[78] "Anno 1296 naer St-Jansdach midsomere soo kwam Philips, den coninc Vlaenderen waerts wel met 20,000 mannen, en leedt Duway, en voer beleggen Ryssel... Daer was seere ghevochten en daer bleef doot die grave van Bloys en alle die van Guyse die in die eerste bataelge stonden, van die Franschen bleven 4,000 Walen... heel West-Vlaenderen was verloren. De Franschen roofden Ryssel, Ypre, Cortryk en Roeselaere en verbrande kerken, cloosters, dorpen, stedekins en hospitalen, men vercrachte die vrouwen ghehuwet en onghehuwet, maegden, nonnen en religieusen, en diet niet ghedooghen en wilde men slouch se doot."
Die excellente Cronike.
[79] "Jan van Namen en Guido synen broeder, beyde sonen van den gevangen Grave, met Guiliame van Juliers hunnen neve, dewelcke zig tot nog toe tot Namen hadden onthouden... kwamen bedecktelyk naer Vlaenderen om met Pieter Deconinck te beraemen wat hun te doen stond."
Jaerboeken van Brugge.
[80] "Ende het gheviel dat in deser tyt die sarasynen hadden inghenomen en ghewonnen met groter cracht, twee kerstene conincrycken, te wetene tconinckrycke van Mayoorcke ende Melyden. Ende die voors: twee coningen waren ghecomen te Parys aen den coninc, om raet ende bystandicheyt, en die paeus screef aen den coninc van Vranckerycke, als die principaelste kersten coninc, dat hy die kerstene princhen vergaderen wilde om dat lant van Mayoorcke ende van Melyde weder te conquesteirene."
Die excellente Cronike.
[81] "Hieromme waren die coninc en coninginne so fellycken gram, dat si deden vergeven Philippa met venyne. Ende die coninc beval dat men de XXX camerieren allen worghen soude en in de Cheyne worpen, en die XXX rudders die met haer ghecomen waren te hanghen aen een galge."
Die excellente Cronike.
[82] "Ende die niet en conste betalen sine pointynghe, hi deidste steken in die vanghenesse en dier yegen knoterden oft murmureirden, die dede hi hanghen ofte onthoofden."
Die excellente Cronike.
[83] "Men hielt te Brugge alle daghen mesdach want nement en wilde wercken, noch temmeren, noch metsen, noch varwen, noch weven, wullen noch lynen, ende dye dienaers van St.-Pol men en wilde hen lieden spyse noch drank vercoopen ende se quamen int eynde van der weke in den huyzen van den ambochtslieden omme te hebbene den vierden penninc van den wercke. Men vant er geene mans thuys dan vrouwen en kinderen."
Die excellente Cronike.
[84] "Ende soo wie dagelix te wercke ghinc die moeste geven eenen witten penninc. Die van Brugge en wildet niet geven, die van Ghendt dit hoorende si en wildet ook niet betalen ende alzoo ooc in dierghelycke alle die smalle steden."
Die excellente Cronike.
[85] "Dit aenhoorende Guy de St-Pol, dye doe te Cortrycke was, dat die van Brugge deden contrarie syncler ordonnancien, als van hem den vierden penninc te geven endat si niet wercken en wilden, hi sandt te Bruggewaert tonnen met reepen ende coorden, meenende alle dye principaelste van alle den ambochten te doen hanghen voor hen lieder solderveynsteren."
Die excellente Cronike.
[86] "Selfs en waeren de soldaeten soo haest niet binnen gekomen oft sy hadden verscheyde huyse van de vluchtelingen opengebroken, alles roovende en doodslaende, het geene hun tegenstond."
Cronycke van Despars.
[87] "Alle dye ambochtslieden waren meestendeel ghevloden som te Damme som ter Sluys en t'Ardenburch, die welcke alle vergaderden bi Pieter die Coninc ende Jan Breydel."
Die excellente Cronike.
[88] "Dit verwonderde Pieter die Coninc een wevere, een harde vroet en subtyl man, ende werd daerna rudder om syne vromicheyt, hi vloodt huut Brugge ende ghinc t'Ardenburch met eene menichte van Ambachtslieden wel gewapend ende voorzien. Ende ooc diergelycke Jan Breydel een vleeshouwere, die ghinc ten Damme en by wylent ter Sluys ende te Ardenburch, en hi hadde bi hem alle maniere van Ambachtslieden."
Die excellente Cronike.
[89] "En si droughen overeen dat si des anderendaegs tsmorgens, int beginsel van den dage, voor trysen van der soone, vergaderen souden bi Sinte Kruis kercke, bi Brugge, ende alle welgewapent en voorsien."
Die excellente Cronike.
[90] "En Jan Breydel ginc metter ander schare lancx die Speypoorte aen die Snaggaertsbrugge, want daer omtrent waren ghelogiert Guy de Saint-Pols lieden van wapenen, ende sine dienlinghen bet dan tot IIIIm mannen, en men hietse die snackers."
Die excellente Cronike.
[91] "En Pieter dye coninc soude comen metter eender schare ter cruyspoorte inne, ende alsoo totter maret ende van danen totter vrydaechs marct."
Die excellente Cronike.
[92] "En roepen schilt en vriend, wat walsch es valsch eest, slaet al doot, ende die dat niet en conste segghen die soude men doodslaen sonder verdrach."
Die excellente Cronike.
[93] "En Jan Breydel ontrent den drien hueren smorgens soo quam hi met den sinen in de herberghen van den walen roupende Vlaender dye leeu, alle die goede Vlamingen syn die volghen mi nae, dat walsch is dats valsch, slaet al doot. Eeneghe van dien lagen nog op haer bedde en sliepen, andere stonden oppe en waren nog in hunne wambaysen en men slouch se dood gelyc kyeckenen."
Die excellente Cronike.
[94] "Den heere van Chatillon hadde hem meenen in defensie te stellen, maer syn peerd onder hem gedood synde, hadde hy alle moeite om in het huys van eenen vriend te vluchten."
Jaerboeken van Brugge.
[95] "Ende Pieter die Coninc ghinc met sinen volcke in de Steenstrate ende bi Sinte Salvators, in alle die herberghen daer die walen ghelogiert waren, ende men slouchse allegader doot, men vincker nyement."
Die excellente Cronike.
[96] "Langs de straten gaende riepen zij geduerig: Vlaenderen den Leeuw... Het woord van degone die de poorten en andere posten bewaerden was schild en vriend: het welcke sy buyten andere verkoren hadden om dieswille dat de Franschen deze woorden niet wel en prononceren en konden: soo dat alle degone die dat niet recht en seyden, dootgesmeten werden."
Jaerboeken van Brugge.
[97] "Op dye vrydach waren bedt van V^m walen binnen Brugge verslegen ende des anderdaechs waren te Gendt ooc bedt dan II^m walen doorghesleghen, dit gheschiede int jaer ons Heren XIII^C ende twee."
Die excellente Cronike.
[98] "En ontrent half voor noene Guy de St-Pol [De Chatillon] nam syn cappellaens cleederen en deedtse aen, ende reedt also achter Sinte Claren naer de veste en quam also lancx der veste tot by der Smedepoorte daer hi met sinen peerde vloodt en swam duer die veste in groter vreesen van verdrincken, want zyn principael lyfcnape bleef daer in de veste en verdranc."
Die excellente Cronike.
[99] "Op den eersten van junius sag men Guido van Namen, sone van den gevangen Graef Guido, binnen Brugge onthaelt worden met eene ongemeyne vreugt, om dat hij met een duitsch legerken hun ter hulpe kwam."
Chronycke van Vlaenderen.
[100] "Hy dede vooreerst het vier smijten in het huis en Casteel van Sysseele, wiens bezitter eenen was der fransche bende ende synen Grootvader veel nadeel gedaen hadde in den lesten oorlogh."
Chronyke van Vlaenderen.
[101] "Jacques de Chatillon vertrouwde de verdediging van het kasteel van Kortrijk aan de Kastelein van Lens, dewelke hij dertig ridders met hun schildknapen en een genoegzaam getal schutters liet, hij gaf vervolgens het bevel der stad en van het kasteel van Rijsel aan Pierre Flotte, en vertrok zelf naar Parijs."
Voisin, Notice sur la Bataille de Courtrai.
[102] "De Graaf d'Artois, die voor een der dapperste en behendigste krijgers zijns tijds doorging, was de onverzoenlijke vijand der Vlamingen, aan dewelke hij de dood van zijn zoon, in het gevecht te Veurne gesneuveld, niet kon vergeven."
Voisin, Notice sur la Bataille de Courtrai.
[103] "Ende si beval heuren ooms dar men alle de sueghen van Vlaenderen hare borsten afsnyden en al huere verckenen met sweerden duerspeten soude, dat waren die vrauwen en kinderen, ende die mans alle dootslaen, dewelcke si hiet die honden van Vlaenderen."
Die excellente Cronike.
[104] "De Bruggelingen maakten de andere Vlamingen op om in menigte tegen de Fransen en Fransgezinden op te staan; ook werd er een groot getal derzelve te Oudenaarde en in de Kastelenij van Kortrijk vermoord."
Voisin
"Si Scoten ut ende maecten brant
Ende verberde met ere acort
'T scoenste ende 't beste van der Port
Ane die marct een groet vlac,
Se scoten vier, dat gerne ontstac
Met vlieken die gesplinter waren.
Die clincten alse gespannen snaren,
Daer si an de wande vlogen."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
[106] Er waren vier edele stammen in Vlaanderen, waarvan de hoofden de naam van Beers droegen; wanneer de graaflijke stam uitstierf werd de nieuwe Vorst uit deze Beers gekozen.
[107] De geschiedschrijvers verschillen aangaande de macht der Franse benden; wij hebben tussen de onderscheiden opgaven een middelbaar getal verkozen.
[108] "Zodra Gwyde van Namen de aankomst der Fransen in Vlaanderen vernam, gaf hij door het ganse Land het bevel om te wapen te lopen en bij hem te komen. Reeds sedert de 16^e juni was Arnold, zoon van de heer van Oudenaarde, die met de Graaf in Frankrijk gevangen zat, in de vlakte van Groeninge (bij Kortrijk) komen legeren... Hij (Gwyde) zond insgelijks een schildknaap tot zijn neef Willem van Gulik, dewelke, na de Fransen uit West-Vlaanderen verjaagd te hebben, het kasteel van Kassel belegerde; hij deed hem de stand der zaken kennen en aanzocht hem het beleg dier plaats te lichten en te Kortrijk te komen om de gemene vijand te bestrijden."
Voisin.
[109] Dit waren zekere zware werprustingen, in het beleg der steden en kastelen gebruikt.
[110] "Si gingen al in eenen bilck, aen die zuitsyde en aen die noortsyde wel begracht ende bevest."
Die excellente Cronike.
[111] "Alhoewel meer dan vijftig Vlaamse Edelen in de kastelen van Frankrijk gevangen zaten, en dat anderen, tot de gezindheid der Leliaards behorende, in het Frans leger gegaan waren om de wapens schandelijk tegen hun Vaderland te voeren, vochten er nochtans menigvuldige Edellieden onder de standaard van Vlaanderen en namen een eerlijk deel in de vrijmaking des Lands."
Voisin.
[112] "Die van Veurne en van Veurnes-ambacht, alsook die van de ganse kust, waren in tamelijk getal onder het geleide van Eustachius Sporkyn gekomen."
Voisin.
[113] "De inwoners van Ieper, alhoewel gedwongen hun eigen stad te bewaken, hadden ook vijfhonderd mannen, in het rood gekleed, en zevenhonderd schutters gezonden."
Voisin.
[114] "Guilliellemus van Juliers dit verstaen hebbende is terstont, weynige van syn volck gelaeten hebbende voor het Casteel van Cassel, met syne troupen naer synen oom Guido gekomen, om met gevoegde magt de Franschen af te wagten."
Chronyke van Vlaenderen.
"Binnen desen dat dit gesciede,
soo sende Her Jan van Namen liede,
sine broeders te hulpen dan,
Met platen wel VI hondert man."
Spiegel Historiael.
"Het 's Myn Her Jan van Rinesse;
In die werelt en ess 'er niet sesse,
Omgaens wyt ende breet,
Die het van orloge weet."
Spiegel Historiael.
[117] "Eindelijk zag men komen toegelopen, met vijfduizend Gentenaars, onder dewelke zevenhonderd zijner magen en vrienden waren, een der helden van de beruchte slag te Woeringen, de ridder Jan Borluut, dewelke zich een grote faam van onversaagdheid en kunde had gemaakt."
Voisin.
[118] In een oud handschrift, op perkament volgens oorspronkelijke stukken, in 1482 door Lodewyk van Houtte van Deinze geschreven, hetwelk de heer Voisin in zijn werk over de slag der gulden sporen aanhaalt, worden vermeld als hebbende de slag te Kortrijk bijgewoond:—Salomon heer van Zevekote, die er dood bleef; Arend Drubbel, baljuw van Deinze; de heer van Zomergem en zijn twee zonen; Jan van Waasberge; de heer Van Maldegem en zijn zonen; Jan van Deinze, heer van Leerne; de heer Simon Bette van Gent; de heer Van Severen en zijn zoon die er dood bleef; Jan heer van Aishove; Jan de Vos, van Gent; Jan heer van Aarsele; Willem van Daknam en zijn broeder Pieter; Boudewyn Braem, van Gent; de heer van Landegem; de zoon van de heer van Vinkt; Thomas van Torre, heer van Vorselaar; Hans van Kortrijk; Philippe Baelde van Ieper; Pieter van Brugge, die er dood bleef; Walter heer van Merendree; Jacob van Ieper, schildknaap van de Graaf van Namen; Simon, zoon van de heer van Kaster; Jan heer van Machelen, die er gevaarlijk gewond werd; Pauwel heer van Knesselare; de heer Frans van Meulebeke; Amman van Brugge, Pieter Nieuwerkerken, heer van Markegem; Jan heer van Ingooigem; Pieter Belle van Ieper; Willem en Robrecht Wennemaar, van Gent; Walter Ryckam van Kortrijk; Jan de Stuuwere en Pieter de Drivere, van Harelbeke; Jan en Pieter van der Pille en Jan die Bleckere, van Oudenaarde; Pieter van der Haghen, van Brugge; Jan Willebaert, van Torhout; Willem de Visschere, van Kortrijk; de heer Lodewyk van der Moere; de heer van Anzegem; de heer van Nokkere en zijn broeder, de baljuw van Nevele en Pieter de Schrivere van Tielt.
[119] "Guido van Vlaenderen dede alsdan Pieter Deconinck en Jan Breydel aen het hoofd van 't leger komen, alwaer hy deselve, ten aensien van een ieder, Ridders geslagen heeft."
Jaerboeken van Brugge.
[120] "Ende si lieden te Ryssele comende, so sprak Robrecht van Artois tot de twee coningen van Mayoorcke en van Melyde: ik duchte dat de Vlaminghen, die argher syn dan Sarasynen, want si syn vernoyeirde Kerstenen; eest so dat si ons eenighen oploop doen willen en dat wi se doen te niete, wi sullen der Gode also lief mede doen ende het wordt ons soo goede een vaerdt oft wi al Barbaryen metten sweerde wonnen."
Die excellente Cronike.
[121] "Het Franse leger beliep tot boven de vijftigduizend man; het was nog sterker geworden en had onder zijn gelederen een groot getal Brabanders ontvangen, te midden derwelke Godfried, oom van de Hertog van Brabant, zich deed bemerken."
Voisin.
[122] Men zie hierna de lijst der ridders welke onder het Franse vaandel dood bleven, vele dier Leliaards zijn er in vermeld.
"Mijn Her Raneel, die Vlaminc
Wilde oec dienen den Coninc
Hi wilde prys bejagen na der macht
Ende hilt onder Simpoels cracht."
Spiegel Historiael.
[124] Adela, dochter van Raoul de Nesle, was gehuwlijkt met Willem van Dendermonde, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen.
[125] De Vlaamssprekende volken noemde men in het algemeen Dietse, hetwelk nu door het woord Nederduits vervangen is.
[126] "Men bemerkte er nog de ridder Hugo van Arkel, bijgenaamd Butterman: met een reusachtige gestalte, was hij begaafd met een verwonderlijke lichaamskracht. Hij gebood over een bende moedige wapenlieden en had in den eerste zijn dienst de Koning van Frankrijk aangeboden, maar alzo hij te hoge betaling eiste, nam men zijn aanbieding niet aan, en Butterman in een onstuimige spijt, ging over tot de zijde der Vlamingen alwaar hij met grote vreugde werd ontvangen."
Voisin.
[127] "Niettegenstaande kon de hardnekkige tegenweer het kasteel van Kortrijk niet redden, te meer daar zij gebrek aan levensmiddelen hadden; waarom de kastelein, het middel gevonden hebbende om een bode naar de Graaf d'Artois te sturen, hem dringend verzocht zonder uitstel ter zijner hulp te komen."
Voisin.
[128] De verdeling van het Frans leger in tien benden, onder het bevel der ridders welke als Aanleiders zijn vermeld, komt overeen met de historische beschrijving welke de heer Voisin ervan geeft.
[129] Ziehier hoe de Chronyke van Vlaanderen, te Brugge bij Andreas Wydts, omtrent het jaar 1725 gedrukt, zich in krachtige stijl over de wreedheden der Fransen uitdrukt: "Het fransche volk, hetwelk met ongehoorde razerny gheel het Zuit-Vlaenderen soo doorliepen dat er van Douai tot Ryssel toe nogte Huis, nogte Casteel, nogte Kerk, nogte boom te vinden en was. Hetgene de hartneckigste Ketters tot nog toe noyt en hadden bestaen, scheen hier onder de Fransche toegelaten. Sy en spaerden nog man, nog vrouw, nog kinderen. De beelden selfs, dewelcke sy in Gods kerken vonden, en die de gedagtenis der Heiligen van Vlaenderen voorstelden, hebben sy heyligschendelijk doorsteken. De kloosters wierden verbrandt, de moningen vermoort, de maegden onteert, geschonden en mishandelt. Nogte men konde geen verschil maeken tusschen dese hunne vervloekte ongebondentheyt en de vervolginge van het helsch gespuis."
[130] De Graef d'Artois kwam met het dikke van zyn leger en ging zich neerslagen, op eene halve myl van Kortryk, op den Berg van Weelde, heden genaemd de Pottelberg, tusschen de Leye en de straet naer Sweveghem.
Voisin.
"Die van Ypre een groet deel
Lagen binnen ende hoeden den Casteel
Tot XII hondert, wel te gereken
Met swerten rocken gelike peke."
Spiegel Historiael.
[132] De Groeningebeek, welke in die tijd volgens de kronieken dertien voet breed was, is heden slechts een geringe waterloop, die, evenals de Gaverse beek, uit de moerige weiden der pachthoeve Vierschare ten ackere voortspruit.
"Dus begonden die viande naken
Men sal hier mogen doden maken
Vrouwen Weduwen, Kinder Wezen.
Die Vlamingen stonden in vresen
Jegens die vreselike ontmoet;
Si ne mogen achterwerd niet ontgaen
Ende vore eest vlien gedaen.
D'een ging in den andren dringen."
Spiegel Historiael.
[134] "Een Priester toonde alsdan het Heilig Sacrament aan het ganse leger en gaf de algemene zegening. Al de soldaten, zich in dit plechtig ogenblik neerbuigende, namen van de vaderlandse grond een weinig aarde, hetwelk zij op hun lippen brachten."
Voisin.
[135] "Guy seyde lieve broeders ende vrienden! peynst om huwe wyfs en om huwe kinderen en syt vrome lieden en maect goeden moet en vecht, so dat ghi hu lant met eere houden meucht; die cracht van victorien comt van Gode alleenlic denghenen die recht hebben; elc sal spêere yeghen speere voughen ende pynt altyd omme die peerden te quetsene daer ghi meucht, want die peerden faelgierende dye lieden syn te wille en moeten vallen ter eerden; ende als si van den peerden ghevallen syn dat men se allen dootslae, en niement en vanghe noch en ransoenere, ende dat niement en roove noch pilgiere, noch en vliede. Want soo wie rooft oft vliet men sallen selve dootslaen, dus hebt alle gader goeden moet."
Die excellente Cronike.
[136] "Alle de vlaemsche soldaten wierden in eene slagorder gestelt, maer seer digte; hetwelke de Franschen verstaen hebbende, hebben hun volk, hetwelke in negen benden verdeeld was, alleenelyk in dry slagreken gestelt."
Chronyke van Vlaenderen.
[137] "De eerste ridders welke, in de vlakte komende, over de beek wilden rijden, zonken tot aan de zadel in het slijk en werden door de pijlen der Vlaamse schutters doorboord."
Voisin.
[138] "Meer andere oversten, die insgelijks de moeilijkheid van de aanval gezien hadden, deden ook hun aanmerkingen aan de Graaf; die Vorst wilde naar niets luisteren."
Voisin.
[139] "In tussen tijd gingen de schutters vooruit en vonden het middel om de eerste beek in een andere plaats over te gaan, waar de heer Jean de Barlas, welke het bevel over hen voerde, hen in een dichte slagorde schikte."
Voisin.
"Men ginc gene pesen trecken in,
Het was dat vreselycste begin
Dat noyt man met oogen sach.
Die pilen vlogen op genen dach,
Dat men den hemel cume van dien
Van dickeden niet conde gesien."
Van Velthem. Spiegel Historiael.
[141] "Ende dit geschiede op den XI dach van hoymaent (july 1302) ende was Sinte Benedictus dach, ontrent de VII heuren voor die noene."
Die excellente Cronike.
[142] "Zij stuwden altijd vooruit, de paarden drongen en stapelden zich verward opeen; de ruiters vielen neer en werden door die, welke hen opvolgden, wredelijk verpletterd. Zo stierven er een groot getal, zelfs vooraleer zij de vijand konden aanvallen."
Voisin.
"D'een liep daer over den andren waden
Te voet, met haren vergouden sporen,
Die onderliegen moesten versmoren
In diepe grachten her ende gens.
Dus goudense swerlike den cheus
Dien si wilden sonder waen
Binnen Vlaenderen doen gaen."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
[144] "Daar ontvingen de Vlamingen hen op hun lange speren, en bij die aanval, alhoewel hun slagorde gebroken was, viel er een menigte paarden en ridders doorstoken neer."
Voisin.
"Van Brabant Myn Her Godevard
Reet in die Vlaminge selken scart
Dat hi Guelke, eer hy 't weet,
Met tien orsse ter neder reet,
Ende velde ooc sine baniere.
D'ors keerde over die cupiere."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
"Doe werd die wych stare ende groet
Daer was die menich in groeter noet.
Die van den Vrien, hen scoffierden
Die Fransoysen, die niet en vierden
Maer dapperlike der werd traken.
Daer horde men menige glavie craken,
Die van den Vrien lagen neder."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
"Doe dit vernam
Myn Her Jan van Rinesse;
Doe trac hi over tot er perssen
Van achter welvende met sire scaren.
Die Fransoyse worden in varen
Doen si dus belopen waren."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
"Sinen Standard droech een Seriant
Grachtelike, een Jan Ferrant.
Dor genen anxt wil di vlien;
Hi was gevelt op ainen cnien
Vier werven al achter een
Ende emmer op sine been."
"Guelke was vermoet van slagen,
Dat men ne ut moeste dragen;
D'bloet hem uter nese spranc,
So vreselike was geen bedranc."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
"Daer was een Jan die Vlaminc hiet,
Gulers cnape; ende alse hi siet
Dat syn Here dus was vermoyt,
Werd hi gram ende hi vernoyt
Dat tie vianden souden verbliden:
Hi trac wech ten selven tiden,
Ende dede syns Heren wapenen an
Daer maecti menigen bliden man,
Ende riep: noch es Guelken hier!"
Van Velthem, Spiegel Historiael.
[151] "De twee heren De Nesle sneuvelden; de Vlamingen zouden de Konstabel gaarne gered hebben, en de ridder Jan Borluut riep hem dat hij zich zou overgeven, maar de moedige krijger, wiens trouw de Graaf d'Artois ten onrechte had verdacht, wilde die bloedige dag niet overleven."
Voisin.
"Si sloegen doe achter ende voren;
Ic wane hi noyt en was geboren
Die so vele volx sterven sach.
Als men dede op desen dach."
Van Velthem, Spiegel Historiael.
[153] "De ridder Hugo Butterman van Arkel onderscheidde zich boven alle anderen en nam de Franse Standaard, zoals hij het de Vlaamse veldheren voor de slag toegezworen had; maar hij werd zodanig gewond dat hij ervan stierf."
Voisin.