"
Op de voorhof klom hij te paard, en deed zijn uitrusting aan, hij liet het voorstuk van zijn helm vallen, en reed ter poorte uit. Een ontellijke schaar volks had zich voor dezelve vergaderd, zodra zij de gulden ridder zagen, scheidden zij zich in twee, om hem door te laten, en begonnen met allerlei juichingskreten hem te begroeten. "Heil de gulden ridder, zege! zege! Onze verlosser!" werd honderd malen met nieuwe galmen herhaald. Zij zwaaiden hun handen, ten teken van blijdschap, in de lucht, en raapten de aarde, als een heiligdom uit de voetstappen van zijn paard. In hun bijgelovigheid dachten zij dat St.-Joris, die men gedurende het gevecht in al de kerken van Kortrijk had aanroepen, onder deze gedaante hun was ter hulp gekomen. De langzame stap des ridders en zijn stilzwijgendheid staafden die gissing, en velen vielen, terwijl hij voorbijging, biddend op hun knieën ter aarde. Zij volgden hem een mijl juichend in de velden na, en schenen hun gezicht niet genoeg te kunnen verzadigen, want de gulden ridder werd hoe langer hoe wonderbarer voor hen, hun inbeelding herschiep hem in zulke gedaante als zij de Heiligen droomden—een teken van Robrecht ware genoeg geweest om zich door die opgetogen mensen te doen aanroepen.
Eindelijk gaf hij zijn paard de spoor, en verdween als een schicht tussen de bomen des wouds. Het volk poogde zijn gulden harnas tussen het loof nog te ontdekken, maar tevergeefs de draver had zijn meester reeds ver uit het bereik hunner ogen gevoerd, dan bezagen zij elkander, en zuchtten met droefheid "Hij is in de Hemel teruggekeerd!"
Van de zestigduizend man die, om Vlaanderen te verwoesten, door Philippe le Bel gezonden waren, ontvluchtten er slechts omtrent de zevenduizend, die in aller ijl langs verschillende wegen op de Franse bodem zochten te geraken. Guy de St.-Pol had er bij Rijsel vijfduizend in een bende vergaderd en meende met dezelve in Frankrijk te trekken, maar, een gedeelte des Vlaamsen legers hem aanvallende, werd hij in een bloedig gevecht verslagen en meest al zijn mannen vonden daar de dood, die hen op het slagveld te Kortrijk had gespaard. De excellente Cronike zegt ons hoeveel Fransen in hun Vaderland terugkeerden:—"Ende van alle diere ontquamen en ontvloden mochten syn ontrent drie duijsent mannen van alle der groter menichte, die daer versaemt waren omme Vlaenderen al gheheel te niete te doene; ende die mochten die nieumare dragen van haerlieder aventuere, die sober was."
De bijzonderste Edelen, de dapperste ridders bleven voor Kortrijk dood, derzelver getal was zo groot dat er, volgens de geschiedenis, geen slot, geen heerlijkheid in Frankrijk was, waar men de rouw niet aannam, overal werden er tranen over de dood eens echtgenoots, eens vaders of eens broeders gestort, en het ganse land werd met klachten vervuld. Door de zorg der Vlaamse Veldheren werden de gesneuvelde koningen en de doorluchtigste Landheren in de abdij van Groeninge begraven, als blijkt uit een oud schilderij, welke in de St. Michielskerk te Kortrijk nog bestaat; zij draagt het volgende opschrift, door de heer P. Van Duyse ter plaatse letterlijk afgeschreven:—"Den slag van Groeninghe gehouden op den XIen julius 1302 en wiert gheslegen op den Groninck Coutere daer de Audenarsche straete deurgaet neffens de stede van Curterik, dit syn de namen van den edelen die in den stryt verslagen en in 't clooster te Groeninghe begraven waren.
"Eerst, de Coninck van Majorke: de Coninck van Meliden: dhertoge van Coranen: dhertoge van Brabant: de Bisschop van Beauvais: de Grave van Archois: de Prise van Aspermont: Jacob van Simpel: de Grave van Clermont: de Prince van Champaingen: de Grave van Melli: de Grave van Trappe: de Grave van Lingui: de Grave van Bonnen: de Grave van Henegauwe: de Grave van Frison: de Grave de la Marche: de Grave van Bar: item zyn dry broeders de Heere van Bentersam: de Heere van Wenmele: de Castelein van Rysele: de Heere van Flines: Clarion des Coninck van Melidens broeder: Mher Jan van Creky: de Heere van Van Merle: de Grave van Lingui in Barrois: de Heere van Marloos: de Heere van Albemarke: des Bisschop van Beauvais broeder: de Heere van Versen: de Heere van Rochefort: Mher Gillis van Olingy: de Heere van Montfort: Godefroid's Graven van Bonnen broeder, en meer dan seven hondert vergulden sporen.
Godt sy alle gheloofvege sielen ghenaedich."
Er bestaat in de boekzaal van de heer Goethals-Vercruyssen, te Kortrijk, nog een steen, welke op het graf van Koning Sigis gelegen heeft, en, met zijn wapentekenen, het volgende opschrift draagt—"In 't jaer os Here MCCCII up sente Benedictus dach in Hoymaent was de stryt te Curtruke. Onder deze es gegraven de conync Sigis. Bidt Gode voor alle zielen. Amen MCCCII."
Boven de gouden vaten, kostelijke stoffen en rijke wapenen, vond men op het slagveld zevenhonderd vergulde sporen, welke de Edelen alleen dragen mochten, men hing dezelve met de gewonnen Standaarden aan het gewelf der Vrouwekerk te Kortrijk, en daarvan werd het gevecht de slag der gulden sporen genaamd. Enige duizenden paarden vielen ook in de macht der Vlamingen, die dezelve in de volgende oorlogen met groot voordeel gebruikten. Buiten de Gentpoort, op weinig afstand van Kortrijk, heeft men in 1831, te midden van het gewezen slagveld, een kapel ter ere van Ons-Lieve-Vrouw van Groeninge gebouwd, op het altaar leest men de namen der gesneuvelde Franse Veldheren, en een der echte vergulde sporen is te midden van het gewelf opgehangen. In Kortrijk werd die heugelijke dag alle jaren door een openbare plechtigheid en door volksvermaken gevierd, de gedachtenis dier feest is er tot heden toe in een kermis, welke men vergaderdagen noemt, overgebleven. Ieder jaar, in de maand juli, gaan de arme lieden van huis tot huis de oude klederen vragen om dezelve te verkopen, gelijk men in 1302 met de rijke buit gedaan heeft, door een vioolspeler vergezeld, begeven zij zich naar de Pottelberg, de oude legerplaats der Fransen, en vermaken zich daar tot het einde van de dag.
De tijding van het verlies des legers in Frankrijk komende bedreef men grote rouw aan het Hof, Phihppe le Bel ontstak in woede tegen zijn gemalin Johanna, wier boosheid de schuld dier onheilen was. Hij verweet haar dit met bittere woorden, gelijk Lodewyk van Velthem, een dichter die in die tijd leefde en alsdan zijn rijmkroniek (Spiegel historiael) schreef, met de volgende woorden verhaalt:
Doe werp die coninc haer in den scoet
Ene letter van bloede roet.
Want be die die se screef
Ontfoer daer Artois doet bleef
Met groter smarten doorwont
En wat verder:
Hi seidte doe Coninginne Vrouwe!
Maniert u selven in uwen rouwe
Haddes u te voren bedacht;
Dit heb di al selve toebracht;
Gi ne dorvet niemand anders tien
Dan u selven wildy's lien!
Men vindt, in de meeste Franse geschiedboeken, Johanna van Navarra geheel anders dan kwaadaardig afgeschetst. De Fransen met hun nationaal karakter, dat ik zeer loffelijk acht, verschonen licht de ondeugden hunner Vorsten (wanneer zij dood zijn) maar de waarheid is in onze kronieken te tastbaar om aan de hatelijke inborst van Johanna te twijfelen.
De Wethouders van Gent allen Leliaards zijnde, en denkende dat Philippe le Bel in allerhaast een nieuw leger naar Vlaanderen zou afzenden, wilden hun poorten gesloten houden om de stad zolang aan de Fransen te bewaren, zij werden welhaast door de Gentenaren over dit verraderlijk inzicht gestraft. Het volk liep te wapen, Wethouders en Leliaards werden vermoord en de voornaamste Burgers brachten de sleutels der stad aan de jonge Gwyde, wie zij een eeuwige trouw toezwoeren.
Onderwijlen kwam Jan Graaf van Namen, broeder van Robrecht van Bethune, naar Vlaanderen en nam het bewind des lands in handen, hij vormde met haast een nieuw en machtiger leger om aan de Fransen te kunnen wederstaan, en bracht de Besturen der steden in orde. Zonder zijn benden langer te laten rusten trok hij voor Rijsel, hetwelk zich na enige stormlopingen overgaf, van daar naar Douai trekkende won hij insgelijks die stad en nam de bezetting krijgsgevangen, de stad Kassel gaf zich ook op zekere voorwaarden over. Nog enige andere sterke plaatsen de Fransen ontnomen hebbende, en ziende dat er geen nieuwe vijanden uit Frankrijk kwamen, zond Jan van Namen het grootste gedeelte zijns legers naar huis en behield slechts enige keurbenden van ervaren krijgsknechten.
Het land was gerust en de koophandel begon opnieuw te bloeien, met betere hoop op een goede oogst werden de verwoeste landen weder bezaaid, en het scheen dat Vlaanderen een nieuw leven, een nieuwe kracht verkregen had men dacht met enige reden dat Frankrijk nu genoeg geleerd was, gelijk Van Velthem zingt
Wacht u vort van selken spele,
Ghi Fransoyse syt heir onteert,
Ghi syt anderwerven geleert
Philippe le Bel had inderdaad niet veel lust om de oorlog weer aan te vangen, maar de roep om wraak, welke uit al de delen van Frankrijk zich deed horen, de klachten der ridders wier broeders voor Kortrijk gesneuveld waren, en bovenal de aanhitsing der wraakzuchtige Koningin Johanna, deden hem eindelijk tot de krijg overhellen. Hij vergaderde dan een leger van 80.000 man, in hetwelk zich bij de 20.000 ruiters bevonden, echter was hetzelve op verre na zo aanzienlijk niet als het eerste dat hij verloren had, vermits het nu meest gehuurde of gedwongen soldaten waren. Het Opperbevel werd aan Louis Koning van Navarra gegeven, deze moest, eer hij slag leveren zou, Douai en de andere Franse grenssteden uit de handen der Vlamingen zoeken te verlossen. Dit leger naar Vlaanderen komende sloeg zijn tenten op twee uur van Douai, bij Vitry, in het veld neer.
Zodra men in Vlaanderen vernomen had dat er een Frans leger gevormd werd, liep de schreeuw "Te wapen! te wapen!" door het ganse land, nooit zag men zulke geestdrift, uit alle steden, uit de minste dorpen kwamen grote hopen volks met allerlei wapens toegelopen, men ging al zingend en vol vreugde naar de vijand, in dier voege dat Jan van Namen, vrezende dat de levensmiddelen zouden ontbreken, er een groot getal terugzenden moest. Die welke als Leliaards bekend waren, willende hun vorig gedrag doen vergeten, smeekten dringend om hun bloed voor het Vaderland ten bewijze hunner bekering te vergieten, hetgeen hun dan ook met blijdschap werd toegestaan. Onder Jan van Namen, de Veldheer, bevonden zich meest al de ridderen die zich in de slag te Kortrijk hadden doen kennen: de jonge Gwyde, Willem van Gulik, Jan van Renesse, Jan Borluut, Pieter Deconinck, Jan Breydel en meer anderen. Adolf van Nieuwland, nog niet van zijn ziekte hersteld zijnde, kon die tocht niet bijwonen.
Die macht in verscheidene benden verdeeld zijnde, trokken de Vlamingen tot op twee mijlen van de vijand en namen daar hun standplaats, weinig tijds daar gelegen hebbende togen zij voort tot tegen de rivier de Scarpe, bij Flines, zij gingen dagelijks de Fransen tot de strijd beroepen, doch mits de Veldheren, zowel de Vlaamse als de Franse, de strijd schenen te ontwijken werd er niets uitgericht. De oorzaak van de stilstand was dat Jan van Namen, de verlossing zijns vaders en zijns broeders willende bemerken, boden naar Frankrijk gestuurd had om te zien of men de vrede met Philippe le Bel niet zou kunnen treffen. Het schijnt dat men bij het Franse Hof over de voorwaarden het niet eens worden kon, want de boden bleven weg, en men kreeg slechts ongunstige antwoorden.
Het Vlaams leger begon te morren en wilde, ondanks het verbod van de Veldheer, tegen de Fransen strijd leveren, dit duurde zo lang en de wil der benden deed zich zo ernstig gevoelen, dat Jan van Namen gedwongen werd over de Scarpe te trekken om de vijand aan te vallen. Er werd een brug op vijf schuiten over de rivier gelegd en het Vlaams leger, verheugd omdat men ging strijden, toog zingend en vol blijdschap erover, maar er kwam een twijfelachtig nieuws van Franknjk, hetwelk hen nog enige dagen wederhield. Eindelijk wilden de benden zich in gener wijze stilhouden en gaven ernstige blijken van oproer. Alles werd dan tot de aanval bereid gemaakt en de Vlamingen trokken op tegen de Fransen, dezen de slag niet durvende wagen, braken hun leger haastig op en togen in wanorde af. De Vlamingen vielen de vluchtende Fransen op het lijf en versloegen er een aanzienlijk getal, voortgaande namen zij het kasteel van Harne, waar de koning van Navarra de legerstapel gesteld had. De voorraad, de tenten, en alles wat het Franse leger met zich gebracht had, verviel in de handen der Vlamingen. Daarna hadden nog enige geringe gevechten plaats, welkers gevolg was dat de Fransen, met schande overladen, tot diep in Frankrijk verjaagd werden, zo zingt onze vaderlandse Dichter Van Duyse met recht ter dier gelegenheid.
Triumf, myn Vaderland! roem roem der vaedren daden,
Onsterflyk groenen uwe aloude lauwerbladen,
De Faem vermeldt uw' roem aen 't gansch vieroordig rond
Blyft zoo verheerlykt tot der wereld avondstond!
De Vlaamse Veldheren, ziende dat men de vijand in het open veld niet meer te bestrijden had, dankten het leger ten dele af en bewaarden slechts genoeg mannen, om aan de bezettingen der Franse grenssteden het roven en branden te beletten.
Uit het stedeken Lessines, op de palen van Henegouwen, vielen dagelijks hopen soldeniers op de Vlaamse bodem en deden veel kwaad aan de inwoners ten platten lande. Jan van Namen dit vernemende trekt met enige benden derwaarts, bestormt, verovert en verbrandt Lessines, hetwelk de Graaf van Henegouwen behoorde.
Ondertussen trekt Willem van Gulik met de ambachten van Brugge en van Kortrijk naar St.-Omer om die stad de Fransman te ontnemen. Daar gekomen zijnde wordt hij door de Franse ruiterij, die veel sterker in getal was, met onstuimigheid aangetast; geen uitkomst ziende schikt hij zijn mannen in een kring en verweert zich totdat de duisternis hem toelaat achteruit te wijken, en dus een gewisse nederlaag te ontgaan. Enige dagen later kwam Jan van Namen van Lessines terug bij Willem, hetgeen hun te saam gevoegde macht tot 30.000 man sterk maakte. Het Franse leger aanvallende sloegen zij hetzelve op de vlucht en hakten de vijandige benden aan stukken.
Men begon St.-Omer te bestormen, alle dagen werd de stad met een ongewone moed langs verschillende zijden aangevallen, doch, de bezetting zeer sterk zijnde, werden de belegeraars dikwijls met verlies van veel volks afgedreven; dit belette hun echter niet een menigte zware stenen over de wallen te werpen en de huizen grotelijks te beschadigen: er werden ook veel inwoners van St.-Omer in de straten onder de stenen verplet. De Fransen voor de behoudenis der stad vrezende, en willende een krachtige poging doen, brachten al de Burgers te wapen en bekwamen bij dit middel een aanzienlijke krijgsmacht, welke zij in twee lichamen verdeelden. Des nachts, wanneer een ondoordringbare duisternis de velden overdekte, gingen zij bedektelijk uit de stad en legden de helft van hun macht in een dicht bos, dat ter zijde der Vlaamse legerplaats stond; het andere gedeelte toog tot bij het kasteel van Arcques, hetwelk insgelijks door de Vlamingen belegerd was. Bij het rijzen der zon begon de aanval bij Arcques, met zoveel geweld dat de Vlamingen zich dus verrast ziende, meenden te vluchten, doch de stem hunner Veldheren gaf hun de moed weder; zij dreven de Fransen achteruit en de zege scheen naar hun zijde te hellen, totdat een grote bende ruiterij, hun langs achter op het lijf vallende, bij de eerste schok verscheidene gelederen overhoop wierp, en de Vlamingen na een hardnekkige strijd uiteen en op de vlucht gedreven werden.
Het andere gedeelte des Vlaamsen legers onvoorziens door de in het bos verborgen soldaten aangevallen zijnde, schikte zich met haast in slagorde en toog zonder wanorde achteruit; wellicht zouden zij zonder groot verlies ontkomen zijn, maar een beklagelijk ongeluk moest de oorzaak van hun nederlaag worden. Bij de rivier de Aa gekomen zijnde begaven zij zich, in zo groot getal en zo dicht ineengesloten, op de brug, dat dezelve, het gewicht van zoveel mensen niet kunnende dragen met ijslijk gekraak in de rivier stortte. Het geschreeuw, het gehuil dergenen die gepletterd in het water vielen, bracht de verslagenheid onder de Vlaamse benden, die nog vóór de rivier stonden; zonder op de stem der Oversten te luisteren begaven zij zich op de vlucht en liepen verward van het slagveld. Die nederlaag kostte de Vlamingen bij de vierduizend man.
Jan van Namen en Willem van Gulik ziende dat de vijand, om hun verlaten legerplaats te gaan plunderen, opgehouden had hen te vervolgen, vergaderden de vluchtelingen zo zij best konden, en hun de schande dier nederlaag onder het oog gelegd hebbende, spraken zij hun de begeerte tot een spoedige weerwraak in het hart. Dan tot de vijand wederkerende verrasten zij hem, bezig zijnde met de legerplaats te roven, en vielen hem met een groot geschreeuw onvoorziens op het lijf; de meeste plunderaars werden verslagen en de anderen in de stad gedreven, alzo behielden de Vlamingen hun goederen, met de zege van die dag.
Terwijl men tegen Frankrijk een langdurige en weinig beduidende oorlog voerde was Zeeland, door afsterven, zonder heer geworden. Willem van Henegouwen wilde dit land in bezit nemen, voorgevende dat het hem door erfrecht toebehoorde; de zonen van de Graaf van Vlaanderen maakten insgelijks aanspraak op die eigendom. Jan van Namen rustte met haast een vloot uit en landde met een Vlaams leger op het eiland Cadzand; na een gering gevecht vervolgde hij zijn tocht naar Walcheren, bij ter Vere, dat zich overgaf. Willem van Henegouwen had insgelijks een leger te been gebracht en kwam met hetzelve in Zeeland, alwaar hij de slag aan Jan van Namen kwam bieden. De Vlamingen verwonnen hem in een vreselijk gevecht en sloegen hem op de vlucht tot bij Arnemuiden. Willem van Henegouwen, daar enige verse hulpbenden vindende, vergaderde zijn verstrooid leger en trok opnieuw tegen de Vlamingen; maar ditmaal was zijn nederlaag nog schriklijker, want hij werd genoodzaakt op het eiland Schouwen te vluchten. Korts hierop veroverden de Vlamingen de stad Middelburg met nog vele andere steden. Dit bracht Willem van Henegouwen tot een tijdelijk bestand, bij hetwelk het grootste gedeelte van Zeeland aan de Vlamingen werd afgestaan.
Philippe le Bel vergaderde onderwijl een machtig leger om zich over de slag van Kortrijk te wreken; hij gaf het opperbevel deszelfs aan Jacques de Chatillon, hem bevelende, bij zijn aankomst in Vlaanderen, al de bezettingen uit de grenssteden te lichten, waardoor zijn leger boven de 100.000 man sterk moest worden.
Philippus, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen, die in Italië de graafschappen van Tyetta en van Lorette beërfd had, de vorming van het Frans leger vernemende, kwam met enige hulpbenden naar Vlaanderen, waar hij door zijn broeders tot Opperveldheer werd verkozen. Bij het leger dat in Zeeland geoorlogd had nog meer mannen voegende, bracht hij zijn macht tot 50.000 man, toog tot bij St.-Omer om de Fransen af te wachten en overrompelde het kasteel van Arcques.
De twee legers kwamen weldra voor elkander. De twee eerste dagen hadden er enige afzonderlijke gevechten plaats, in dewelke Pierre de Courtrenel, een der Franse Veldheren, met zijn zonen het leven liet en de Fransen veel volk verloren. Walter de Chatillon met vrees bevangen dorst de algemene slag niet wagen; hij trok dan des nachts met zijn leger naar Atrecht, en dit zo bedektelijk dat de Vlamingen, niets van die aftocht gemerkt hebbende, des morgens verwonderd en verbaasd waren daar zij geen enkele Fransman meer ontwaarden. Philippus, de ontwijking des vijands ten nutte makende, bestormde en nam de steden Terwanen, Lens, Lillers en Bassée. Uit weerwraak van hetgeen de Fransen vóór de slag van Kortrijk in Vlaanderen gepleegd hadden, werd het gans land daar omtrent door de Vlamingen verwoest en verdorven, totdat zij, met rijke buit beladen, weder terug in Vlaanderen kwamen.
De Koning van Frankrijk door zo talrijke nederlagen overtuigd zijnde, dat het hem onmogelijk was Vlaanderen door de wapenen nog te winnen, zond Amedeus van Savoye, als vredegezant naar de Vlaamse Veldheer Philippus. De kinderen van de gevangen Graaf niets meer verlangende dan de verlossing huns vaders Gwyde en huns broeders Robrecht van Bethune te kunnen verkrijgen, wensten innig om de vrede met Frankrijk, en stapten gaarne over enige moeilijkheden; er werd dan een stilstand van wapenen getroffen, totdat de voorwaarden van wederzijde zouden aangenomen zijn.
Ondertussen werd er aan het Franse Hof een vredesverdrag opgesteld, hetwelk verschillende voor Vlaanderen schadelijke punten inhield; echter hoopte Philippe le Bel dezelve door list te doen aannemen. Hij liet de tachtigjarige Graaf van Vlaanderen uit zijn gevangenis van Compiègne naar Vlaanderen gaan, hem zijn erewoord afeisende dat, indien hij de aanneming van het verdrag, zoals het bij het Franse Hof was opgesteld, niet kon verkrijgen, hij in de maand mei van het volgende jaar in zijn kerker zou terugkomen. De oude Graaf werd door zijn onderdanen met pracht ingehaald en ging op het slot Wijnendale wonen. De voorwaarden der vrede met Frankrijk voorgesteld hebbende, werden dezelve in het algemeen door de steden afgekeurd, doch de oude Graaf, nog tijd voor zich hebbende, hoopte dat hij derzelver goedkeuring met meer moeite zou kunnen verkrijgen.
De wapenstilstand met Willem van Henegouwen geëindigd zijnde, vernam de Graaf dat er een Hollands leger te been gebracht werd, om Zeeland in te nemen; met allerhaast werden Jan van Renesse en Florens van Borsele derwaarts gezonden om die nieuwe vijanden het hoofd te bieden.—De Vlamingen verwonnen de Hollandse vloot in een Zeeslag, waarin de Hollanders en Henegouwers meer dan 3.000 man en meest al hun schepen verloren; men nam de Bisschop van Utrecht, Veldheer der Utrechtse benden, gevangen en men bracht hem naar Wijnendale, waar hij bewaard werd. In dezelfde slag sneuvelden Willem van Horn, Diederik van Haarlem, Diederik van Zulen en Suederus van Beverenweerdt. De Vlamingen, zegepralend door geheel het Noord-Holland trekkende, veroverden meest al de steden, behalve Haarlem, dat zich hardnekkig bleef verweren; de voornaamste inwoners van Noord-Holland werden als gijzelaars gevangen en naar Gent overgebracht.
Terwijl de Graaf van Henegouwen, het veld verlatende, Holland aan de Vlamingen overleverde, stond in Dordrecht een dapper man op, met name Nicolaus van den Putte; deze zijn Vaderland willende verlossen vergaderde enige krijgsbenden en, met dezelve op een afdeling Vlamingen vallende, versloeg hij er bij de 2.000 in een langdurig gevecht: langs een andere kant bracht Witte van Haamstede, ook een dapper man, insgelijks veel krijgers bijeen en kort daarna een legergedeelte der Vlamingen te Hillegom ontmoetende, versloeg hij hetzelve tot de laatste man. Die afzonderlijke gevechten veranderden weinig aan de stand van zaken in Zeeland, en beletten niet dat men steeds in het beleg van Zierikzee voortging.
Onderwijl naderde het einde van het bestand met Frankrijk en alles voorspelde een nieuwe oorlog, mits men de vrede niet had kunnen treffen, de voorwaarden derzelve niet aannemelijk voor de Vlamingen zijnde. Vóór de laatste dag der maand april keerde de oude Gwyde met ziekte en ongemak beladen, als een andere Regulus terug naar Frankrijk in zijn gevangenis.—Philippe le Bel had gedurende het bestand alle mogelijke middelen gebruikt om een ontzaglijk leger bijeen te krijgen; in alle landen had men voor zijn rekening hulpbenden aangeworven en verscheidene nieuwe schattingen waren op het volk gebracht om in de kosten van de oorlog te kunnen voorzien. De Koning zelf kwam op het einde van juni in persoon met zijn leger op de Vlaamse grenzen: alhoewel hij onder zich de grootste krijgsmacht die Frankrijk immer bezeten had, voerde, kwam er nog een ontzaglijke vloot, onder Reinier Grimaldi van Genua, op de Vlaamse zeekust, om de jonge Gwyde en Jan van Renesse, die in Zeeland waren, te bestrijden.
Philippus van Vlaanderen had intussen ook een roep in het land gedaan en veel krijgsbenden onder zijn bevel vergaderd; met dezelve toog hij vóór het Franse leger om Philippe le Bel de slag aan te bieden: de twee legers waren zo dicht bij elkander dat men uit dezelve de beide vaandels kon zien waaien. De eerste dag gebeurde er een gevecht, in hetwelke de Franse Aanleider Genuilla, met al zijn mannen, verslagen werd. De Vlamingen, ongedurig zijnde, en om de strijd roepende, stelden zich des anderendaags in slagorde en bereidden zich tot een geweldige aanval; maar de Fransen dit bemerkende trokken in allerhaast naar Atrecht af, en lieten hun legerplaats ten roof der Vlamingen, die een grote buit maakten en al de werken, welke de Fransen gebouwd hadden, afbraken en vernietigden. De stad Bassée werd voor de tweede maal door hen veroverd en de voorgeborchten der stad Lens afgebrand.
Philippe le Bel, willende Vlaanderen langs de Henegouwse grenzen aanvallen, toog met zijn leger naar Doornik; maar reeds de eerste dag zijner aankomst waren de Vlamingen bij hem; hij was niet gezind de slag aan te nemen, vooraleer hij weten zou wat zijn vloot in Zeeland zou hebben verricht; om niet handgemeen te worden brak hij bijna alle nachten het leger op en zweefde, steeds door de Vlamingen gevolgd, van de ene kant naar de andere.
De 10e augustus 1304 had de zeeslag tussen de twee vloten plaats; het gevecht duurde twee dagen, van de morgen tot de avond: de eerste dag was het voordeel aan de zijde der Vlamingen en wellicht zouden zij de zege ten volle behaald hebben, maar hun schepen des nachts op een zandplaat vastgeraakt zijnde, werden zij des anderendaags door de Fransen, onder de befaamde zeeoverste Reinier Grimaldi, geslagen; hun schepen werden verbrand en de jonge Gwyde verviel met vele anderen in de handen van de vijand. Jan van Renesse, de moedige Zeelander, die met weinig volk Utrecht bewaarde, willende die stad verlaten, begaf zich in een schuit om de Lek over te varen; maar het schip te zeer geladen zijnde, zonk te midden van de vloed, en de edele ridder Jan vond er een beklagelijk einde, hij verdronk. De Vlamingen dit door vluchtelingen verstaande, betreurden hem met droeve klachten en zwoeren dat zij hem niet ongewroken zouden laten.
Wanneer het nieuws van de uitval des zeeslags in het Frans leger kwam, bevond hetzelve zich bij Rijsel op de Peuvelberg. Philippe le Bel trok een weinig terzijde af en verliet die gunstige plaats, dewelke dan ook onmiddellijk door de Vlamingen werd ingenomen. Dezen wilden de slag niet langer uitstellen, het was de Veldheren onmogelijk hen langer nog te weerhouden; zij stelden zich dan in slagorde om de vijand aan te tasten. Philippe le Bel dit ziende zond een bode om de vrede voor te stellen, maar de Vlamingen wilden geenszins ernaar luisteren en sloegen de bode dood. Korte tijd daarna vielen zij met ijslijk geschreeuw, met donderend gehuil op het Franse leger, dat verbaasd en verschrikt dooreenliep. Bij de eerste schok werden de voorste benden overhoop geworpen en verpletterd; er was onder het Vlaamse leger nog meer razernij dan in de slag te Kortrijk; ook konden de Fransen hun slechts een zwakke tegenstand bieden, alhoewel zij met evenveel moed vochten.—Philippus van Vlaanderen en Willem van Gulik drongen door al de vijandlijke benden tot bij de Koning Philippe le Bel, die daardoor in groot gevaar geraakte. Men hakte zijn lijfwachten rondom hem ter neder, en hij ware voorzeker gevangen of dood geweest, indien men hem zijn mantel en andere kentekenen niet had ontnomen; alzo onkenlijk gemaakt zijnde vluchtte hij van die plaats weg en ontving een lichte wonde van een ijzeren schicht.—Dit lang gevecht had voor gevolgen dat het Franse leger in volle vlucht geslagen werd en de Vlamingen de zege behaalden.
De Franse Kroonvaan (Oriflamme) werd aan stukken gescheurd, gelijk het de Cronyke van Vlaenderen, aan dewelke wij dit verhaal ontlenen, met de volgende woorden getuigt: Hier wierdt de fransche Oriflamme, op dewelke sy soo seer gewoon waeren te roemen, gescheurt en den standaert-draeger Cherosius gedood. In die slag verloor Willem van Gulik, de Priester, het leven. De Vlamingen hielden zich tot de avond bezig met 's Konings tent en al de andere kostelijke goederen tot buit te maken. Zij keerden dan om wat te spijzen naar de Peuvelberg terug, doch niets daar vindende trokken zij op naar Rijsel. Des anderdaags ging elk naar zijn huis.—Die slag geschiedde de 15 augustus 1304.
Vijftien dagen daarna kwam Philippe le Bel weder met een leger naar Vlaanderen om Rijsel te belegeren. De Vlaamse Burgerij sloot haar winkels en nam in menigte de wapens op; Philippus van Vlaanderen, hen te Kortrijk vergaderd hebbende, toog enige dagen daarna naar Rijsel in het gezicht der Fransen. Hun groot getal ziende riep Philippe le Bel met verwondering uit: "Mij dunkt dat Vlaanderen soldaten spuwt of regent!"
Geen nederlaag meer durvende wagen stelde hij, na enige schermutselingen, de vrede voor en men trad in onderhandeling, terwijl er een wapenschorsing gesloten was. Het duurde vrij lang eer men de voorwaarden van wederzijde aannam.
Gedurende die tijd stierf de oude Graaf Gwyde te Compiègne, in zijn gevangenis; Johanna van Navarra overleed insgelijks.
Eindelijk werd de vrede tussen Philippus van Vlaanderen en Philippe le Bel gesloten en getekend.
Robrecht van Bethune, met zijn twee broeders Willem en Gwyde en met al de andere gevangen ridders, werd losgelaten en naar het Vaderland teruggezonden.—Het volk was over de voorwaarden van het verdrag niet tevreden, en noemde hetzelve het verbond van ongerechtigheid; dit ongenoegen had echter voor alsdan geen gevolgen.
Robrecht van Bethune, in Vlaanderen gekomen, werd met buitengewone plecht als Graaf ingehuld.—Hij leefde nog zeventien jaar, hield de eer en de roem van Vlaanderen staande en ontsliep in de Heer de 18 september 1322.
Gij Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, bij de roemrijke daden welke hetzelve bevat, wat Vlaanderen eertijds was—wat het nu is—en nog meer wat het worden zal indien gij de heilige voorbeelden uwer Vaderen vergeet!