Neen gy wraekt geen tranen, neen,
't Vaderwee ten troost.
God, gy weet het, gy alleen
Wat mijn boezem heeft doorstreên
By myn snikkend kroost.
Tijdens de oorlog van het jaar 1296, wanneer de Fransen gans West-Vlaanderen hadden ingenomen, bood het slot Nieuwenhove hun een hardnekkige tegenstand. Een groot getal Vlaamse ridders hadden zich onder Robrecht van Bethune erin opgesloten, en wilden het niet overgeven zolang één van hen zich kon verdedigen. Maar het groot getal vijanden maakte deze heldenmoed ten onnutte;—zij sneuvelden meestal op de muren der vesting[78]. Door de omvergeworpen wallen in het slot tredende, vonden de Fransen niets anders dan lijken; en daar zij hun woede op geen vijanden konden verzadigen, staken zij het kasteel in brand, braken de muren af en vervulden de grachten met gruis.
De overblijfsels van Nieuwenhove lagen op twee mijl van Brugge, in de richting van Kortrijk. Te midden in een dicht woud, en ver van de woningen der landlieden gelegen zijnde, was het zeer zelden dat de voeten van een mens de wilde gewassen dezer puinhopen vertraden, te meer daar het gedurig gekras der nachtvogels de bijgelovige dorpelingen had doen denken dat de zielen der gesneuvelde Vlamingen om wraak of lafenis kwamen roepen.
Alhoewel de brand het gehele slot in vlam had gezet, was het echter niet zozeer vernield, of de rechtstaande muren tekenden nog zijn eerste vormen aan het oog af: het gebouw bestond nog, maar met oneindige spleten en scheuren. De daken waren nevens de muren, die hen weleer ondersteunden, neergevallen, en van de ruitloze vensters bleef niets dan de lange stenen ribben over. Alles droeg de kentekens ener haastige verwoesting, want nog enige delen waren ongeschonden overgebleven, terwijl andere met veel arbeid ten gronde gedrukt waren. Op de voorhof, die door de halfafgebroken vestingsmuur omringd was, lagen hier en daar menigvuldige gruishopen, in gevallijke heuveltjes opklimmende.
Zes jaar was Nieuwenhove in deze staat, op het ogenblik dat wij voor deszelfs beschrijving verkozen hebben. De kruiden, welke door de wind tussen de verstrooide stenen gezaaid waren, hadden zich op die tijd grotelijks vermenigvuldigd: een weeldrig gras schoot zijn groene stijltjes overal in de hoogte,—en als de geliefkoosde kinderen der woeste natuur, bewogen de veldbloemen hun zilveren kelken boven de toppen der puinhopen. Tegen de bruine muren van het gebouw kropen lange veilranken, en wortelden zich in de uitgebrande naden der stenen; andere gewassen als wilde wijngaard en eiloof smeten zich van de ene muur op de andere, en vormden aldus, voor de diepe scheuren, een weefsel van het aangenaamste groen.
Het was vier uur in de morgen, een zwakke schemering kleurde het oosten met een twijfelachtig geel en een krans gulden lichtstralen blonk, als de voorbode der zon, achter de kim.
Echter waren de puinen van Nieuwenhove nog met grijze schaduwen overdekt, onvatbare tinten, die men niet als verven mocht aanzien, lagen overal op de nog slapende natuur, terwijl het rijzend daglicht zich reeds in de blauwe hemelkolken spiegelde. Hier of daar vlood nog een trage nachtuil met afschrik naar zijn hol, en krijste nijdig tegen de glans die hem kwam verjagen.
Op dit ogenblik zat een mens op een der gruishopen, te midden der puinen. Een helm zonder vederbos was met twee wangsnoeren op zijn hoofd geriemd, een harnas omvatte zijn machtig lichaam, en stalen platen bedekten de overige leden.
Hij leunde met zijn ijzeren handschoen op een schild, welkers wapentekenen men nutteloos zou gezocht hebben, want er was niets op te zien dan een bruine dwarse streep. Deze wapens, ja zelfs de lange speer die nevens hem lag, waren met zwart gekleurd; vermoedelijk was het dat de ridder uit wanhopige droefheid zich aldus had uitgerust. Op een kleine afstand stond een paard nog zwarter dan de ridder; daar het ook gans met ijzeren schelpen overladen was, boog het dier zijn hoofd met moeite tot bij de grond, en graasde alzo de vochtige toppen der kruiden. Het slagzwaard dat aan de zadel hing, was verwonderlijk groot en scheen een reuzenhand te behoren.
Terwijl een dode stilte boven de puinen hing, zuchtte de ridder menigmaal van mistroost, en zijn handen bewogen zich alsof hij met iemand sprak. Van tijd tot tijd wendde hij het hoofd met mistrouwen naar de bossen en wegen, die buiten het slot lagen; en wanneer hij van zijn eenzaamheid verzekerd was, hief hij het voorstuk van zijn helm omhoog. Hierdoor ontdekte hij zijn wezenstrekken:—het was een man van hoge ouderdom, met rimpelige wangen en grijzende haren. Alhoewel de kentekens der lange droefheid op zijn gelaat geprent stonden, bleef er echter nog vuur genoeg in zijn boezem om aan zijn ogen een buitengewone levendigheid te geven. Na enige ogenblikken op de overgebleven muren van Nieuwenhove gestaard te hebben, glimde een bittere lach op zijn wangen; hij liet zijn hoofd voorover gaan en scheen tussen het gras iets te bezien: twee tranen blonken onder zijn oogleden en rolden glinsterend op de grond.—Dan sprak hij: "O helden, mijn broeders! Uw edel bloed is tussen deze stenen vergoten geweest, onder mij rusten uw lijken, in de eindeloze slaap des doods;—en de eenzame bloemen hebben zich, als heilige martelkronen, boven uw gebeente geworteld. Gelukkig gij, die dit pijnlijk leven voor het Vaderland hebt mogen verliezen, want de slavernij van Vlaanderen hebt gij niet gezien. Vrij en heerlijk zijt gij gesneuveld—uw zielen dragen die schandvlek niet, welke de vreemdeling op het hoofd der Vlamingen heeft gedrukt.—Het bloed van degene, die gij de trotse naam van de Leeuw hadt gegeven, heeft met het uwe deze grond bevochtigd: zijn zwaard was een verdelgende bliksem, en zijn beukelaar een muur—maar nu, o schande! Nu zit hij op uw stille graven, als een verworpen mens te zuchten—nu vlieten tranen van onmacht als uit het oog ener zwakke vrouw over zijn wangen....."
De ridder stond eensklaps op en trok het voorstuk van zijn helm met haast over zijn aanzicht, hij keerde zich naar de baan en scheen aandachtiglijk op iets te luisteren. Een gerucht, als de stappen van paarden, deed zich in de verte horen. Wanneer hij zich overtuigd had dat zijn oor hem niet bedroog, hief hij de speer van de grond, en liep met snelle tred naar zijn draver; hem het gebit in de mond gestoken hebbende, klom hij in de zadel, en reed tot achter een muur, die hem moest verbergen.
Maar hij was niet lang in deze schuilplaats, wanneer andere klanken hem toekwamen: tussen het geratel van de wapenen en het briesen van rennende paarden, mengde zich het klagend gehuil ener maagd. Bij het horen dezer noodkreten verbleekte de ridder onder zijn helm; die kleur kwam niet uit vrees op zijn wangen, want de vrees was hem een onbekend gevoel, maar de eer en de plichten eens ridders bevolen hem deze klagende vrouw ter hulp te snellen. Zijn moedig hart gloeide reeds bij de neiging om een ongelukkige te redden, alhoewel gewichtiger redenen en een plechtige belofte hem verboden zich door iemand te laten kennen; hij verbleekte dan door de bevechting die hij in zichzelf moest onderstaan. Na een korte wijl naderde het gevaarte en de klachten der maagd werden voor de ridder verstaanbaar.
"O mijn vader! Mijn vader!" riep zij op een toon die haar pijn te kennen gaf.
Nu werd de ridder van alle verdere bedenking beroofd, deze stem had iets onbekends in zich dat zijn hart diep geroerd had.
Hij stak de spoor met drift in de buik van zijn draver en vloog snellijk over de puinhopen tot in de baan. Hier zag hij op een kleine afstand het gevaarte aankomen: zes Franse ruiters, zonder speren, maar anders welgewapend, dreven hun paarden met volle toom in de baan; een van hen had een vrouw voor zich en omarmde haar met kracht. Het lichte kleedsel der maagd vloog in de wind en haar vrije lokken golfden zachtjes achter haar neerhangend hoofd; zij verweerde zich wanhopiglijk tegen degene die haar in zijn armen gevangen hield, en vervulde de lucht met haar smartlijke kreten. De zwarte ridder bleef in de weg staan en velde de speer om de schakers af te wachten. Verwonderd over zulk een onverwachte hinderpaal vertraagden de ruiters de gang hunner paarden, en bezagen die zwarte kamper niet zonder innige vrees. Hij, die onder hen scheen te gebieden, kwam vooruit, en riep: "Uit de weg, heer ridder! Uit de weg, of wij lopen u over het lijf!"
"Ik beroep u, valse en oneerlijke ridders, dat gij deze Vrouw loslaat," was het antwoord, "zo niet verklaar ik mij haar kamper!"
"Vooruit! Vooruit!" riep de Overste tegen zijn mannen.
De zwarte ridder gaf hun geen tijd om te naderen, hij boog zich voorover op de nek van zijn paard en viel plotseling te midden der verbaasde Fransen. Met de eerste steek zijner speer boorde hij door de stormhoed en het hoofd van een Fransman, en wierp hem dodelijk uit de zadel; maar terwijl het hem alzo gelukt was, een zijner vijanden te verwinnen, hadden de anderen hun zwaarden van alle kanten boven zijn hoofd geheven, en reeds had de Overste De St.-Pol met een schrikkelijke houw de schouderplaat van de zwarte ridder losgehakt.
Deze, door zoveel vijanden besprongen, liet zijn speer vallen en toog zijn reuzenzwaard uit de schede; hij omvatte het gevest met de twee handen en sloeg zo wild in 't rond dat geen Fransman hem dorst genaken, want elke houw van zijn wapen viel als een pletterende hamerslag op de uitrusting zijner vijanden. De ruiter welke de Vrouw droeg, verweerde zich met een lange degen en hield het sprakeloze meisje met de andere hand tegen zijn borst gevestigd. Door al te grote aandoeningen van schrik en hoop geschokt, had de geschaakte maagd geen kracht meer om te spreken of te klagen. Haar ogen stonden met een ijslijke onbeweeglijkheid in haar hoofd, en haar wangen, hoe teder ook, waren in bevende rimpels samengetrokken; soms bracht zij haar armen als in een smeking naar de onbekende, die haar moest verlossen, doch zij hing welhaast machteloos en slap over de rug van het paard.
De ijslijke slagen der zwaarden op de helmen en beukelaars deden het omstaande geboomte weergalmend dreunen, bloed liep onder de harnassen uit; doch in de drift der wraak gaven de kampers hierop geen acht, en gingen hijgend in het strijden voort. De wapenrustingen waren op veel plaatsen doorhakt en verbroken, en het paard van De St.-Pol had een wijde wonde in de nek; het liet zich daarom door zijn meester niet wel meer sturen en deze had de grootste moeite om de slagen van de zwarte ridder te ontwijken. Ziende dat het gevecht voor de Fransen een zeer nadelige wending kreeg, deed hij een teken aan de soldenier die de Vrouw bewaarde. De ruiter dit verstaande poogde, volgens het bevel, van het slagveld te vluchten, maar de zwarte ridder begreep zijn inzicht, en de spoor in de zijde zijns dravers drukkende, sprong hij plotseling voor de soldenier, terwijl hij met kundigheid de slagen der overige vijanden wist af te weren, riep hij: "Op uw lijf en ziel, zet die Vrouw ter aarde!"
Zonder op die roep te letten keerde de soldenier zijn paard ter zijde en zocht alzo uit de baan te springen;—maar het zwaard van de zwarte ridder viel met een verdubbelde kracht op zijn helm, en kloof hem het hoofd tot bij de schouders. Het bloed sprong in twee dikke stralen uit de nek van de ruiter en viel terug op het hoofd en het witte kleed der maagd, haar fijne blonde lokken werden er gans door bevochtigd, en verfden zich met een donkerrode kleur. De geslachte Fransman viel uit de zadel; alhoewel het leven in hem was opgehouden, bleven er echter nog krachtige stuiptrekkingen in de spieren van het lijk, en het meisje werd nog met nijdigheid tegen het harnas gedrukt. Na een vluchtig ogenblik lieten de armen van het lijk haar los, Vrouw en lijk rolden beiden op de grond.
Terwijl had de zwarte ridder nog een andere Fransman in de baan nedergeworpen en er bleven hem niet meer dan drie vijanden over. Het gevecht scheen nu nog hardnekkiger te worden, want bij het zien van het rokende bloed, wierden deze strijdbare mannen als door razernij vervoerd; de paarden werden heen en weer geslingerd en briesten bij elke slag die op hun ijzeren deksel neerviel. Het meisje lag zonder gevoel tussen hun voeten; daar zij bij de val eerst uit de zadel raakte, was het lijk van de soldenier op haar gevallen en zo bevond het bloedend lichaam zich boven haar. Verwonderlijk was het dat de paarden haar niet kwetsten, want zij stapten om en bij haar, doch raakten haar uitgestrekte leden niet, alleenlijk stampten deze dieren de aarde der baan in de hoogte, en bedekten de wangen der maagd met slijk en stof.
De strijders hijgden om adem, en waren allen, door zware kneuzingen of verlies van bloed, verlamd of verzwakt; echter hielden zij niet af en zwoeren in hun ziel, dat zij tot de dood vechten zouden. Eensklaps week de draver van de zwarte ridder enige treden achteruit en bleef staan. De Fransen verblijdden zich innerlijk op het gezicht van die wijkende beweging huns vijands. Zij dachten dat hij rust nodig had en het weldra zou opgeven; maar zij bedrogen zich, want hij kwam met losse toom op hen aanvallen, en had zijn slag zo juist berekend, dat het hoofd van de voorste soldenier met de helm uit de baan vloog. Door deze wonderdaad verschrikt en verbaasd, vlood De St.-Pol met zijn overblijvende makker in allerijl van het slagveld; zij dreven hun paarden als pijlen voort, en verlieten de zwarte ridder met het innig geloof, dat hij zich van duivelskonst had bediend.
Dit gevecht had slechts enige ogenblikken geduurd, want de slagen der strijders waren zonder tussenpoos geweest; diensvolgens was de zon nog niet boven de kim, en de velden waren nog niet met haar stralen verlicht, echter klommen de dampen reeds boven het woud, en de toppen der bomen kleurden zich met lieflijker groen.
Wanneer de ridder zich meester van het slagveld zag, en geen vijanden meer ontwaarde, steeg hij van zijn paard, bond het aan een boom en naderde bij de roerloze maagd: zij lag uitgestrekt onder het lijk van de soldenier, en gaf geen teken van leven, de grond was om haar door de voeten der paarden geploegd en tot modder gekneed. Onmogelijk was het voor de zwarte ridder haar wezenstrekken te herkennen;—het bloed van de Fransman was op haar wangen met aarde gemengd en gestold, en haar lange lokken waren door de paarden in de grond getreden. Zonder langer onderzoek hief de ridder dit ongelukkig slachtoffer van de grond en droeg het in zijn armen, tot binnen de puinen van Nieuwenhove. Hier plaatste hij haar zachtjes op het gras van de voorhof, en ging in het overblijvend gedeelte van het gebouw. Tussen al de rechtstaande muren vond hij nog een zaal, welkers welfsel niet gevallen was, en die nog tot schuilplaats kon dienen. De ruiten der vensters waren wel door de vlam gesprongen en gesmolten, maar de overige delen waren nog in hun geheel: lange stukken van gescheurde tapijten hingen aan de wand, en gedeelten van verbrijzelde kasten en bedden lagen in wanorde op de vloer. De ridder raapte enige dezer overblijfsels bijeen en vormde van dezelve, met planken die hij er op schikte, een hoop die wel aan een legerbed geleek, dan scheurde hij de tapijten voorts van de muur, en legde dezelve op de planken welke hij geschikt had.
Verheugd over het vinden dezer gunstige plaats, keerde hij bij de gevoelloze Jonkvrouw terug, en droeg ze in de zaal. Met angstige zorg liet hij ze uitgestrekt op de zonderlinge bedstede neergaan, en schikte nog een ander stuk tapijt onder haar hoofd. Geen ander gevoel dan dit der edele menslievendheid en der plichten eens ridders dreven hem tot die pogingen en zorgen. Om zich te verzekeren dat zij niet gewond was, bezag hij haar klederen met nauwkeurigheid, en bevond, tot zijn grote blijdschap dat het bloed alleenlijk boven haar samaar lag, en dat haar boezem nog tastbaar klopte. De eerbied, welke hij voor deze Vrouw gevoelde, liet hem niet toe zijn onderzoek verder te doen strekken; na hij haar mond en ogen afgevaagd had, verliet hij de puinen en keerde terug naar de baan, waar de lijken zijner vijanden lagen; hij nam de helm van een der dode Fransen en schepte dezelve vol water uit de beek die bij het slagveld stroomde, dan vatte hij de toom van zijn draver, en bracht hem terug achter een hoek van het slot. In de zaal bij de Jonkvrouw gekomen zijnde, scheurde hij een stuk van de binnen-kolder welke hij onder het harnas droeg, en gebruikte hetzelve als een doek om het wezen der maagd te wassen.
Alhoewel het volle daglicht nabij was, en de velden reeds met stellige verven begonnen te pralen, was het echter onder het welfsel dezer zaal nog tamelijk duister, want de ridder kon niet zien of hij de wangen der maagd genoeg van slijk en bloed gezuiverd had. Hij waste haar hoofd, haar hals en haar handen, en dekte haar voor de koude met een groot stuk tapijt, dat hij hiertoe van de wand scheurde.
Al de middelen, die in zijn vermogen waren aldus gebruikt hebbende, en overtuigd dat de maagd leefde, gaf hij het de rust en de natuur over haar te versterken, en keerde terug naar zijn paard; de uitrusting vaagde hij af met kruiden om de bloedige tekens van de strijd zoveel mogelijk teniet te doen, en ging vervolgens op de voorhof het langste gras in een hoop plukken.
Dit werk kostte hem een ruime tijd, doch hij liet zich dit niet bedroeven, en gebruikte zijn edele handen met onderwerping tot die nederige arbeid; eindelijk bracht hij zijn draver een volle arm sappig voedsel.
Nu was de zon boven de kim gerezen en haar stralen hadden de velden met heldere kleuren verlicht, door het venster der zaal kwam ook genoeg klaarheid om al de voorwerpen die tegen de grond lagen, te onderscheiden. Met de hoop van de jonge maagd nu beter te kunnen zien, ging de ridder naar de zaal.—De Jonkvrouw zat recht op het bed en stuurde haar stijve blikken met verbaasdheid op de zwarte wanden harer akelige woning, zij spalkte de ogen verschriklijk open en scheen verdwaald, want haar wimpers daalden niet en bleven steeds met halsstarrigheid opgeheven staan. Zodra de ridder zijn gezicht tot haar gewend had, liep er een plotselinge siddering over al de leden zijns lichaams, hij verbleekte en voelde dat de koude der benauwdheid hem de spraak benam, want in de plaats der woorden welke hij meende te vormen, kwamen slechts onverstaanbare klanken uit zijn mond. In deze ontroering sprong hij vooruit, omhelsde de Jonkvrouw, en drukte ze met vurige liefde tegen zijn hart.
"Mijn kind! Mijn rampzalige Machteld!" riep hij met pijn. "Moest ik mijn gevangenis daarom verlaten,—om u zo, in de armen des doods weder te vinden!"
Het meisje bracht de hand met afkeer tegen de borst des ridders en stiet hem driftiglijk van haar.
"Verrader!" sprak zij. "Hoe durft gij de dochter der Graven van Vlaanderen, in uw onzuivere armen drukken? Gij schaamt u niet een weerloze maagd te krenken,—maar God waakt over mij. Er zijn nog bliksems in de lucht;—hoort gij?—Uw straf naakt.—Luister hoe de donder grolt, booswicht!...."
Op het horen dier woorden sprongen twee bronnen uit de ogen des ridders, hij rukte de helm met onstuimigheid van zijn hoofd en dan kon men het smartwater, zo blikkerend over zijn wangen zien rollen.
"O mijn welbeminde Machteld," riep hij, "herken mij toch! Ik ben uw vader Robrecht, die gij zo liefhebt, die zozeer om u in zijn gevangenis geweend heeft. O hemel! Gij stoot mij van uw borst....."
Een nijdige grimlach liep over de wangen der maagd en zij antwoordde: "Nu beeft gij, eerloze schaker.—Nu benijpt uw hart zich met de vrees der booswichten. Maar er is geen genade voor u.—De Leeuw, mijn vader, zal mij wreken en gij—zult niet ongestraft het graaflijk bloed van Vlaanderen gehoond hebben. Stil!.....Ik hoor het gehuil van de Leeuw..... Mijn vader nadert—Voel! De aarde dreunt onder zijn stappen. Voor mij een zoen, voor u de dood, o vreugde!"
Ieder woord ging als een vergiftige schicht door het hart des ridders. Al de pijnen der hel benepen zijn boezem en hij werd met onuitsprekelijke droefheid bevangen, brandende tranen liepen door de diepe rimpels zijner wangen, en hij sloeg zich wanhopig tegen de borst.
"Ik bezweer u bij de gekruiste Zaligmaker!" riep hij. "Herken mij toch, o mijn arm kind;—doe mij niet sterven. Lach zo bitter niet.—Uw blikken drijven de dood in mijn ziel. Ik ben die Leeuw, welke gij bemint—die vader, welke gij roept."
"Gij de Leeuw?" antwoordde Machteld met verachting. "Gij de Leeuw?? O lasteraar! Neen, de Leeuw spreekt Vlaams..... Hoor ik niet dat de taal der Koningin Johanna in uw mond is? Die taal—die vleit en verraadt. De Leeuw is ook gegaan—men zegde hem, kom!—en een keten ... een kerker—een gulden vat en vergif.—O Frankrijk! Frankrijk! Zijn bloed!.....En ik ook—ik zijn kind;—maar gij overweegt niet dat het graf een schuilplaats is. Een ziel kan bij God, in de hemel, niet onteerd worden!"
De ridder kon zich van wanhoop niet inhouden, hij omarmde nogmaals het meisje, en riep: "Maar gij hoort wel, mijn kind, dat ik de taal onzer vaderen spreek. Wat bitter lijden heeft u dan gefolterd dat uw ziel verdwaalt? Herinner u, dat onze vriend, Mijnheer Adolf van Nieuwland, mij moest verlossen,—en noem mij niet meer verrader of booswicht, want uw woorden pletteren mij het hart."
Bij de naam van Adolf verhelderden zich de stuiptrekkende wangen der maagd. Een zachte glimlach dreef de pijnlijke uitdrukking van haar gelaat, en zonder de ridder van zich te stoten, antwoordde zij met rustiger tonen: "Adolf hebt gij gezegd? Adolf is de Leeuw gaan halen. Hebt gij hem gezien? Hij heeft u van zijn onzalige Machteld gesproken, nietwaar? Ho ja,—hij bemint mij zo innig. Er was zulk een teder vuur in zijn ogen—zo zoet en zo liefderijk was zijn stem voor mij,—maar nu—nu..."
Een geheim ontvouwde zich voor de ridder. De dochter der Graven van Vlaanderen, die de bruid van een Vorst zijn moest, had zich voor een man met liefde laten innemen. Die slag was in andere omstandigheden geweldig voor hem geweest, maar nu was hij door al te grote pijnen ontroerd om zich daarbij nog meer te laten bedroeven; echter verliet hij de Jonkvrouw, en ging afgemat op een steen zitten. Hij liet het hoofd in de hand neerzinken en zuchtte stilzwijgend, terwijl bitter hartzeer zijn tranen nog meer deed vloeien. Zonder hierop acht te geven, ging de Jonkvrouw dus in haar dwalende rede voort: "En ik zal mijn heer Vader de hand van Adolf vragen: mijn liefde is het loon zijner edelmoedigheid. Terwijl hij de ketens van de Leeuw draagt, wordt hij edeler dan andere heren die ons hebben verlaten en verraden. Ja, ik bewaar mijn trouw—een eed zo plechtig breekt men niet—in mijn hart woont hij ... Mijn vader komt!—Ik zie reeds een straal ... een heilig licht ..."
Nu vergingen haar woorden in doffe klanken, en haar rede werd onverstaanbaar. Na enige ogenblikken aldus gesuisd te hebben, bezag zij de neergezeten ridder met angst, en haar wezenstrekken werden door een grammoedige uitdrukking verduisterd. Alhoewel in diepe bedenking verzonken, had de ridder haar woorden verstaan, en dit had hem grote troost toegebracht. Het oud edel geslacht Van Nieuwland was zonder vlek, en Adolf de eerlijkste ridder die hij kende. Om de pijnen zijner dochter te verzachten, besloot hij deze liefde met zijn toestemming te begunstigen en stond op: "Machteld," sprak hij, "Adolf zij u ten bruidegom geschonken,—uw vader geeft hem u."
Hij dacht dat deze woorden op de Jonkvrouw een gunstige werking hebben zouden, maar hij verschrikte toen zij hem met dreigende blikken bezag. Door innige pijn gefolterd wist hij niet hoe zich te gedragen en voelde de moed hem begeven. Zonder meer te spreken, vatte hij de hand der kranke maagd en besproeide dezelve met tranen van liefde en smart. Zij rukte weldra haar hand uit de zijne en riep: "Deze hand is niet voor een Fransman,—zij behoort Adolf. Een valse ridder, een schaker als gij, mag dezelve niet raken.—Uw tranen zijn vlekken die de Leeuw met bloed zal uitvagen. Schrik, gij slang!—Beef! Want het ogenblik naakt. Ziet gij dit bloed op mijn kleedsel?—Dit is ook Frans bloed—zie hoe zwart!"
De ridder kon aan zijn martelpijnen niet meer weerstaan, hij viel met smekend gelaat op zijn twee knieën voor de Jonkvrouw en zuchtte: "Om de liefde des Heren, mijn rampzalige Machteld, verwerp de liefde uws vaders niet langer. Laat mijn droeve reis niet nutteloos zijn.—Kunt gij mijn tranen zo onverschillig aanschouwen, en zal uw dierbare stem geen enkel troostend woord voortbrengen? Zult gij mij van smart voor uw voeten laten sterven? O ik smeek u, gij wie ik het leven gaf, een zoen, o een zoen van uw mond....!"
"Een zoen!" riep de Jonkvrouw met afkeer. "Een zoen aan u?"
"Een woord!" hernam de ridder. "Noem mij uw vader, verstoot mij niet meer. Wist gij, mijn ongelukkig kind, welke afgrijselijke pijnen uw verwerping mij aandoet, kondet gij de benauwdheid uws vaders kennen. Maar neen, gij dwaalt, de vervolging der Fransen heeft uw ziel getroffen. O wanhoop!"
"Gij vraagt een zoen?" antwoordde het meisje. "Neen. Een zoen aan een Fransman?—Ga heen—reik uw armen zo niet tot mij. Het zijn slangen die het venijn der oneer met zich dragen. O raak mij niet—houd op booswicht! Uw zoen brandt op mijn voorhoofd.—Hulp! O hulp!"
Door een krachtige beweging geraakte zij uit de armen van de ridder en sprong huilend van de bedstede, in haar vervaardheid liep zij naar de ingang der zaal en wilde ontvluchten. De ridder beefde, en sprong angstig vooruit om haar te wederhouden. Hoe verschriklijk was dit toneel, hoe onbegrijpelijk de pijn des ridders! Hij omvatte zijn ongelukkige dochter met een bange zorg, en poogde haar tot de bedstede terug te brengen, maar zij, in haar dwaling, aanzag hem als een vijand, en vocht met een nijdige weerstand tegen haar wanhopige vader. Door pogingen die bovennatuurlijk schenen, rukte zij zich menigmaal uit zijn handen en verplichtte hem haar in de zaal te vervolgen; zij huilde vervaarlijk en sloeg hem in haar wederstreving met bitsige kracht. Om haar de uitgang te beletten, zag de vader zich genoodzaakt haar met meer geweld te wederhouden, en haar pijnlijk in zijn armen te drukken. Van zijn mannenkracht gebruik makende, hief hij het huilende meisje van de grond en plaatste ze terug op het bed. Zij bezag hem met verwijtend gelaat, en begon bitter te wenen.
"Gij hebt de krachten ener maagd overwonnen," zuchtte zij. "O gij valse ridder! Wat aarzelt gij nu? Niemand ziet immers uw verbreken—dan God! Maar die God heeft de dood tussen ons beiden geplaatst.—Een graf gaapt tussen ons. Daarom weent gij ..."
De ongelukkige vader was zozeer door pijn en smart ontroerd dat hij deze woorden niet hoorde. Hij zette zich nogmaals vol wanhoop op de steen, en bezag zijn wenend kind met dwalende blikken, onuitsprekelijke folteringen maakten hem sprakeloos en de moed ontviel hem; zijn hoofd zonk machteloos op zijn borst.
Terwijl hadden de ogen van Machteld zich gesloten en zij scheen te slapen. Een lichte straal van hoop drong in het hart des vaders, deze rust kon zijn leed en de smarten zijner dochter verzachten. In dit gedacht hield hij zich beweegloos en stoorde de slaap der maagd niet: alleenlijk bezag hij haar met liefdevolle blikken, en smaakte nog enig genot tussen al zijn pijnen.
Verdraecht soe wie ghi syt;
Want wie verdraecht hi wint den stryt
Verdraghen en es ghene blame;
Het es een dinc van hoghen name.
Enige stonden nadat Breydel het verdelgde slot Male verlaten had, kwam hij met zijn beenhouwers te Sint-Kruis. Reeds onderweg waren hem menige Bruggelingen tegemoet gekomen, en hadden hem verwittigd dat de Franse bezetting der stad te wapen gelopen was, om hem af te wachten. Door de behaalde zegepraal nog gans vervoerd, luisterde hij naar geen waarschuwing en achtte zich machtig genoeg om, in weerwil der Fransen, in Brugge te treden; maar enige stappen voorbij het dorp Sint-Kruis werd hij met zijn beenhouwers door een onverwachte hinderpaal wederhouden.
De baan was tot aan de stadspoort zodanig met mensen overdekt dat het onmogelijk ware geweest door derzelver dichtgesloten scharen heen te dringen. Alhoewel het nog duister nacht was, kon men echter aan de duizenden stemmen, die zich bruisend mengden, wel herkennen dat een ontelbaar gevaarte de stad ontvlood. Verwonderd en verbaasd bezag Breydel dit volk, dat als een golvende zee vooruitdreef,—en schikte zich met zijn mannen bij de boord der baan.
De vluchtelingen liepen niet verward door elkander; ieder huisgezin vormde op zich een afzonderlijk gedeelte, en mengde zich niet met anderen. Een wenende vrouw was in het midden van ieder hoopje, op haar schouder leunde een stokoude vader, aan haar borst hing een zuigeling, en aan haar handen liepen schreiende en afgematte kinderen.
Achter haar volgden oudere zonen, die onder de last van het huisraad en beddengoed moesten bukken. Zulke troepjes waren er oneindig veel, enigen hadden kleine wagens vol gevluchte waren, anderen zaten te paard; echter was het getal dergenen, die zich met lastdieren mochten behelpen, zeer gering.
Begerig om de oorzaak van die wonderbare tocht te kennen, vroeg Breydel aan veel der voorbijvluchtende lieden, waarheen zij zich wilden begeven en waarom zij dus hun stad verlieten, maar de klagende uitroepingen der vrouwen konden hem dit raadsel niet verklaren.
"O heer," riep de ene, "de Fransen willen ons levend verbranden. Wij ontvluchten een bittere dood ...!"
"Och Meester Breydel," riep een andere, met meer pijn, "ga toch om uw levens wil niet naar Brugge, want er staat een galg voor u boven de Smedenpoort!"
En wanneer de Deken, door een tweede vraag, zich deze zaak wilde ophelderen, klom een krachtiger stem als het gehuil eens wolfs boven het gevaarte, en galmde: "Vooruit! Vooruit wij rampzaligen! De Franse ruiters vervolgen ons!"
Dan wierp iedereen zich met wanhoop vooruit, en de hoofden der menigte vloden in de duisternis met ongelooflijke snelheid voorbij.—Op dit ogenblik verenigden zich meer klagende stemmen en riepen:
"Wee! Wee! Zij verbranden onze vaderstad ... Zie de vlammen verheffen zich boven onze daken. O wee! O wee!"
Breydel, die tot daar toe verbaasd was blijven staan, wendde zijn gezicht naar de stad en ontwaarde de kronkelende vlammen met de rode smook boven de vesten. Woede en pijn brandden in zijn boezem; naar de stad wijzende, barstte hij uit: "O mannen, is er een onder u laf genoeg, om zijn stad zo te laten verdelgen? Neen, bij de ziel mijns overleden vaders! Zij zullen zich om dit vreugdevuur niet vermaken, of de Heer straffe mij onbarmhartiglijk—Op! Op! Werpt alles uit de weg!—Wij moeten erdoor ..."
Door zijn makkers gevolgd sprong hij met onweerstaanbaar geweld tussen de scharen, en dreef de verschrikte huisgezinnen uiteen. Een naar gedruis, een schriklijk gehuil ontstond, en de vluchtelingen liepen ijlings langs alle kanten uit de baan; want zij dachten dat de Franse ruiters hun op het lijf waren. Het was Jan Breydel niet moeilijk door deze dwalende vrouwen en kinderen te dringen, ook kon hij zich met genoegzame snelheid voortspoeden. Terwijl hij zich verwonderde geen strijdbare mannen of ambachtsgezellen aan te treffen, en nutteloos naar dezelve uitzag, werd hij onverwachts in zijn loop door een regelmatige schaar wederhouden.
Zij bestond uit een groot getal gezellen van het weversambacht, allen waren gewapend alhoewel niet op dezelfde wijze. Zij droegen kruisbogen, messen, bijlen of dergelijk opgenomen wapen. Een Deken of Hopman ging met statige tred voor deze mannen, en sloot alzo de baan als met een dwarsboom af. Nog meer zulke scharen kwamen beurtelings uit de stad, en het getal der gewapende Bruggelingen beliep tot vijfduizend hoofden. Breydel meende bij de Hopman te naderen, maar dan hoorde hij wat verder een stem, die het gerucht der wapenen beheerste. Hij herkende Deconinck aan deze woorden: "Dat er rustigheid en moed in uw harten zij, mijn gezellen! Niemand verlate zijn gelid!—En gaat niet te driftig voort, opdat er geen wanorde onder u kome.—Vooruit de derde schaar! Sluit op, de tros!—Hopman Lindens, breek uw linkervleugel!"
"Bij God!" riep Jan Breydel, toen hij bij Deconinck genaderd was. "Gij vermaakt u met schone oefeningen. Zult gij lijden dat men onze stad verbrande? En zult gij als lafaards uw vrouwen en kinderen in de vlucht volgen? Arme zielen die gij zijt!"
"Altijd driftig—altijd vervoerd!" antwoordde Deconinck. "Wat spreekt gij nu van branden?—Wees verzekerd dat de Fransen niets verbranden zullen."
"Maar meester Pieter, zijt gij blind?—Ziet gij de vlam niet die boven onze muren stijgt?"
"Welnu, dit is het stro dat wij aangestoken hebben om onze troswagens zonder belemmering door de poort te brengen. De stad heeft geen nood, mijn vriend. Kom terug met mij tot Sint-Kruis, ik heb u gewichtige geheimen mede te delen:—nu is de tijd gekomen. Gij weet dat ik de zaken met koelen bloede beoordeel, en daarom veeltijds gelijk heb; voldoe mijn begeerte en schaar uw beenhouwers in orde vooruit.—Wilt gij?"
"Ik moet wel; want ik weet niet wat er gaande is. Houd uw wevers dan wat staande."
Deconinck beval de aanleiders dat zij hun mannen zouden doen ophouden. Dan verhief zich de stem van Jan Breydel, hij riep: "Macecliers, schaart u in gelederen voor het hoofd des lichaams! Ieder in zijn bende—maakt spoed!"
Onderwijl liep hij tussen de beenhouwers en schikte ze in hun plaats. Wanneer dit gedaan was, kwam hij weder bij Deconinck en sprak: "Wij zijn klaar, meester, gij kunt de tocht gebieden."
"Neen, Breydel," antwoordde de Deken der wevers, "ik laat u het opperbevel der benden over. Gebiedt gij het vertrek, gij lijkt meer dan ik naar een legerheer."
De Deken der beenhouwers verblijdde zich grotelijks bij deze hulde, en schreeuwde met donderende stem: "Macecliers en wevers! Op matige tred ... Vooruit!"
Op dit bevel bewogen zich de scharen en het kleine leger ging langzaam voort in de baan. Na weinig tijds kwamen zij te Sint-Kruis, bij de vrouwen en kinderen, die zich aldaar met hun goederen hadden neergeslagen.—Verwonderlijk was die verwarde legering. Ontellijke huisgezinnen hadden zich op een uitgestrekt veld neergezet. Het ware onmogelijk geweest op dit ogenblik verder dan enige stappen van zich iets te onderscheiden, zo duister was de nacht; maar reeds waren er menigvuldige vuren ontstoken, invoege dat men de bedrukte huisgezinnen in gloeiende kringen van ver kon zien. De vlam verlichtte het beschreide wezen der moeder met een rode glans, en toonde met welke bange liefde zij de zuigeling tegen de uitgeputte borsten drukte. Andere kinderen lagen afgemat op haar knieën en weenden bitter van honger en dorst, zonder dat hun enige lafenis kon gegeven worden;—en de gepijnde moeder moest bij dit hartnijpend gezicht voor allen lijden. Het gerucht dat boven de legerplaats heerste, werd, bij de donkerheid en bij de toverglans der vuren, nog vervaarlijker.—Het geschrei der kinderen, de doffe klachten der vrouwen benepen de ziel, als het laatste gebed dat bij het graf eens vriends gezongen wordt. Boven dit alles galmden de angstige roepen der dwalende zonen, die hun moeder verloren hadden; en nog hoger galmde het gehuil der honden, welke hun meester tevergeefs in de verwarring hadden gezocht.
Deconinck ging met Breydel in een huis dat bij de weg stond en gebood de bewoners hem een kamer aan te wijzen. Met de grootste eerbied voor de Deken der wevers boden de landlieden hem de ganse woning aan, en brachten de twee vermaarde Bruggelingen op een kleine kelderkamer. Deconinck nam de lamp uit de handen der vrouw die hen geleidde, en nadat zij het vertrek verlaten had, sloot hij de deur vast toe, opdat niemand hen mocht bespieden of verrassen; hij gaf Breydel een zetel, en plaatste zich nevens hem. Terwijl de beenhouwer hem met nieuwsgierigheid bezag, ving hij aan: "Eerst wil ik u verklaren waarom wij de stad des nachts en als vluchtelingen verlaten. Het is uw schuld, door de onvoorzichtige wraak welke gij, tegen uw belofte, op de bezetting van het slot Male gepleegd hebt. De vlammen die hemelhoog boven het woud stegen, hebben de noodklok in onze stad doen kleppen, en al de inwoners zijn met angst te saam gelopen;—want in deze droeve tijden hebben zij altijd de dood voor ogen. Mijnheer De Mortenay had zijn Franse soldeniers, zonder ander inzicht dan voor eigen veiligheid, op de markt geschaard; men wist niet wat er gaande was, maar wanneer enige uwer slachtoffers van Male bij hen kwamen, en luidkeels om wraak over de Bruggelingen riepen, was er geen tegenhouden meer aan: zij wilden het al verbrand en vermoord hebben, en Mijnheer De Mortenay moest hen met de doodstraf bedreigen, om hen te bedwingen. Gij kunt wel denken dat ik in die omstandigheden mijn wevers vergaderd had, en mij tot bloedige tegenweer bereid maakte. Misschien ware het ons gelukt de Fransen zelf te verjagen, maar die zege kon ons niet dan schadelijk zijn, dit zal ik u aanstonds bewijzen. Ik ging dan onder vrijgeleide bij Mijnheer De Mortenay en verkreeg van hem, dat hij de stad niet schaden zou op voorwaarde dat wij allen op staande voet zouden vertrekken.—Bij het rijzen der zon zal hij al de in de stad blijvende Klauwaards doen hangen."
Breydel verbitterde zich hevig, daar hij die schandelijke voorwaarde met zulke koelen bloede door de Deken der wevers hoorde verhalen.
"Bij al de Engelen des hemels!" riep hij. "Hoe hebt gij dit zo lafhartig aangenomen: gij laat u als een kudde domme schapen verdrijven. Ware ik ter plaatse geweest, gij zoudt Brugge niet verlaten hebben ..."
"Ho, waart gij daar geweest! Weet gij wat er zou gebeurd zijn? De straten van Brugge zouden vol lijken liggen en de verdelgende vlammen zouden nu onze huizen in as gelegd hebben. Maar, mijn driftige vriend Jan, laat mij u eerst wijdlopiger over de stand der zaken spreken, en dan zult gij mij gelijk geven, dit weet ik.—Het is zeker, Meester, dat de stad Brugge niet vrij en onafhankelijk blijven kan, zolang de andere steden des Lands in de slavernij der Vreemden zijn, immers dan wonen onze vijanden gedurig onder onze wallen. Het is ook niet billijk, het heilige woord Vaderland voor het mindere woord geboortestad te vergeten. De banden der Franse dwingelandij kunnen wij niet breken dan met de hulp der steden van Vlaanderen, dewijl in elke plaats vijanden wonen, wie het belangrijk zijn zou ons de bevochten vrijdom te ontroven. Gewis hebt gij aan dit alles ook wel eens gedacht, maar in uw manlijke drift springt gij over de hinderpalen, zonder dezelve uit de weg te ruimen. Iets van hoger belang is u ontgaan: gelief mij op deze vraag te antwoorden.—Wie gaf ons de macht om te moorden en te branden? Wie heeft deze daden, welke op aarde met de dood en bij God met doemnis gestraft worden, in ons heilig gemaakt?"
Breydel blikte met misnoegen op de Deken der wevers, en antwoordde: "Maar Meester, ik geloof dat gij, met uw hoge rede, mij zoekt te verwarren. Zo worde de galg der Smedenpoort mijn rustplaats, indien ik slechts weet wat gij zeggen wilt.—Wie gaf ons de macht om te moorden en te branden! Wie gaf die macht aan de Fransen, zeg?"
"Wie? Hun Koning Philippe le Bel en hun Veldheer De Chatillon. De Vorsten dragen op hun gekroonde hoofden ook de beloning of de straf hunner goede of boze geboden. Door trouw en gehoorzaamheid kan een onderdaan niet zondigen. Het vergoten bloed getuigt tegen de Meester die gebiedt, en niet tegen de dienaar die gehoorzaamt. Maar wij, die zonder bevel en door eigen wil te werk gaan, zijn ook voor God en de wereld verantwoordelijk voor onze daden,—op onze hoofden valt het door ons vergoten bloed!"
Een innige spijt ontroerde de Deken der beenhouwers. De verklaring van Deconinck woog zwaar op zijn hart en alhoewel hij niet veel er tegen wist te zeggen pijnde het hem zeer dezelve aan te nemen.
"Maar Meester," viel hij in, "gij schijnt naberouw te hebben, dit ware schande. Hebben wij ons lijf en goed niet verweerd, en heeft de liefde tot onze wettige heer, de Leeuw, ons niet daartoe gedreven? Ik ken mij vrij van misdaad;—en ik hoop wel dat mijn bijl haar laatste slachtoffer niet gezien heeft. Hoezeer ik soms genegen ben uw onverstaanbaar gedrag te berispen, durf ik het echter niet doen; want uw gangen zijn geheimer dan de baan der ziel van een stervend mens."
"Gij denkt wel, er schuilt iets anders onder, en dit is de knoop welke ik u ga ontbinden. Gij hebt altijd gedacht, meester Jan, dat ik te lijdzaam en te traag was; maar luister wat ik deed, terwijl gij uit wraaklust het bloed der vijanden nutteloos deed stromen. Ik heb onze pogingen tot de vrijmaking des Vaderlands aan onze Graaf Gwyde bedektelijk doen kennen, en hij heeft dezelve met zijn vorstelijke goedkeuring bekrachtigd.—Nu zijn wij geen muitelingen meer, mijn vriend,—nu zijn wij wettige veldoversten onzes Landheers.......!"
"Dank zij u, o Meester," riep Breydel in verrukking uit, "nu versta ik u. Hoe trots klopt mij het hart bij die erenaam! Ja, ik was een muiter, en ik wist het; maar nu een waardige krijger..... De Fransen zullen die verandering terdege gewaarworden—dit zweer ik!"
"Van deze goedkeuring heb ik gebruik gemaakt, om al de vrienden van het Vaderland heimelijk tot een algemene opstand te roepen, en dit is mij gelukt: op de eerste uitnodiging zullen in alle steden van Vlaanderen moedige Klauwaards als uit de grond oprijzen......."
De Deken der wevers werd door een heilvol vooruitzicht ontroerd; terwijl een traan onder zijn ooglid glimde, drukte hij de hand van Breydel en, zijn afgebroken rede hervattende, sprak hij: "En dan, mijn heldhaftige vriend Breydel, o dan zal de zon der vrijheid in Vlaanderen geen enkele levende Fransman meer beschijnen!—En uit schrik onzer wraak zullen zij ons de Leeuw wedergeven. Aan ons—aan ons, zonen van Brugge, zal Vlaanderen zijn verlossing schuldig zijn. Wordt uw geest niet door edele trotsheid vervoerd bij die overtuiging?"
Breydel omarmde Deconinck met onstuimige blijdschap.
"Mijn vriend, o mijn vriend!" riep hij. "Uw woorden vloeien zo treffend over mijn hart: een onbekend gevoel ontheft mij—ik ben de gelukkigste mens op aarde! O vaderland, hoe groot maakt gij de zielen dergenen die u beminnen! Zie, meester Pieter, op dit ogenblik zou ik mijn naam van Vlaming voor de kroon van Philippe le Bel niet verruilen!"
"Gij weet nog alles niet, meester. De jonge Gwyde van Vlaanderen en Jan de Graaf van Namen hebben met ons saamgespannen. Mijnheer Jan Borluut zal de Gentenaren aanbrengen, in Oudenaarde hebben wij Mijnheer Arnold, in Aalst Boudewyn van Papenrode. Mijnheer Jan van Renesse belooft ons al zijn vazallen uit Zeeland, en nog meer machtige Leenheren zullen ons bijstaan. Wat zegt gij nu van mijn lijdzaamheid?"
"Ho, ik bewonder u, mijn vriend, en dank God innerlijk dat hij u zoveel vernuft gegeven heeft. Nu is het met de Fransen gedaan: ik geef geen zes Groten voor het leven van de laatste!"
"Het is heden om negen uur in de morgen dat de Vlaamse heren moeten bijeenkomen, om de dag der wraak te bepalen. De jonge Gwyde blijft als Veldheer onder ons, de anderen keren onmiddellijk naar hun Lenen terug om hun mannen gereed te houden. Het zou raadzaam zijn dat gij met mij ook derwaarts gingt, dan zoudt gij de genomen maatregels, bij gebrek aan kennis niet verijdelen. Wilt gij met mij tot in het witte bos bij den Dale reizen?"
"Het zij volgens uw begeerte, Meester; maar wat zullen onze gezellen over onze afwezendheid zeggen?"
"Daarin is alreeds voorzien; ik heb hun mijn vertrek kenbaar gemaakt, en het opperbevel de Deken Lindens overgegeven: hij zal zich met onze mannen naar Damme begeven en ons daar afwachten. Kom, wij vertrekken terstond, want het wordt klaar dag".
Met allerhaast werden er twee zadelpaarden bereid, en nadat Breydel de nodige bevelen aan zijn beenhouwers gegeven had, verlieten de twee Dekens het dorp Sint-Kruis. Gedurende deze snelle reis was het hun niet mogelijk veel te spreken, echter antwoordde Deconinck met korte woorden op de vragen van Breydel, en ontvouwde hem het grote ontwerp der algemene verlossing.—Na gedurende een uur met losse toom gereden te hebben zagen zij de gescheurde torens van Nieuwenhove boven de bomen uitsteken.
"Dit is immers Nieuwenhove, waar de Leeuw zoveel Fransen verslagen heeft?" vroeg Breydel.
"Ja, nog een halve mijl van het witte bos."
"Gij moet bekennen dat men onze heer Robrecht niet beter kon dopen, want hij is een waarachtige leeuw als hij het zwaard in de vuist heeft."
Eer Breydel deze woorden geëindigd had, waren zij ter plaatse waar de zwarte ridder de schakers der maagd had bevochten; zij zagen de bebloede lijken op de aarde liggen.
"Het zijn Fransen!" morde Deconinck nevens de baan voorbijrijdende.
"Kom voort, meester Jan, wij mogen ons niet ophouden."
Breydel bezag dit ijselijk toneel met nijdige blijdschap, hij dreef zijn paard heen en weer over de uitgestrekte lijken, en verplichtte het beest dezelve te vertreden. Op de roep van Deconinck gaf hij geen acht, en vertrapte het ene lichaam na het andere met een wrede nauwkeurigheid. De Deken der wevers moest tegen dank bij hem terugkomen.
"Maar Meester Breydel," riep hij, "wat doet gij? Om Gods wil, houd op! Gij neemt een eerloze wraak."
"Laat mij doen," antwoordde Breydel, "gij weet niet dat dit die soldeniers zijn, welke mij in het aangezicht geslagen hebben.—Maar wat hoor ik? Luister! Hoort gij ginds, in de puinen van Nieuwenhove, geen klank, als de klacht ener vrouw? Ho welk gedacht! Zij hebben de Jonkvrouw Machteld langs hier uit Male vervoerd...."
Op hetzelfde ogenblik sprong hij van zijn paard en zonder het ergens aan te binden, liep hij uit alle kracht naar de puinen. Zijn vriend volgde hem hierin na, doch Breydel was reeds op de voorhof van het slot eer Deconinck van zijn draver gestegen was. Deze gebruikte dan nog enige ogenblikken om de twee paarden bij de baan vast te maken. Hoe meer Breydel bij de puinen naderde, hoe klaarder hij de klachten der maagd hoorde. Dewijl hij de ingang der plaats waar zij zich bevond niet ras genoeg kon aantreffen, klom hij op een hoop stenen en zag door het venster in de zaal. Hij herkende Machteld bij de eerste blik, maar de zwarte ridder die haar wilde omhelzen en tegen dewelke zij zich wanhopiglijk verweerde kon hem niet dan als een vijand toeschijnen. Op dit gedacht trok hij de bijl van onder zijn kolder, klom op de dorpel van het venster, en liet zich als een steen op de vloer der zaal vallen.
"Boze schaker!" riep hij de zwarte ridder toe. "Eerloze Fransman!—Gij hebt lang genoeg geleefd.—Gij zult niet ongestraft de handen op de dochter van de Leeuw, mijn heer, gelegd hebben!"
De ridder stond als verstomd over die plotselinge verschijning en had de bedreigingen van de Deken met verbaasdheid aanhoord, doch na hij zijn ogen van de beenhouwer op het venster had gestuurd, herstelde hij zich enigszins en antwoordde: "Gij bedriegt u, Meester Breydel, ik ben een zoon van Vlaanderen. Bedaar, de dochter van de Leeuw is gewroken."
Breydel wist niet wat denken, hij trilde nog van toorn, maar de woorden van de ridder, die in de Vlaamse taal antwoordde en hem bij zijn naam kende, hadden macht genoeg om hem te wederhouden. Machteld had zich geenszins bij de verschijning van Breydel verschrikt; in haar dwaling overtuigd zijnde dat de zwarte ridder een harer schakers was, lachte zij met vreugde en riep: "Dood hem! Hij heeft mijn vader gekerkerd—en wil mij bij de boze Johanna van Navarra voeren,—de valsaard! Waarom wreekt gij het bloed uwer Graven niet, Vlaming?"
De ridder bezag de Jonkvrouw met smartelijk medelijden en tranen barstten in overvloed uit zijn ogen.
"Rampzalig kind!" was zijn zucht.
"Gij bemint en beklaagt de dochter van de Leeuw," sprak Breydel, de hand des ridders drukkende, "vergeef mij, Mijnheer—ik heb u niet gekend."
Op dit ogenblik kwam Deconinck aan de ingang der zaal. Hij hief de handen met verbaasdheid boven zijn hoofd, en zich voor de ridder op de knieën werpende, riep hij uit: "O hemel! De Leeuw, onze heer!"
"De Leeuw, onze heer?" herhaalde Breydel, terwijl hij zich ook geknield nevens de Deken der wevers plaatste. "God, wat heb ik gedaan!"
Zij bleven vol eerbied en diepgebogen voor de ridder, en zonder te spreken zitten.
"Staat op, mijn trouwe onderdanen," sprak Robrecht van Bethune hun toe. "Ik weet wat gij voor uw Vorsten gedaan hebt."
Nadat zij zich hadden opgericht ging hij voort: "Aanziet de dochter van uw Graaf, en overdenkt hoe het hart eens vaders bij dit gezicht moet geplet worden.—En niets om haar te helpen, geen voedsel, geen andere drank dan het kille water der beek ... Gij ziet het, de Heer beproeft mij bij felle slagen."
"Gelieft het u, doorluchtige Graaf, mij te bevelen dat ik u dit alles bezorge?" vroeg Breydel. "Mag een gering onderdaan u daarin dienen?"
Bij deze vraag liep hij reeds naar de deur, doch een gebiedend teken van de Graaf bracht hem terug.
"Ga," sprak hij, "zoek een geneesheer; maar het zij een trouwe onderdaan. Eis van hem de eed dat hij niets van hetgeen hij zien of horen kan, zal kenbaar maken."
"Heer Graaf," riep Breydel juichend, "ik weet juist een mijner goede vrienden: de warmste Klauwaard van Vlaanderen. Hij woont te Waardamme, ik zal hem welhaast hier brengen."
"Ik verzoek u dat gij hem de Leeuw van Vlaanderen niet noemt, en beveel u beiden een eeuwig geheim.—Ga!"
Breydel verliet de zaal.
Na menigvuldige vragen, welke de Graaf de Deken der wevers over 's Lands zaken deed, sprak hij: "Ja, meester Deconinck, ik heb in mijn gevangenis door Mijnheer De Vos en door Adolf van Nieuwland uw mislukte pogingen vernomen. Het is mij een groot genoegen nog zulke trouwe onderdanen te hebben, terwijl de meeste Edelen mij verlaten."
"Waar is het, doorluchtige Graaf," antwoordde de Deken, "vele heren hebben zich tegen het Vaderland verklaard; doch het getal der trouwgebleven Edelen is groter dan dit der bastaarden. Mijn pogingen zijn ook niet mislukt, zoals het uw graaflijke Hoogheid denkt: nooit was Vlaanderen nader bij de verlossing; op het tegenwoordig uur zijn de heren Gwyde en Jan van Namen, met talrijke andere Edelen in het Witbos bij den Dale vergaderd, om een machtige samenspanning aan te gaan: zij wachten slechts naar mij[79]."
"Wat zegt gij, Deken, zo nabij deze puinen? Mijn twee broeders!"
"Ja Mijnheer, uw twee doorluchtige broeders en ook uw trouwe vriend Jan van Renesse."
"O God! En ik mag ze niet omhelzen. Mijnheer De Vos heeft u gezegd op welke voorwaarde ik mijn gevangenis heb verlaten; ik wil het leven van degene die mij ogenblikkelijk de vrijheid schonk niet in gevaar stellen. Nochtans begeer ik mijn broeders te zien, ik zal met u gaan, maar met gesloten helm. Indien ik nodig oordele mij bekend te maken, zal ik u een teken doen, en gij zult de bijzijnde ridders hun erewoord afeisen, dat zij het geheim van mijn naam zullen bewaren; indien zij dit weigerden, zouden zij mij niet kennen. Ik wil ook niet spreken."
"Uw wil zal geschieden, Mijnheer, wees verzekerd dat gij over mij zult voldaan zijn, ik begrijp uw inzicht zeer wel ... De kranke Machteld schijnt te slapen: de rust zij haar heilzaam!"
"Zij slaapt niet, het arm kind,—zij sluimert van vermoeidheid. Maar, mij dunkt, ik hoor stappen van mensen. Nu ik mijn helm op het hoofd geplaatst heb, kent gij mij niet meer,—vergeet dit niet."
De geneesheer kwam met Breydel in de zaal, hij groette de zwarte ridder met eerbied en ging zonder spreken tot bij de kranke maagd. Nadat hij de gewone onderzoekingen gedaan had, verklaarde hij dat de Jonkvrouw ten spoedigste moest gelaten worden, en gaf haar vervolgens een vlijmsteek in de ader van de linkerarm, terwijl de twee Dekens haar op het bed gevestigd hielden. De Graaf zuchtte pijnlijk en wendde het hoofd naar de andere zijde der zaal. Dit bloed, dat in een dansende straal uit de arm van zijn ongelukkig kind sprong, liep hem als bittere gal over het hart, en deed hem van pijn sidderen. Zijn droefheid met moeite overwonnen hebbende, keerde hij zich weder tot zijn dochter, doch staarde op de grond. De geneesheer stuitte het bloed der Jonkvrouw niet, dan nadat haar de krachten begaven. Zij hijgde enige malen met geweld en verviel in een stuiptrekkende hartvang. Dan werd haar de arm verbonden,—en zij scheen te slapen.
"Mijnheer," sprak de geneesheer, zich tot Robrecht kerende, "ik verzeker u dat de Jonkvrouw geen gevaar loopt. De rust zal haar de geest herstellen."
Zodra de Graaf deze troostende woorden hoorde, wenkte hij de twee Dekens en ging met hen uit de zaal. Buiten de puinen sprak hij tot Breydel:
"Meester, ik beveel mijn kind aan uw zorg. Keer terug bij haar en bewaar de dochter uwer Graven tot mijn wederkomst. Meester Pieter, wij vertrekken naar het Witbos."
Zijn draver gehaald hebbende reed hij uit de puinen. De Deken der wevers vergezelde hem te voet, en liet zijn paard in de baan staan, alhoewel hij er met de Graaf voorbijging, maar hij wist al te wel, dat het hem niet betaamde nevens zijn Landheer te rijden. Een weinig voor het Witbos kwamen een tiental heren hen tegemoet. Deze, Deconinck herkennende, keerden met hem terug in het woud. De voornaamsten onder hen waren Jan Graaf van Namen en de jonge Gwyde, beide broeders van Robrecht van Bethune, Willem van Gulik, hun neef, Priester en Proost van Aken, Jan van Renesse de moedige Zeelander, Jan Borluut de held van Weeringen, Arnold van Oudenaarde en Boudewyn van Papenrode. De tegenwoordigheid van een onbekende ridder boezemde hun het grootste mistrouwen in, ook bezagen zij Deconinck alsof zij een spoedige verklaring eisten. De Deken der wevers kwam te midden onder hen en sprak: "Mijne heren, ik breng u de grootste vijand der Fransen,—de edelste ridder van Vlaanderen. Een gewichtige reden, waaraan het leven van een edelmoedig mens gehecht is, verbiedt hem zich door UEdele op dit ogenblik te laten kennen; gelieft het hem derhalve ten goede te duiden dat hij zijn helm gesloten houdt en ook niet spreke;—want zijn stem is u allen als de stem uwer moeder bekend. Mijn lang beproefde trouw is UEdele een waarborg dat ik geen valse broeder zal aanbrengen."
De ridders verwonderden zich over die zonderlinge verklaring, en poogden in hun geheugen de naam des onbekenden te raden; doch mits de tegenwoordigheid van de gevangen Leeuw hun niet als mogelijk kon voorkomen, waren hun gissingen vruchteloos. Zij betrouwden zich echter ten volle op de voorzichtigheid van de Deken der wevers, en zonden hun dienaren in verschillende richtingen, om hen voor een onverwachte verrassing te beveiligen. Deconinck ving aldus aan: "Mijne heren, de gevangenis onzer doorluchtige Landheren is de Bruggelingen zeer smartelijk geweest. Het is waar, wij zijn menigmaal tegen hen opgestaan, omdat men onze voorrechten wilde krenken, en wellicht hebt gij gedacht dat wij met de Fransen zouden hebben samengespannen, maar gedenkt dat een edelmoedig en vrij volk geen vreemde meesters kan lijden; ook hebben wij, sedert de verraderlijke aanslag des Konings Philippe le Bel, ons lijf en goed menigmaal gewaagd, menig Fransman heeft de euveldaad van zijn Vorst met de dood geboet, en het bloed der Vlamingen heeft in Brugge bij beken gestroomd. In deze stand van zaken heb ik mij verstout UEdele de mogelijkheid ener algemene verlossing te doen gevoelen; want ik heb geoordeeld dat het juk diep versleten is, en dus met een krachtige poging kan losgerukt worden. Een gelukkig toeval heeft ons wonderlijk gediend: de Deken der beenhouwers het slot Male vernield hebbende, heeft Mijnheer De Mortenay al de Klauwaards uit Brugge doen vertrekken, en nu bevinden zich de ambachtsgezellen boven de vijfduizend sterk te Damme. Zevenhonderd beenhouwers hebben zich bij ons gevoegd.—En ik mag UEdele verzekeren dat deze laatsten, met hun Deken Breydel, voor tienmaal zoveel Fransen niet wijken moeten,—het is een echte leeuwenschaar. Wij bezitten nu een leger dat niet te misprijzen is, en kunnen onmiddellijk tegen de Fransen ten strijde trekken, indien ons door u de nodige hulp uit andere steden wordt toegezonden. Dit is hetgeen ik u moest te kennen geven; het believe UEdele nu de nodige maatregelen te nemen, want het ogenblik is gunstig: ik wacht uw bevelen om mij als een trouwe onderdaan volgens dezelve te gedragen."
"Mij dunkt," antwoordde Jan Borluut, "dat een al te grote haastigheid ons schadelijk zijn kan. Alhoewel de Bruggelingen opgetrokken en tot de strijd bereid zijn, is het in andere steden zo ver nog niet gevorderd. Het ware te wensen dat wij de wraak nog wat uitstelden, om des te meer middelen te kunnen verzamelen: weest verzekerd dat het leger der Fransen door een oneindig getal verbasterde Vlamingen en Leliaards zal versterkt worden. Wij moeten denken dat wij de vrijheid des Vaderlands in het spel wagen, want zo wij de strijd verloren, zou het voor altijd gedaan zijn:—dan mochten wij het wapen wel aan de wand hangen."
Daar de edele Borluut door gans Vlaanderen als een kundige en wijze krijgsman vermaard was, werd zijn rede door velen der bijzijnde ridders, alsmede door Jan van Namen goedgekeurd. De jonge Gwyde kwam vooruit en sprak met drift: "Overweegt toch, Mijne heren, dat ieder voorbijgaand uur, een uur lijdens is voor mijn oude vader en voor mijn onzalige bloedverwanten: denkt wat pijn mijn doorluchtige broeder Robrecht moet uitstaan. Hij, die nimmer een honend gedacht kon verdragen, die hebben wij twee jaar zonder hulp aan zijn vijanden overgelaten; wij hebben in een laffe lijdzaamheid onze zwaarden laten roesten en de schande op onze hoofden laten verzamelen. Indien onze gevangen broeders uit hun kerker tot ons roepen konden, en vroegen: Wat hebt gij met uw degens gedaan, en hoe hebt gij de plichten eens ridders gehandhaafd, wat zouden wij dan antwoorden? Niets; het rood der schaamte zou onze wangen kleuren en ons hoofd zou zich onder deze verwijting buigen. Neen, ik wil niet meer wachten; het zwaard is uitgetogen—en ik zweer, bij de witte haren mijns ouden vaders, dat de schede het niet meer ontvangen zal, dan met het bloed der vijanden geverfd! Ik hoop dat mijn neef Willem mij in dit voornemen door zijn bijstand zal versterken."
"Hoe eer hoe liever," riep Willem van Gulik. "Wij hebben nu lang genoeg het lijden onzer ouders met droefheid aanzien. Het betaamt niet dat een Man zo lang zonder weerwraak getergd worde. Ik heb het harnas aangetogen en nu blijft het aan mijn lichaam, tot de dag der verlossing;—ik vecht met mijn neef Gwyde en wil van geen uitstel horen."
"Maar, Mijne heren," hernam Jan Borluut, "veroorlooft mij u te doen aanmerken dat wij, om onze mannen bedektelijk te vergaderen, tijd nodig hebben, en dat deze hulp u zal ontbreken indien gij zonder ons te velde trekt. Mijnheer Van Renesse heeft mij reeds een dergelijk gevoelen uitgedrukt."
"Ik kan waarlijk vóór de vijftien dagen mijn vazallen niet te wapen brengen," sprak Jan van Renesse, "en ik zou de heren Gwyde en Willem raden zich volgens de ondervinding van de edele Borluut te gedragen. Het is immers onmogelijk de Duitse ruiters zo dra tot hier te brengen? Wat dunkt u, meester Deconinck?"
"Indien de woorden van een geringe onderdaan voor zijn Landheren mochten gelden, zou ik hen ook tot de voorzichtigheid pogen over te halen, alhoewel dit tegen mijn ontwerp is. Wij zouden in dit geval onze overige broeders uit Brugge lokken en alzo ons leger vermeerderen; intussentijd zouden deze heren hun vazallen kunnen vergaderen en gereed houden, totdat Mijnheer Van Gulik met zijn Duitse ruiters terugkomt."
De zwarte ridder gaf menigmaal zijn misnoegen door de bewegingen zijns hoofds te kennen; het was merkelijk dat hij grote lust tot spreken had, doch hij weerhield zich telkens. Eindelijk moesten Gwyde en Willem zich volgens de wil der andere heren gedragen, want deze waren gezamenlijk tegen het voorstel der twee broeders. Er werd dan nader bepaald dat Deconinck zijn volk te Damme en te Aardenburg legeren zou; Willem van Gulik moest naar Duitsland om zijn ruiters te halen; de jonge Gwyde zou de soldeniers van de Graaf, zijn broeder, uit Namen aanbrengen. Mijnheer Van Renesse vertrok naar Zeeland, en de overigen ieder naar zijn heerlijkheid, om alles tot de algemene opstand bereid te maken.
Op het ogenblik dat zij elkander de hand drukten om zich te verlaten weerhield hen de zwarte ridder met een wenk, en sprak: "Mijne heren! ..."
Zijn stem bracht de verbaasdheid op de aanzichten der ridders, zij bezagen elkaar met een vluchtige blik om hun eigen aandoeningen op het gelaat van anderen te zoeken. Maar de jonge Gwyde sprong vooruit en riep: "O zalig uur! Mijn broeder, mijn lieve broeder, uw stem dringt tot in de grond mijns harten!"
Met onstuimig geweld rukte hij de helm van het hoofd des zwarten ridders en sloeg hem de armen met liefde om de hals.
"De Leeuw, onze Graaf!" was de algemene galm.
"Mijn ongelukkige broeder," ging Gwyde voort. "Gij hebt zoveel geleden; ik heb uw gevangenis zozeer betreurd—maar nu, o heil! Nu mag ik u omhelzen: gij hebt uw ketens gebroken en Vlaanderen heeft zijn Graaf terug. Vergeef mij mijn tranen, zij vloeien ter uwer liefde, bij de droeve heugenis uwer smart. De Heer zij dank voor het onverwacht geluk!"
Robrecht drukte de jonge Gwyde met tederheid op zijn hart: dan wendde hij zich tot zijn andere broeder, Jan van Namen, en na dezelve omhelsd te hebben sprak hij: "Mijne heren, ik zou mij om hoge reden niet bekendgemaakt hebben, maar het wordt mij een plicht u iets te zeggen dat uw besluit moet doen veranderen. Weet dat de Koning van Frankrijk al zijn Leenmannen met hun Laten gedagvaard heeft om tegen de Moren te gaan oorlogen. Mits hij die tocht slechts aanneemt om de Koning van Majorca weder in het bezit van zijn Rijk te stellen, is het zeker dat hij dit machtig leger veeleer tot het behouden van Vlaanderen zal gebruiken[80]. De bijeenkomst is op het einde van juni bepaald; dus nog één maand, en Philippe le Bel bevindt zich aan het hoofd van zeventigduizend man. Bedenkt nu of het niet raadzaam zij dat gij de verlossing vóór dit tijdstip bewerkt, later wordt dit onmogelijk. Ik beveel u niets, want morgen moet ik naar mijn gevangenis wederkeren."
De ridders gevoelden de gegrondheid dezer reden, en kwamen overeen dat de grootste spoed moest gebruikt worden. Dit veranderde hun ontwerp in dezer voege.—Dat zij niet langer wachten en haastiglijk met alle mogelijke bijstand bij Deconinck te Damme komen zouden. De jonge Gwyde werd, als de naaste bloedverwant van Robrecht, tot Opperveldheer van het leger benoemd, dewijl Willem van Gulik deze waardigheid uit hoofde zijns priesterschaps niet wilde aannemen. Jan van Namen kon de Vlamingen persoonlijk niet bijstaan, want in de roering die er ging gebeuren, bleef hem, om zijn Graafschap te bewaren, werk genoeg op handen; maar hij zou hun een goede bende Naamse ruiters toesturen. Korts hierop vertrokken de heren, elk naar zijn heerlijkheid; Robrecht bleef alleen met zijn twee broeders, zijn neef Willem en de Deken der wevers.
"O Gwyde!" sprak Robrecht op een droeve toon. "O Willem! Ik breng u een nieuws zo schriklijk dat mijn tong het niet durft verhalen,—dat het gedacht mij de ogen met tranen verduistert.—Gij weet hoe booslijk de Koningin Johanna onze arme zuster Philippa heeft gevangengenomen: zes lange jaren heeft de ongelukkige een kerker des Louvres tot woning gehad, en binnen die tijd heeft zij haar vader noch haar broeders mogen zien. Gij denkt dat zij nog op aarde is, want gij roept tot God om haar verlossing; maar eilaas! Uw gebeden zijn nutteloos, onze zuster is met venijn vergeven, en haar lichaam is in de Seine geworpen ...[81]!"
Wanneer de droefheid de harten der mensen al te fel schokt, berooft zij hen ogenblikkelijk van gevoel; zo ging het ook met Gwyde en Willem: hun wangen verbleekten, en zonder te spreken blikten zij neerslachtig op de grond.
Gwyde ontwaakte eerst uit die verbaasdheid.
"Het is dan waar," zuchtte hij, "Philippa is dood!—Maar o God, wees mij getuige; en gij, o zalige ziel mijner arme zuster, hoor mij! Ik zweer dat voor elke dag die gij in de kerker hebt doorgebracht een Fransman in zijn bloed zal sterven."
"Laat de smart u zo niet vervoeren, mijn schone neef," sprak Willem van Gulik. "Gij zweert te lichtelijk bij de Heer, uw God. Beklaag uw zuster, bid voor haar ziel, en strijd voor de vrijheid des Vaderlands:—het nijdige graf geeft zijn doden voor geen bloed terug."
"Mijn broeders," viel Robrecht in, "gelieft mij te volgen. Wij gaan uw nicht Machteld bezoeken, zij is niet ver van hier. Ik zal u onderweg nog droever dingen verhalen. Doet uw dienaren hier wachten."
Robrecht vertelde hun vervolgens hoe wonderlijk hij zijn kind uit de handen der Fransen verlost had, en wat pijn hij tussen de bouwvallen van Nieuwenhove had geleden. Zijn droefheid was echter veel verminderd, want hij gaf geloof aan de voorzegging van de geneesheer. De hoop dat Machteld hem eindelijk zou herkennen vertroostte zijn hart, en de gewoonte des rampspoeds gaf zijn ziel meer kracht tot het verwinnen der pijnen.
Zij kwamen weldra in de zaal waar Machteld rustig scheen te slapen: haar wangen waren wit gelijk albast en haar hijgingen zo zacht dat zij een gevoelloos lijk scheen. Groot was de verbaasdheid, welke de ridders beving, bij het zien van het bloed dat op haar klederen met slijk gemengd was; zij sloegen de handen met bitter medelijden te samen, evenwel spraken zij niet, want de geneesheer had hun, met zijn vinger op de mond te leggen, doen begrijpen dat de grootste stilte noodzakelijk was. De jonge Gwyde omhelsde zijn broeder Robrecht, en weende tegen zijn borst met droeve snikken.
"Doemnis!" zuchtte hij. "Daar ligt nu het kind van de Leeuw!"
De geneesheer wenkte de ridders naar de ingang, en bracht hen buiten de zaal;—dan sprak hij: "De Jonkvrouw heeft haar zinnen terug, maar zij is zo zwak, zo afgemat! In uw afwezendheid is zij ontwaakt geweest en heeft meester Breydel herkend; veel dingen heeft zij hem gevraagd om haar geheugen bijeen te roepen. Hij heeft haar getroost, met de verzekering dat Mijnheer Van Bethune haar zou komen bezoeken; het is niet raadzaam, Mijne heren, deze hoop teleur te stellen, dus raad ik u haar niet te verlaten. Ook is het ten hoogste noodzakelijk de Jonkvrouw andere klederen en een betere rustplaats te bezorgen."
Dewijl Robrecht het niet mocht wagen zich van meer personen te laten kennen, gaf hij voor dit ogenblik geen gevolg aan de bevelen van de geneesheer; hij keerde met zijn broeders terug bij Machteld en bleef in een stille droefheid op haar ontverfde wezenstrekken staren. De lippen der maagd bewogen zich, en van tijd tot tijd kwam een onvatbare klank uit haar borst. Een krachtiger adem dreef het tweemaal herhaalde woord "Vader!" als een zoete harpentoon in de oren van Robrecht; hij door een gelukzalig liefdegevoel geroerd bracht zijn lippen op de mond zijner dromende dochter.—Die lange zoen, bij dewelke een zielsgedeelte des vaders voor de tweede maal in de boezem van het kind zonk, gaf het bloed der maagd meer vloeibaarheid en meer leven: een twijfelachtige roos kwam onder ieder harer wangen en haar ogen openden zich, tussen een zachte doch heilvolle glimlach.
Onbeschrijfelijk was de uitdrukking van 's meisjes wezenstrekken; zij blikte zonder spreken in de ogen haars vaders, en scheen in zoete wellust onttogen.—Gewis hebben de Engelen in de hemel geen zaliger gelaat, wanneer zij het aanschijn des Heren aanschouwen.—Weldra hief de Jonkvrouw haar armen omhoog en Robrecht schikte zijn hals boven haar om zich te laten omhelzen, maar dit was het inzicht der maagd niet. Zij bracht haar twee handen op het aangezicht van haar vader en dreef haar vingers strelend over zijn wangen. Beide waren zij door een innig zielsgevoelen ingenomen en vormden zich een wereld van zalige gepeinzen; de vader betreurde zijn martelpijnen niet, veeleer dankte hij de God, die alzo de ongelukkige ook meer genietingskracht tot het smaken der vreugde geeft.
Niet minder waren de omstaanders bij dit toneel van heilige vaderliefde getroffen, zij dorsten dit plechtig stilzwijgen door geen zucht verstoren, en vaagden bedektelijk de tranen uit hun ogen. Hun houding was nochtans zeer verschillend: Jan van Namen, die zijn droefheid beter kon overwinnen, stond met stijve blik en opgeheven hoofd in de zaal; Willem van Gulik, de Priester, zat geknield en met saamgevoegde handen te bidden. De jonge Gwyde en Jan Breydel mengden tussen de bittere smart het gevoel van een brandende wraaklust; dit was zichtbaar aan de nijdige samentrekking hunner lippen en de dreigende wending hunner gesloten vuisten. Deconinck die in andere gevallen zo koud scheen, was nu de droefste van allen, zijn tranen lekten overvloediglijk onder de hand, met dewelke hij zijn aangezicht had bedekt. Geen mens was er in Vlaanderen, die zijn landheer Robrecht meer beminde dan de Deken der wevers; alles wat het Vaderland kon groot maken was heilig voor de edele burger van Brugge.
Eindelijk ontwaakte de jonge Machteld uit haar stille beschouwing; haar armen drukten haars vaders hoofd met vurige drift tegen haar hijgende borst, en zij sprak met zwakke stem: "O mijn vader, mijn beminde vader!—Daar ligt gij nu op het hart van uw gelukkig kind! Ik voel uw boezem tegen de mijne jagen... Wees geloofd o God, die zoveel heils de mensen geschonken hebt! Blijf zo tegen mij, mijn lieve vader, want uw zoenen voeren mij ten hemel."
"Uw liefde, o mijn kind," riep Robrecht, "vergoedt al mijn geleden smart. Gij kunt niet begrijpen hoe bitter uw verwerping mij geweest is;—maar alzo weet God alleen wat vreugde hij in deze stond, als een stroom, over mijn hart laat vloeien. Ik wil mijn zoenen op uw wangen vermenigvuldigen, want zij zijn een balsem voor de wonden mijner ziel. Mijn lieve Machteld, hoe bitter was toch uw lot!"
Intussen was de jonge Gwyde genaderd, hij stond met open armen voor de bedstede en scheen ook om een omhelzing te smeken. Zodra Machteld hem bemerkte, sprak zij tot hem zonder haar vader los te laten: "Ha, mijn beminde neef Gwyde, gij ook zijt hier! Gij weent over mij?—En Mijnheer Willem die ginds zit te bidden, en Mijnheer Jan van Namen;—zijn wij dan te Wijnendale?"
"Mijn rampzalige nicht," antwoordde Gwyde, "uw lijden verbrijzelt mij het hart! O laat mij u toch omhelzen, want mijn ziel eist verlichting;—ik ben tot de dood ontroerd."
Machteld liet haar vader los en bood zich aan de omhelzing van de liefderijke Gwyde. Dan gaf zij aan haar stem een weinig meer kracht en riep: "Mijnheer Van Gulik, kom geef mij ook een zoen, en gij, mijn schone neef Jan, druk mij ook tegen uw borst,—gij bemint mij allen zo vurig."
Zij werd beurtelings door al haar bloedverwanten geliefkoosd, en zij smaakte een zalig genot; haar geleden rampen hadden geen plaats in haar geheugen meer. Wanneer Willem van Gulik bij haar kwam, bezag zij hem met verwondering van het hoofd tot de voeten en vroeg: "Wat is dit, Mijnheer Willem? Waarom draagt gij dit harnas boven uw priestergewaad, en waarom vergezelt die lange degen een dienaar des Heren?"
"De Priester die het Vaderland verdedigt, strijdt ook voor de altaren van zijn God!" was het antwoord.
Deconinck en Breydel stonden met ontdekt hoofd op een kleine afstand van het legerbed, en deelden in de algemene troost. Machteld aanzag hen met diepe dankbaarheid voor hun liefde; zij trok het hoofd haars vaders nogmaals tegen haar borst en vroeg met stille stem: "Wilt gij mij iets beloven, mijn welbeminde vader?"
"Alles, mijn kind: uw wensen zullen mij verblijden."
"Wel, ik bid u, mijn heer Vader, dat gij die twee trouwe onderdanen naar verdiensten beloont;—zij hebben hun leven dagelijks voor het Vaderland gewaagd."
"Uw begeerte zij voldaan, Machteld, ik zal maken dat zij u een andermaal ook zullen mogen omhelzen wanneer zij het, als nu, zullen verdiend hebben; ontdoe uw armen van mijn hals, want ik moet met Gwyde spreken."