[154]


"Segher Lonke werd oec gevelt.
Dic den Ghenschen standert helt,
Vier werven op sinen cnien;
Dor genen anxt wildi vlien,
Ende ember op, met grote cracht,
Daer men boven syn hovet vacht."

Van Velthem, Spiegel Historiael.

[155]


"Die Vlaminge vele hadden ducht,
Ende traken achter op tie vlucht,
Van den velde heymelike,
Elk liet staen daer sine pike;
Som trocken si in die Port,
Ende some opter Leyen bort,
Desen gingen overswimmen.
Ghi riep met ere luder stemme:
Staet Vlaminch!"

Van Velthem, Spiegel Historiael.

[156] "Het gheviel dat een Conveers broeder van der Doest, Willem van Renesse (item omme dat hy lange diende te Castynghe, eer hy conveers wort te Doest so hiet mene broeder Willem van Castynghe) hoorde dat dye principaelste ende vroomste van den Noortvrye waren met die van Brugge naer Cortrycke omme wych te hebbene jeghen die Fransoysen, ende hy hoorde dat Mer Jan van Renesse, die heere was van den dorpe daer hi geboren was, ende dat hi was een van den Capiteynen van die van Brugge, hy hadde des voornoens ghehoyt ende als hy dat verhoort hadde, so ghinc hi ter Doest int stal ende nam met hem twee meryen, d'eene vercochte hi en gaf se goeden coop, want hi gaf se om een sweert en een sterke staf, en op d'andere merye reed hy haestelicke te Cortrycke waert ende hy gerocht er al noch te tyde... Nochtans soo velde hi er metter hand bet dan sestich ridders die hy alle dootslouch."

Die excellente Cronike.

[157] "De Graaf d'Artois dreef zijn onstuimig paard tot bij de Standaard van Vlaanderen; hij vatte dezelve bij de schacht, en ondanks de slagen van knotsen en bijlen, welke als een regen op hem vielen, scheurde hij een stuk eraf."

Voisin.

[158]


"Ic hebbe dicke horen tellen,
Dat tie monec Artoyse velde,
Van den Orsse...
Doe wilde hi hem Guelke opgeven,
Ende seide, ic lever u myn swerd,
Ic geve mi op!...
Die Vlamingen riepen: wi ne kennen u niet!
Die Grave riep al in 't fransoys:
Ic ben die Grave van Artoys!
Si riepen hier 's geen edelman,
Noch die u tale verstaen can!"

Van Velthem, Spiegel Historiael.

[159] "De Franse ridders De Tarcanville, d'Aspremont en de Graaf Jacques de Chatillon werden te midden van een grote hoop lijken omvergesmeten. De Kanselier Pierre Flotte vroeg menigmaal om genade doch kon dezelve niet verkrijgen."

Voisin.

[160] "De heer Rodolphe I, heer van Gaucourt, maakte deel van een uitgelezen bende van achttien ridders, die allen, behalve hij alleen, in de slag omkwamen."

Voisin.

[161] "De dood van de Graaf d'Artois vernemende wilden de Franse ridders hem wreken of hem niet overleven; zij begonnen dan het gevecht opnieuw. Een van hen, met name Pieter Lebrum, poogde Guy de St. Pol, die over de achtertocht gebood, tot de slag te doen gaan, maar het was tevergeefs dat hij hem zijn lafheid verweet."

Voisin.

[162] De plaats welke wij hier de Bittermeers noemen, staat op de kaart van de slag onder de naam Bloedmeers aangetekend. Zij werd later zo geheten, ter nagedachtenis van het bloed dat er vergoten werd.

[163]


"Si leiden te gader daer haer handen,
En de bilden daer in een naect swerd,
Metten appelen ten vianden werd,
Wi willen, seiden si ons opgeven;
Edele Vlamingen laet ons leven!"

Van Velthem, Spiegel Historiael.



24

Inhoud
Hoofdstuk 24

[164]


"Het was 't recht van den stride.
Die men niet mach verdriven
Mogen bi den doden bliven
Wachten ende hare baniere opsteken
Oft se yemen wil comen wreken
Tot sander dages terneuwer sonne
Dan mach men secgen: si hebben verwonnen!"

Van Velthem, Spiegel Historiael.

[165] "Die Casteleyn van Lens diewelcke hilt 't Casteel te Cortrycke, meenende dat die battaelge ghewonnen was, ende datter dye Vlaminghen al ghebleven waren, quam uyten Casteele wel met hondert mannen diewelcke waren alle versleghen van die van Ypre, dye daer ghelegt waren omme dat te wachtene."

Die excellente Cronike.

[166]


"Daer bleef die bloeme van Kerstenhede,
Vore volc te voet ende sonder stede.
Het wilde God het moeste wesen!
In horde noyt singen no lesen,
Van selken jammer, alse dit was.
Daer lach van doden menig tas."

Van Velthem, Spiegel Historiael.

[167] Zie hier de namen der voornaamste ridders, welke onder de Franse vaandels gesneuveld zijn, die lijst is uit het meergemelde werk van de heer Voisin getrokken. Jean, Kamerheer en Graaf van Tarcanville; Jean de Ponthieu, Graaf van Aumale; Jacques de Chatillon, heer van Leuse, Gouverneur Generaal van Vlaanderen, voor de Koning; Hugues de Bruynen, Graaf de la Marche en van Angoulême; Angelin, Graaf van Vimeu of Vimy; Louis de Forest, heer van Beaujeu en Dombes; de Graaf van Soissons; de Graaf van Abbeville; de Graaf van Foix; Alain van Bretagne; Jean I, Vidaem van Chartres; Froald, Kastelein van Douai; Jean IV, Kastelein van Rijsel; Henri, heer van Ligny; Renauld I, heer van Longueval: de heer van Aspremont; de heer van Freane; Raoul, heer van Trier; de heer van Frennes, Boudewyn d'Henin, heer van Boussu; Jean, heer van Gréqui; Raoul IV, gezegd de Vlaming, heer van Gany; de heer van Breauté; Farald de Reims; Jean Brualé; Jan, bijgenaamd zonder genade, zoon van Jan, Graaf van Holland en van Henegouwen; Godfried van Brabant, oom van de Hertog van Brabant, en zijn zoon Jan, heer van Vierson, kastelein van Doornik; Arnold IV, heer van Wezemaal, Maarschalk van Brabant; Hendrik, heer van Boutersem; Arnold, heer van Wahain, en zijn zoon Laurent; Hugo van Vlanen; Geldof van Wingene; Arnold van Eyckhoven met zijn zoon Jan; Hendrik van Wilre; Willem van Redingen, Arnold van Hofstade, met zijn drie neven; Willem, heer van Craenendonk; Baldard de Parvisien; Jean de Kerly; Baldard de Peruwez; Fernand d'Araing; Boudard de Pernes; Hercule, heer van Bailleul; achttien ridders die met een groot getal Brabanders rondom de tent van Godfried van Brabant sneuvelden; Egide, heer van Antoing; Richard, heer van Falais; Michel, heer van Harnes; Aelbrecht, heer van Langendale; de heren van Quesnoy, van Salines, van Rutsefort, van Marlois, van Flines, van Malgy, van Alengeac, van Bethisy en van Groy; Gilles, heer van Alengy; Robert, heer van Montfort; Raoul, heer van Nortfort; Jean Cruke; Jean, heer van Emmery, Kamerheer des Konings; de Graven van Angers, van Champagne, van Dreux, van Trappe, van Auge, van Los, van Vendôme, van Bourbon, van Tweessen en van Estampes; de Graaf van Bar, met zijn drie broeders; de Graaf van Albe, met zijn broeder; de Hertog van Berry; de prins van Chimpy.

[168]
"Daer hadde die menige zoo groeten dorst
Dat hem die mond en tonge borst.
Ende 't bloet hem ut er nese spranc
Dat hi weder van node dranc."

Van Velthem.