Hij wenkte zijn broeder en bracht hem uit de zaal tot op de voorhof.
"Mijn broeder," sprak hij, "het betaamt dat men een liefde als die der twee Dekens onzer goede stad Brugge niet onbeloond late; ik geef u derhalve de nodige macht tot het volbrengen van deze mijn wens: wanneer gij op het slagveld, en te midden der ambachten zijn zult, is het mijn wil dat gij Deconinck en Breydel in de tegenwoordigheid van al hun gezellen tot ridders slaat; aldus zij de liefde tot het Vaderland in hen veredeld. Houd dit bevel als een geheim in uw hart, totdat de tijd gekomen zij. Laat ons nu in de zaal terugkeren, want ik moet u allen gaan verlaten."
Robrecht naderde zijn dochter, nam haar hand in de zijne en sprak: "Mijn kind, gij weet hoe ik mijn gevangenis heb verlaten: een edelmoedig ridder, die gij teder bemint, waagt zijn leven voor mij in de kerker. Word niet rood, Machteld, ik geef u oorlof om Adolf van Nieuwland te beminnen, totdat het huwelijk dit zuiver gevoel bekrone."
Machteld viel in zijn rede en riep: "O mijn vader! Uw liefde tot mij is oneindig, gij overlaadt mij met vreugde. Ja, ik heb zo dikwijls, bij de vreze van u te vergrammen, geweend; maar nu, o geluk! Nu geeft gij mij de man die in mijn hart woont; en mijn liefde heiligt gij voor God. Ik weet wat droevig woord op uw lippen ligt:—gij moet mij verlaten ..."
"Gij hebt het gezegd, mijn edel kind, ik moet naar mijn kerker terug:—ik heb op mijn trouw beloofd, dat ik slechts een dag in Vlaanderen blijven zou. Ween niet, het noodlot zal ons niet lang meer vervolgen."
"Ik zal niet wenen, dit waar een grove zonde. Dankbaar ben ik de Heer om zoveel troost, en ik zal door geduld en gebeden mijn geluk voor hem verdienen.—Ga, mijn vader, geef mij nog een zoen—en dat de Engelen des hemels u op uw reis vergezellen!"
"Dekens," sprak Robrecht, "ik geef u het bevel over de mannen van Brugge. Meester Deconinck zij over allen Veldheer. Nu verzoek ik u dat gij een goede vrouw bij mijn dochter brengt; bezorgt haar andere klederen. Vervolgens zult gij haar van hier vervoeren, en voor alle hoon bewaren; ik stel ze onder uw wacht, opdat zij volgens het bloed, waaruit zij gesproten is, behandeld worde.—Meester Breydel, gelief mijn draver op de voorhof te brengen!"
Nadat Robrecht afscheid van zijn twee broeders genomen had, vatte hij zijn dochter in de arm, en bezag haar met zulke tedere aandacht, dat men zou gezegd hebben dat hij dit langgekende beeld in zijn geheugen wilde prenten. Het meisje zoende hem bij herhaalde malen, en hield hem zorgelijk vast.
"Nu, mijn kind," hernam Robrecht, "troost u, ik zal welhaast voor altoos wederkomen. Binnen weinig dagen zal Adolf het goed nieuws weten, en het is te denken dat hij dan niet lang onderweg zal blijven."
"Ja maar, heer Vader, beloof mij dat gij het hem niet zeggen zult, ik begeer dat hij die tijding uit mijn mond hore: dit zal mij zo blijde maken. Zeg hem slechts dat ik verzoek dat hij zich spoede; wees verzekerd dat hij zijn draver vlerken geven zal. Ga nu met God, mijn lieve vader,—ik zal bij uw afscheid niet wenen."
Robrecht verliet eindelijk zijn liefderijke dochter en klom te paard; dit deden ook de andere ridders. Zodra Machteld de stappen der dravende paarden hoorde, kwamen tranen, ondanks haar belofte, over haar wangen rollen; doch dit deed haar geen leed, want een zacht en troostend gevoel bleef in haar.
Deconinck en Breydel volbrachten de bevelen van de Leeuw, hun meester. Er werd een vrouw gehaald en Machteld kreeg zuivere klederen.—Tegen de avond waren zij allen te Damme in het leger der Bruggelingen.
Doch waer toe dient heur tegenstand
By snooden moordnaersslach?
Wat kan een swakke vrouwenhand
By d'ongelyken slag?
Gedurende de acht dagen die op deze voorvallen volgden, verlieten nog meer dan drieduizend Burgers de stad Brugge, en begaven zich te Aardenburg bij Deconinck, ofte Damme bij de Deken der beenhouwers. Door de verwijdering dezer strijdbare mannen verstout zijnde, gaven de Fransen zich aan alle losbandigheden over, en behandelden de overgebleven inwoners als gekochte slaven[82]. Nochtans waren er veel Bruggelingen, welke door de Fransen niet gehinderd werden en met hen spraken en vrolijk waren, alsof zij met broeders hadden omgegaan; doch dit waren Vlamingen, die hun vaderland verloochend hadden, en de gunst der vreemden door laagheid poogden te verkrijgen: zij roemden op de schandnaam van Leliaard als op een erewoord. De anderen waren Klauwaards, echte zonen van Vlaanderen, die het juk met ongeduld droegen; maar het goed dat zij bij het zweet huns aanschijns vergaderd hadden, was hun te dierbaar, om het weerloos in de handen der uitheemse plunderaars over te laten.
Op deze Klauwaards en op de vrouwen en kinderen der gebannenen was het, dat de Fransen hun kleinhartige dwingelandij uitoefenden. Niets kon hen thans in hun lage wraak wederhouden; zij ontroofden vrijelijk alles wat hun beliefde, haalden de waren met geweld uit de winkels, en betaalden dezelve met scheldwoorden en lasteringen. Dit verbitterde de verdrukte Burgers zozeer dat zij niets meer in hun winkels te koop hingen, en gezamenlijk weigerden de Fransen nog een stuk vlees of een bete broods te verkopen. Zij verborgen de levensmiddelen in de grond, om dezelve aan de opzoeking des vijands te onttrekken; in vier dagen tijds waren de mannen der bezetting zodanig uitgehongerd dat zij bij hopen in de velden rondliepen om iets te vinden[83]. Gelukkiglijk voor hen werd hierin ten dele door de zorg der Leliaards voorzien; des niettegenstaande bleef er een lastige schaarsheid in de stad heersen. De huizen der Klauwaards waren gesloten, niemand dreef enige koophandel, en alles, behalve de roerige soldeniers en laffe Leliaards, alles scheen in de stad voor eeuwig te slapen. De ambachtslieden zonder werk zijnde, konden de schattingen niet opbrengen, en waren genoodzaakt zich te verbergen om de vervolgingen van de Tolheer Jan van Gistel te ontgaan. Wanneer de bedienden van de Tol des zaterdags rondgingen om de witte penning te ontvangen, vonden zij nooit een man thuis; het was dan alsof al de Bruggelingen de stad verlaten hadden. Veel ambachtslieden klaagden bij Jan van Gistel dat zij, niets winnende, de tol niet konden betalen; maar de verbasterde Vlaming luisterde niet naar deze rede, en wilde de schatpenningen met geweld doen lichten: een groot getal Burgers werden in de gevangenissen gesmeten, anderen ter dood gebracht.
Mijnheer De Mortenay, de Franse Stadsvoogd en overste der bezetting, min wreed dan de Tolheer, wilde in deze uiterste toestand de lasten doen verminderen, en zond met dit inzicht een bode naar Kortrijk, om de Veldheer De Chatillon de hongersnood en de aaklige gesteltenis der bezetting te klagen, en hem tot het afschaffen van de witte penning te doen overgaan. Jan van Gistel, die door zijn landgenoten als een bastaardvlaming verfoeid en gehaat was, nam deze gelegenheid waar om de Veldheer De Chatillon tot strengheid aan te drijven. Hij schetste de wederspannigheid der Bruggelingen in zwarte kleuren af, en riep om wraak over hun koppigheid; voorgevende dat zij niet werken wilden, om de witte penning met enige schijn van reden te kunnen weigeren.
Bij het ontvangen dezer boodschap ontvlamde De Chatillon in hevige toorn; hij zag met pijn dat al zijn moeite, aangewend om des Konings bevelen te volvoeren, nutteloos waren, want het Vlaamse volk was ontembaar. In alle steden waren dagelijks beroerten; de haat tegen de Fransen barstte overal uit, en in sommige plaatsen, als in Brugge, werden de dienaren van Koning Philippe le Bel zowel bedektelijk als bij klare dag om hals gebracht[84]. De omgestorte torens van Male waren ook nog niet koud, en het bloed der gesneuvelde Fransen was nog niet van derzelver puinen verdwenen.
De bron, uit dewelke deze voor Frankrijk zo bittere beek over gans Vlaanderen vloeide, ontsprong in Brugge: daar was het dat het vuur des oproers zich eerst had vertoond. Breydel en Deconinck waren de hoofden des draaks die zich niet onder de staf van Philippe le Bel wilde buigen. Bij deze overweging besloot De Chatillon een krachtdadige poging te doen, en de vrijheid van Vlaanderen in het bloed der wederspannelingen te versmoren; die schreeuwende straf wilde hij als een schrikwekkende gesel gebruiken.—Hij vergaderde spoedig zeventienhonderd ruiters uit Henegouwen, Picardië en Waals-Vlaanderen; hierbij voegde hij een grote bende voetknechten en toog, vol woede, met dit leger naar Brugge.
Tussen de levensmiddelen en andere goederen welke dit gevaarte vergezelden, waren ook enige grote vaten met koorden en stroppen gevuld; deze bestemde De Chatillon tot een wreed en schrikkelijk werk. Deconinck, Breydel, en al hun gezellen moesten aan dezelve gehangen worden[85].
Om de Klauwaards geen tijd tot voorafgaande muiterijen te laten, had de Franse Landvoogd zijn komst bedektelijk aan Mijnheer De Mortenay kenbaar gemaakt; niemand dan de Stadsvoogd wist iets van de schriklijke wraakneming die er moest gebeuren.
De 18 mei 1302, om negen uur des morgens, kwam het leger der Fransen met vliegende vaandels in de stad. De Chatillon reed aan het hoofd zijner zeventienhonderd ruiters, zijn blikken waren dreigend en wreed; ook bevingen zich de harten der Burgers met een pijnlijk angstgevoel en reeds voorzagen zij een gedeelte der rampen die hen moesten treffen. De Klauwaards kon men aan de uitdrukking dezer aandoening herkennen: hun hoofden hingen gebogen en de diepste droefheid schetste zich op hun gelaat, nochtans dachten zij niet dat hun iets meer dan de afeising van de witte penning en een sterkere verdrukking zou geschieden.
De Leliaards hadden zich op de Vrijdagmarkt bij de bezetting in een hoop geschaard. Hun was de komst van de landvoogd zeer aangenaam, want hij moest ook hen over de verachting der Klauwaards wreken. Zodra De Chatillon hen genaakte, riepen die laffe bastaarden met herhaalde galmen: "Heil Frankrijk! Heil de Landvoogd!"
Door nieuwsgierigheid gedreven, was het volk in menigte bijeengelopen, en had het zich in een dikke schaar tegen de Vrijdagmarkt vergaderd. Op alle wezenstrekken stond een onzeglijke uitdrukking van vrees en benauwdheid. De vrouwen drukten hun kinderen stilzwijgend tegen de borst, en menigen ontviel een traan, zonder dat zij derzelver oorzaak verstonden. Hoe bang zij allen ook voor de wraak des Landvoogds waren, riep echter geen van hen: "Heil Frankrijk!" Schoon nu onmachtig, gloeide de haat tegen de verdrukkers van Vlaanderen in hun harten, en tussen hun droefheid kwam soms nog een dreigende blik, als een vluchtige straal, uit hun ogen glimmen; dan dachten zij aan Deconinck en Breydel en droomden van een bloedige weerwraak.
Terwijl zij op de bewegingen der Fransen staarden, had De Chatillon zijn mannen in dezer voege op de plaats geschikt: een lange rij ruiters stond aan weerszijde; een vendel soldeniers raakte aan beide kanten in het diepe der markt tegen deze ruiters, en alzo was dit deel der plaats gesloten; de andere zijde werd met inzicht opengelaten, opdat de Burgers mochten zien wat er ging gebeuren. Wanneer die schikkingen genomen en uitgevoerd waren, zond men de overige ruiters en soldeniers bedektelijk naar de stadspoorten om dezelve te sluiten en te bewaren.
Mijnheer De Chatillon stond, met enige oversten, te midden zijner ruiters. De Kanselier Pierre Flotte, de Stadsvoogd De Mortenay en Jan van Gistel, de Leliaard, schenen met hem over een zeer aanbelangend voorwerp te handelen; want hun gebaren toonden de uiterste drift. Alhoewel zij zacht genoeg spraken om niet van de Burgers gehoord te worden, konden de Franse Oversten er soms wel iets van verstaan; meer dan een brave ridder bezag het bange volk met medelijden en de verrader Van Gistel met verachting,—want deze sprak tot de Landvoogd: "Geloof mij, Mijnheer, ik ken mijn koppige landgenoten: uw genade zou hun trotsheid vermeerderen. Warm toch de slang niet die u moet steken. Ik weet het bij ondervinding, de Bruggelingen zullen de nek niet buigen, zolang de opstokers onder hen wonen; dit onkruid moet men versmachten of men wordt het nooit meester."
"Het schijnt mij," viel de Kanselier grimlachend in, "dat Mijnheer Van Gistel zijn landgenoten niet zeer bemint; want zo helpe mij God, indien men hem geloven wilde, zou er morgen geen levend mens meer in Brugge zijn."
"Voorwaar, Mijne heren," hernam Van Gistel, "het is de liefde tot mijn Koning die mij deze woorden inboezemt. Ik herhaal het, de dood van de belhamels alleen kan het vuur des oproers in onze stad dempen. De lijst der hardnekkigste Klauwaards heb ik in mijn geheugen; zolang deze muiters in Brugge vrijelijk mogen wandelen is de rust onmogelijk."
"Tot wat getal beloopt die lijst?" vroeg De Chatillon.
"Tot omtrent de veertig," was het koele antwoord.
"Hoe?" viel De Mortenay met verontwaardiging uit. "Gij zoudt veertig dezer Burgers doen hangen? Het zijn deze niet die zulke wrede straf verdiend hebben; maar wel de gebannenen welke zich te Damme ophouden. De belhamels Deconinck en Breydel met hun aanhangers zijn het die zich der dood schuldig gemaakt hebben; maar niet die zwakke Burgers, welke gij om eigen wraak wilt gehangen zien."
"Mijnheer De Mortenay," bemerkte De Chatillon, "gij hebt mij geboodschapt dat zij uw soldeniers geen eten meer wilden verkopen: is dit niet genoeg?"
"Het is waar, Landvoogd, zij hebben die weigering ten onrechte gedaan; het was hun plicht als onderdanen te gehoorzamen; maar mijn soldeniers hebben in zes maanden nog geen betaling ontvangen, en de Vlamingen willen niets dan tegen klinkend geld verkopen. Het zou mij in der waarheid spijten, indien mijn zendbrief zulke beklagelijke gevolgen moest hebben."
"Deze vrees kan de Kroon van Frankrijk zeer schadelijk zijn," sprak Van Gistel. "Het verwondert mij, dat Mijnheer De Mortenay de oproerige Bruggelingen voorstaat!"
De Mortenay werd bij dit verwijt zeer toornig, want Van Gistel had aan deze woorden een honende klem gegeven. De edelmoedige Stadsvoogd bezag de Leliaard met verachting en antwoordde: "Indien gij uw Vaderland bemindet, zoudt gij de dood uwer ongelukkige broederen niet eisen, en ik, Fransman, zou hen niet moeten verdedigen.—En luister! Ik zeg het, dat de Landvoogd het hore: de Bruggelingen zouden ons geen levensmiddelen geweigerd hebben, indien gij de witte penning niet zo onredelijk en zo dwingend had afgeëist. U zijn wij deze onrusten schuldig, want gij zoekt niets dan uw landgenoten te verdrukken, en gij boezemt hun een bittere haat tegen ons in."
"De Heer zij mij getuige dat ik de bevelen van Mijnheer De Chatillon trouwelijk volbracht heb."
"Dit was in het geheel uw inzicht niet," hernam De Mortenay, "maar gij hadt u over de verachting der Bruggelingen te wreken. Een grote dwaling van de Koning onze meester is, dat hij een man, die door iedereen verfoeid wordt, als Tolmeester over Vlaanderen heeft aangesteld."
"Mijnheer De Mortenay," riep Van Gistel met drift, "gij zult mij rekenschap over deze woorden geven."
"Mijne heren," viel de Landvoogd terug in, "ik verbied u elkander in mijn tegenwoordigheid nog te spreken; uw degens zullen uw twist beslissen. Ik zeg u, Mijnheer De Mortenay, dat uw redenering mij mishaagt, en dat de Tolmeester volgens mijn wil heeft gehandeld; de Kroon van Frankrijk moet gewroken worden, en indien de belhamels de stad niet verlaten hadden, zouden er meer galgen dan kruisstraten in Brugge zijn. In afwachting dat ik de ambachten te Damme ga straffen, wil ik deze oproerige stad een streng voorbeeld geven.—Mijnheer Van Gistel, noem mij de acht koppigste Klauwaards, opdat er een spoedig recht gedaan worde."
Ten einde zijn wraak niet te missen liet Van Gistel zijn ogen over het verbaasde volk dwalen en zocht acht der tegenwoordige mannen uit de menigte; vervolgens noemde hij dezelve aan de Landvoogd. Hierop werd een wapenbode voor het volk gezonden. Na hij met zijn bazuin ieder tot stilzwijgen had vermaand, riep hij: "In de naam des machtigen Konings Philippe, onze heer en meester, worden op staande voet voor mij, Veldheer De Chatillon, geroepen en gedaagd, de Burgers welkers namen ik zal afkondigen. Die zich niet zouden aanbieden, zullen met de dood gestraft worden, zonder uitstel en zonder genade!"
De list gelukte ten volle, want naarmate de namen afgeroepen werden, kwamen de Klauwaards uit de menigte op de markt, en begaven zich zonder achterdocht voor De Chatillon; zij wisten wel dat zij niets goeds te verwachten hadden, en zouden zich wellicht door de vlucht gered hebben, ware dit mogelijk geweest. De meesten onder hen waren mannen van rondom de dertig jaar; een enige grijsaard naderde met langzamer schreden en met gebukt hoofd. Een stille verduldigheid blonk op zijn gelaat, zonder dat de minste vrees op hetzelve merkbaar was. Hij bleef voor De Chatillon staan en bezag hem met ondervragende blikken, alsof hij zeggen wilde: wat eist gij?
Zodra de laatste der geroepenen genaderd was, deed de Landvoogd een teken, en de acht Klauwaards werden ondanks hun tegenstand met koorden gebonden.—Een klagend gemor ontstond onder het volk, maar een deel ruiters, die zich dreigend bij de menigte schikten, deden dit gerucht welhaast verdoven. In weinig ogenblikken werd er een brede galg op de Markt gerecht en een Priester bij de veroordeelden gebracht. Op het gezicht van het schriklijk moordtuig, huilden de vrouwen of broeders der ongelukkige Klauwaards om genade, en het volk dreef zich onstuimig opeen. Een suizende zucht, met verwensingen en wraakkreten gemengd, kwam uit de schaar der Burgers en liep als een voorbode des oproers over de Markt. Weldra kwam er een bazuinblazer vooruit en riep: "Het zij u kond gedaan, opdat gij het wetet!—De wederspannige, die het recht van Mijn heer de Landvoogd door roepen of anderszins durft storen, zal aan dezelfde galg nevens deze muitelingen gehangen worden!"
Bij die afkondiging stierven de klachten op alle monden, en de stilte des doods omving het bange volk. De vrouw weende met de ogen hemelwaarts, en smeekte degene, die alleen de mensen nog verstaat en hoort, alsdan dat een dwingeland hun de spraak ontneemt: de mannen vervloekten hun onmacht en blaakten in een koortsige woede. Zeven Klauwaards werden beurtelings aan de galg gehangen en stierven in het gezicht hunner stadgenoten. De droefheid der benauwde Burgers veranderde in wanhoop: iedermaal dat er een van de ladder gestoten werd, bogen hun hoofden zich te gronde, en zij wendden alzo hun ogen van dit ijslijk schouwspel. Gewis waren er velen die deze plaats zouden verlaten hebben, indien zij zich hadden durven roeren; maar dit was hun verboden, en bij de minste beweging welke onder hen omging, kwamen er soldeniers met bloot zwaard om hen tot stilstaan te dwingen.
Nog een Klauwaard stond bij Mijnheer De Chatillon, zijn beurt om gehangen te worden was gekomen, hij had gebiecht en zich bereid gemaakt; echter haastte men zich niet met hem; de Landvoogd had het bevel nog niet gegeven. Onderwijl was De Mortenay bezig met de genade van de grijze Vlaming te verzoeken, maar Van Gistel, die deze Klauwaard een bijzondere haat toedroeg, gaf voor dat hij een der belhamels was en zich het meest tegen de Franse beheersing verzet had. Op bevel des Landvoogds sprak hij de oude Vlaming in dezer voege aan: "Gij hebt gezien hoe uw Makkers om hun wederspannigheid gestraft zijn, gij zijt evenals zij veroordeeld; nochtans heeft de Landvoogd, uit eerbied tot uw grijze haren, u genadig willen behandelen. Hij schenkt u het leven, op voorwaarde dat gij u voortaan als een nederige dienaar van Frankrijk onderwerpt.—Red u met de roep: heil Frankrijk!"
De grijsaard wierp een blik vol verachting en toorn op de bastaard, en antwoordde met een bittere grimlach: "Ik zou dit roepen indien ik u geleek; indien ik mijn witte haren door laagheid kon bezoedelen. Maar neen, ik, martelaar, veracht en trots u tot in de dood.—Gij, verrader, gelijkt de slang die in het ingewand harer moeder knaagt; want gij levert de vreemden het land dat u gevoed heeft.—Beef, ik heb nog zonen die mij wreken zullen, en gij—gij zult op uw bed niet sterven! Gij weet dat een mens in zijn stervensuur niet liegen kan."
Jan van Gistel verbleekte bij de plechtige voorzegging des grijsaards. Nu berouwde hem de wraak, en zijn hart beneep zich met somber aandenken; want een verrader vreest de dood als de wraakbode des Heren. De Chatillon had op de wezenstrekken van de Klauwaard genoeg kunnen bespeuren dat hij hardnekkig bleef.
"Wel, wat zegt die muiter? vroeg hij.
"Mijnheer," antwoordde Van Gistel, "hij hoont mij en veracht uw genade."
"Dat men hem hange!" was het bevel van de Landvoogd.
De soldenier, die het beulenambt bekleedde, nam de grijsaard bij de arm, en deze volgde hem gehoorzaamlijk tot aan de voet der ladder, het duurde nog enige ogenblikken eer de strop goed aan zijn hals gehecht was. Hij ontving de laatste zegening van de Priester, en plaatste eindelijk zijn voet op de ladder om tot de galg op te klimmen.
Maar eensklaps, en in weerwil der wachten, kwam er een onstuimige golving onder het volk. Door een onweerstaanbare drukking bewogen, deinsden enigen tegen de muur der huizen, anderen werden vooruitgestoten,—en een jongeling met blote armen drong door de menigte tot op de markt; zijn aangezicht droeg de kentekens der diepste ontroering, der hevigste woede en der zorgelijkste vrees. Zodra hij zich van tussen de dichtgesloten Burgers had losgemaakt, wierp hij een wilde blik over de markt, sprong als een pijl vooruit en riep: "Mijn vader! O mijn vader, gij zult niet sterven!"
Op het ogenblik dat hij die weinige woorden uitgalmde, toog hij zijn kruismes uit de schede en stiet het tot aan de hecht in de boezem van de beul. Deze viel met een pijnlijke schreeuw voor de ladder, en rolde stervend in zijn bloed; terwijl omvatte de jonge Klauwaard zijn vader, hief hem van de grond en liep met die heilige last tussen het volk. De Fransen waren als verstomd, beweegloze aanschouwers van dit toneel geweest, doch dit duurde niet lang. De Chatillon wekte hen weldra uit de verbaasdheid. Eer de jongeling tien stappen verder gelopen was, hadden meer dan twintig soldeniers hem ingehaald; hij plaatste zijn vader op de grond en met het nog rokende mes bedreigde hij zijn vijanden. Een vijftigtal andere Vlamingen stonden voor hem, want hij was te midden onder het volk, in dier voege dat de soldeniers tussen de menigte dringen moesten om hem te vangen. Hoe groot werd de woede der Fransen niet, wanneer zij hun twintig makkers een voor een te gronde zagen vallen. De messen glinsterden opeens in de handen der omstaande Klauwaards, en de soldeniers werden onbarmhartiglijk gestoken en gekerfd, terwijl er ook al menige Vlaming het leven liet.
De ganse ruiterij bewoog zich eensklaps en rende met furie naar het vluchtende volk, de grote slagzwaarden dreven de scharen weldra uiteen, en de voeten der paarden vertrapten de weerspannigen in een ogenblik. Zij waren nochtans niet zonder wraak gestorven, want zij hadden zich een bed van geslachte Fransen voorbereid. De vader en de zoon lagen op elkander, eenzelfde dolk had hen doorstoken, en hun zielen hadden zich op de laatste reis niet verlaten. Het volk vlood als een rollende stroom, met bang gehuil door al de straten heen: ieder begaf zich in aller ijl naar zijn woning; deuren en vensters werden gesloten, en enige stonden later zou men gedacht hebben dat de stad geen inwoners meer bezat.
Verwoed en razend om de dood hunner makkers, en uit de natuur tot gewelddadigheden genegen, liepen de soldeniers bij hopen met het zwaard in de vuist door de volkloze straten en deden zich de huizen der Klauwaards door de Leliaards aanwijzen. Zij stampten de deuren en vensters aan stukken, roofden geld en goed en verbrijzelden alles wat hun niet kostelijk genoeg of te zwaar voorkwam. De wenende maagden, die men in kelders of andere bergplaatsen kon aantreffen, werden wredelijk onteerd: de mannen, die hun echtgenoten of hun zusters wilden verdedigen, waren weldra door dit razend rot overrompeld en vermoord. Hier en daar, voor de deuren der geplunderde huizen, lagen verminkte lijken tussen het verbrijzelde huisraad; niets hoorde men dan de woedekreten der soldeniers en het gehuil der rampzalige vrouwen. De plunderaars kwamen lachend uit de verwoeste woningen—de handen vol geroofd goud en vol Vlaams bloed! Wanneer enigen, verzadigd van moord en buit, vertrokken, werden zij door anderen nog boosaardiger opgevolgd, en alzo bleven de Fransen een ruime tijd aan dit schandelijk werk: de hele reeks der euveldaden welke een losgebroken krijgsknecht plegen kan, werd door hen uitgeput[86].
In de woning van Pieter Deconinck bleef geen stuk geheel, de muren zelf zouden niet recht gebleven zijn, indien de plunderaars de tijd niet tot meer misdaden hadden gespaard. Een andere hoop liep rechtstreeks naar het huis van de Deken Breydel. In weinig ogenblikken werd de deur op de vloer geworpen en twintig soldeniers traden vloekend in de winkel; zij ontmoetten niemand, alhoewel zij al de vertrekken doorzochten. De kasten werden gebroken, het goud en geld geroofd en dan alles tot gruis vermorzeld.—Wanneer zij afgemat en moede, met een boos genoegen op de puinhopen staarden, kwam een hunner makkers de trap af en sprak: "Ik heb iets op de zolder gehoord, voorzeker schuilen er Vlamingen onder het dak. Ik geloof dat wij daar een betere buit vinden zullen, want het is denkelijk dat zij hun geld met zich hebben."
De soldeniers wendden zich met haast naar de trap: ieder wilde eerst de hand aan de roof slaan, maar de stem van hun makker weerhield hen.
"Wacht, wacht!" riep hij. "Gij kunt er niet aan; de val van de zolder staat tien voet hoog en de ladder hebben zij opgetrokken. Maar dit is niets, ik heb een ladder in de hof zien staan.—Beidt een weinig, ik ga ze halen."
Hij kwam weldra met het werktuig terug en klom met zijn makkers naar boven. De ladder werd onder de val gericht en men poogde dezelve op te heffen, maar dit gelukte niet;—een sterke grendel belette hun dezelve te bewegen.
"Welaan," riep een van hen, terwijl hij een zwaar stuk hout van de vloer opnam, "mits zij niet gewillig opendoen, zullen wij een ander middel zoeken."
Hiermede sloeg hij geweldig tegen de val doch zij bleef even vast en onwrikbaar. Een akelige klacht, een zucht zo pijnlijk alsof het leven met dezelve uit een borst ontvlogen was, galmde op de zolder.
"Ha, ha!" riepen de soldeniers. "Zij liggen op de val!"
"Wacht!" sprak een andere stem. "Ik zal ze welhaast doen verhuizen, wilt mij slechts een weinig helpen."
Zij namen een zwaardere balk en hieven hem gezamenlijk in de hoogte; dan stieten zij met zoveel kracht tegen de val dat de planken losbraken en beneden vielen. Met razend gejuich brachten zij spoedig de ladder aan, en liepen allen naar boven. Hier bleven zij plotseling staan: het scheen dat een zeldzaam en plechtig toneel hun harten had vermurwd, want de vloeken vergingen op hun mond en zij bezagen elkander met twijfel.
In het diepe van de zolder stond een kind, niet boven de veertien jaar oud, met een slachtbijl in de hand; bleek van angst en bevend hield hij dit wapen op de Fransen gericht, zonder dat het minste geluid uit zijn borst opkwam: uit zijn blauwe ogen schoten stralen van wanhoop en heldenmoed. Het was zichtbaar dat een diepe zielroering hem vervoerde, want de spieren zijner tedere wangen trokken zich te samen en gaven hem een ijslijke uitdrukking.—Hij geleek een marmeren Griek, in zulke smalle maat gebeeld.—Achter de jonge beenhouwer zaten twee vrouwen op de vloer geknield: een oude grijze moeder met de handen gevouwen en de ogen ten hemel, en een tengere maagd met hangende haren. Het bange meisje had haar aangezicht in de klederen harer moeder verborgen, de armen had zij als in stervensnood om haar geslagen. In deze houding zat zij roerloos en als zonder leven;—zij zuchtte noch klaagde.
Wanneer de soldeniers van hun eerste verbaasdheid waren teruggekomen naderden zij onstuimiglijk bij deze ongelukkige en barstten in scheldwoorden tegen haar uit. Zij meenden de handen aan haar te slaan, want dit kind boezemde hun geen de minste vrees in.—Hoe werden zij door toorn vervoerd, wanneer de jonge beenhouwer zijn linkervoet achteruit plaatste, en in die vastere houding met de bijl wanhopig rondzwaaiende, hun van schrik deed achteruit wijken. Een ogenblik werden zij in hun misdadige aanslagen verhinderd, totdat eindelijk een van hen op het kind aanviel en hem meende te doorsteken; maar de beenhouwer weerde de degen af, en hakte met wanhopige kracht in de schouder van zijn vijand. Deze deinsde wankelend en viel in de armen zijner makkers. Alsof die slag het vermogen van de jongeling had uitgeput, stortte hij achterover te gronde en bleef gevoelloos nevens de vrouwen liggen. De soldeniers hadden zich ogenblikkelijk om hun gewonde makker geschaard en ontkleedden hem tussen ijslijke wraakkreten en verwensingen. Terwijl weende de oude vrouw in de grootste benauwdheid, en smeekte in de Franse taal om genade.
"O Mijne heren!" riep zij met de armen uitgereikt. "Hebt toch medelijden met ons, arme schepsels als wij zijn! Moordt ons niet om de liefde des Heren!—Aanziet toch mijn tranen en ontfermt u over ons lijden.—Wat geeft u de dood van twee weerloze vrouwen?"
"Het is de moeder van die beenhouwer, die zoveel Fransen te Male vermoord heeft," riep een der soldeniers. "Bij de duivel, zij zal sterven!"
"Och neen! Neen, Mijnheer!" hernam de oude vrouw. "Doop uw handen niet in mijn bloed—ik smeek u, bij de bittere passie onzes Zaligmakers, laat ons leven! Neem alles wat wij bezitten tot u."
"Uw geld! Uw goud!" galmde een stem.
Op deze woorden vatte de vrouw een kistje dat achter haar stond en wierp het naar de soldeniers.
"Daar, Mijne heren," sprak zij, "dit is alles wat ons in de wereld overblijft—ik schenk het u gewilliglijk."
Het kistje viel open en een menigte gouden geldstukken met de kostelijkste juwelen rolden op de vloer. Terwijl de soldeniers elkander wegstieten om de buit te grijpen was er een die het aangezicht van het meisje had gezien; want de beweging der moeder had hetzelve ontdekt. Bij het aanschouwen dier bekoorlijke wezenstrekken drong een boosaardige minnelust in zijn boezem; hij sprong driftig vooruit, omvatte de maagd met een arm, terwijl hij in de andere hand een degen hield, en rukte zijn slachtoffer uit de armen der huilende vrouw.
"Moeder, o moeder!" zuchtte de maagd met stervende stem. Die klacht, op haar lippen vergaande, viel haar hoofd achterwaarts, en haar lichaam hing slap over de arm van de schaker. Door wanhoop en liefde tot haar kind zinneloos geworden, werd de moeder bij een razende furie ontheven: haar ogen zonken diep onder de geholde wenkbrauwen, en vlamden daar als de ogen eens wolfs in de duisternis: haar lippen hieven zich stuiptrekkend op en ontdekten de tanden, alsof de moeder in dit aaklig ogenblik, de inborst ener tijgerin verkregen had. Zij sprong woedend op de soldenier, en sloeg haar armen om zijn hoofd; dan zijn wang in haar hand, als in een klauw, grijpende, dreef zij haar nagelen in zijn aangezicht, en neep hem de wang te pletten: bloeddruppels lekten reeds op zijn kin.
"Mijn kind!" huilde zij. "Mijn kind, o booswicht!"
De nijpingen der razende moeder veroorzaakten de soldenier onverdraaglijke martelpijnen; zijn wezenstrekken gaven dit genoeg te kennen, want de ogen kwamen hem uit het hoofd.—Het meisje niet willende verlaten, bracht hij zijn degen tegen de borst der moeder, en boorde wredelijk door haar boezem. De ongelukkige vrouw loste alsdan de boze vijand, en leunde wankelend tegen het dak: bloed liep over haar klederen, haar ogen verflauwden, haar wezenstrekken verstierven, en haar handen zochten dwalend naar een steun.
De soldenier, die haar dochter in de armen hield, wierp op dit ogenblik het haar van de wangen der maagd,—plaatste zijn mond op haar ontverfd gelaat en zoende haar zo driftig, dat de oren der stervende moeder het geluid ervan ontvingen. Op het gezicht dier schennis kreeg zij het leven terug: zij stond recht zonder ergens tegen te leunen.—Met een vervaarlijke uitdrukking van blijdschap, stak zij haar bevende hand tussen haar klederen, en sprak met doffe stem, terwijl zij naar de soldenier liep: "Gij zult mijn kind niet onteren! Haar ziel zal mij zuiver ten Hemel verzeilen... Daar zie booswicht—nu hebt gij een lijk ..."
Zij stiet het mes dat zij uit haar tas getrokken had, bij herhaalde malen in de borst harer dochter—en meende haar nog eens stervend te omhelzen, maar nu ontgingen haar de krachten met het leven: zij stortte zwaar op het lichaam van haar kind.
Om dit zieldrukkend toneel in al zijn delen te beschrijven, heeft het verhaal langer dan de daad zelf geduurd. Al deze voorvallen begonnen en eindigden in enige ogenblikken; in dier voege dat de andere soldeniers nog bezig waren met het bijeenrapen der juwelen, wanneer de moeder en de dochter deze aarde voor een betere wereld verlieten.
Zodra de uitheemse plunderaars alles wat op de zolder van enige waarde was, geroofd hadden, gingen zij ten huize uit en liepen naar andere plaatsen dezelfde verwoesting hervatten.—De rampzalige Burgers die nu uit hun woningen verjaagd waren, of in dezelve niet meer dorsten blijven, doolden als verloren in de straten en werden door de Fransen met alle smaadwoorden bejegend.—Hoe pijnlijk moest toch de onmacht en de wanhoop voor deze Vlaamse harten zijn! Hoe bitter en hoe nijdig vervloekten zij de naam der Fransen!
Omtrent de middag renden een groot getal ruiters door de stad om de soldeniers weder te roepen; want Mijnheer De Chatillon had geoordeeld dat de Kroon van Frankrijk nu genoeg gewroken was. Er werd uitgeroepen dat men de lijken mocht begraven, en dat iedereen naar zijn woning mocht terugkeren.
Enige Klauwaards, die in het huis van de Deken Breydel gegaan waren, hadden de lichamen der twee vrouwen van de zolder gehaald en vervoerden dezelve op een draagbaar tot aan de Dampoort. Hier was nog een treurig toneel te zien, dat het hart fel mocht schokken. Duizend wenende vrouwen, huilende kinderen en stramme grijsaards baden geknield om de stad te mogen verlaten; doch de soldeniers, wie het bevolen was de poorten gesloten te houden, luisterden naar geen smeken, en antwoordden met bittere scherts op de tranen der benauwde Burgers. Wanneer zij aldus een ruime tijd nutteloos gebeden hadden, kreeg een der vrouwen het gelukkig gedacht haar juwelen aan de wachten te geven. Door vele anderen werd zij hierin nagevolgd, en weldra lagen er kostelijke halssnoeren, haken en oorbellen, met andere rijke sieraden, in een hoop voor de poort.
De soldeniers grepen met drift naar die zinnenstrelende voorwerpenpen beloofden de poorten te openen, indien men hun al de juwelen wilde schenken.—Met haastigheid wierpen de vrouwen geld en goed te gronde, en de poort werd geopend.
Een blij gejuich begroette deze gelukkige verlossing: de moeders namen hun kinderen op de arm, de zoon ondersteunde zijn vader, en zo liepen zij stromend door de poort.—De mannen die de lijken der moeder en der zuster van Jan Breydel droegen, volgden de anderen in de vlucht;—en achter hen sloot zich de stad weder toe.
'k Zie in den bloei der jeugd my lust en hoop ontvlugten,
En angstig worstel ik met kommer en verdriet
Is 't myn bestemming, God, altoos altoos te zuchten.
Hoort gy myn weeklacht niet?
Jan Breydel had zich met zijn zevenhonderd beenhouwers in de nabijheid der stad Damme op een mijl van Brugge neergeslagen. Drieduizend andere gezellen van alle ambachten waren zich onder zijn bevel komen schikken; hij bevond zich dus aan het hoofd van een heir, wel gering door het getal, maar machtig door moed en onversaagdheid; want de harten dezer mannen hijgden inniglijk naar vrijheid en wraak. In het bos dat de Deken tot legerplaats had verkozen was de grond, op een uitgestrektheid van een vierendeel uurs, met veldhutten overdekt[87].
Des morgens achttiende mei, een weinig eer De Chatillon in Brugge trad, rookten voor de regelmatige lijnen dezer legering ontellijke vuren; nochtans bespeurde men weinig volk bij de hutten, er stonden wel genoeg vrouwen en kinderen, maar het was zelden dat een man zich vertoonde, en dan nog was het een schildwacht. Op enige afstand van het leger, achter de bomen die hun takken boven de hutten spreidden, was een open plaats die niet met gevallijke gewassen was belemmerd, en op welkers grond geen hutten stonden. Daar hoorde men een schaterend gesuis van gemengde stemmen, terwijl bonzende slagen dit eenstemmig gemor bij pozen kwamen beheersen. Het aambeeld weergalmde klinkend onder de hamers der smeden, en de grootste bomen vielen met gedruis voor de bijlen der beenhouwers neder. Lange stukken hout werden rond en glad gemaakt en met een puntig ijzer voorzien. Reeds lagen er grote hopen van zulke Goedendags of speren tegen de grond opeengestapeld. Andere gezellen vlochten wilgentakken tot beukelaars en gaven dezelve beurtelings aan het leertouwersambacht, om ze met een ossenhuid te laten overdekken. De timmerlieden vormden ook allerlei zware oorlogstuigen om steden te bestormen, en bijzonderlijk springalen en andere werprustingen.
Jan Breydel liep van de ene zijde naar de andere en wakkerde zijn makkers door vrolijke woorden aan, dikwijls nam hij zelf de bijl uit de handen zijner beenhouwers en hakte dan ter hunner verwondering, met een verbazende kracht, een boom in weinig tijds ter neder.
Op de linkerzijde dezer open plaats stond een prachtige tent van hemelsblauw laken, met zilveren boordsels. Aan het bovenste gedeelte hing een schild, op hetwelk een zwarte leeuw in een gulden veld gewrocht was; aan dit wapen kon men gissen dat een persoon van graaflijken bloede erin woonde. Het was Machteld die zich onder de bescherming der Ambachten gesteld had, en tussen hen was gelegerd. Twee Vrouwen van het doorluchtige huis van Renesse waren uit Zeeland gekomen om haar tot Staatjuffers en vriendinnen te zijn; niets ontbrak haar: het prachtigste huisraad, de kostelijkste kleding had de edele Zeelander haar toegeschikt. Twee lange scharen beenhouwers, met blinkende bijlen, stonden bij de twee zijden der tent en dienden de jonge Gravin tot lijfwacht.
De Deken der wevers wandelde heen en weer vóór de ingang, hij scheen in diep gepeins bedolven, want zijn ogen waren steeds te gronde gericht. De lijfwachten bezagen hem in stilte en dorsten niet spreken; zozeer eerbiedigden zij de bedenking van de man die groot en edel voor hen was. In deze mijmering was hij bezig met het vormen van een algemeen legeringsontwerp. Opdat de nooddruft niet ontbrake, had hij zelf het ganse leger in drie lichamen verdeeld: de beenhouwers en de gezellen van verschillende ambachten had hij te Damme onder het bevel van Breydel doen legeren, de Hoofdman Lindens had zich met tweeduizend wevers bij Sluis vertrokken, en Deconinck zelf verbleef met tweeduizend anderen te Aardenburg[88]. Maar die noodzakelijke afstand tussen de delen van het leger verdroot hem; hij had liever al de benden voor de terugkomst van Mijnheer Gwyde te samen gebracht: hierom was hij te Damme gekomen en had reeds met Jan Breydel over de zaak gehandeld. Nu wachtte hij dat het hem veroorloofd werde de dochter van zijn heer te zien en te groeten.
Terwijl hij het ontwerp wandelend nog overwoog, werd het behangsel der tent ter zijde getrokken en Machteld stapte langzaam over het tapijt dat voor de ingang lag. Zij was bleek en kwijnend, haar onmachtige benen ondersteunden haar met moeite: zij wankelde bij de weinige stappen die zij deed, en rustte zwaar op de arm der jonge Adelheid van Renesse die haar vergezelde. Haar kleding was rijk, doch zonder zwier; zij had alle sieraad verworpen, en droeg geen ander kleinood dan de gulden borstplaat met de zwarte Leeuw van Vlaanderen.
Deconinck had zich het hoofd voor zijn Landvrouw ontdekt, en stond in een eerbiedigende houding voor haar. Machteld glimlachte met een zieltreffende uitdrukking, op haar wangen mengden zich bittere pijn en zacht genoegen; want zij was verheugd dat zij de Deken zag. Met zwakke stem sprak zij: "Wees gegroet, meester Deconinck, onze vriend! Gij ziet het, ik ben niet wel, mijn kranke borst hijgt zo lastig. Maar ik mag zo niet altijd in mijn tent blijven, de droefheid bevangt mij in die nauwe woning. Ik wil de trouwe onderdanen mijns vaders zien werken, indien mijn voeten mij tot daar brengen kunnen. Gij zult mij vergezellen; ik bid u, Meester, antwoord op mijn vragen, uw verklaringen zullen mijn zieke geest verlichten. Ik begeer niet dat de wachten ons volgen.—De zuivere morgenlucht verkwikt mij grotelijks!"
Deconinck zijn Landvrouw volgende, begon haar over vele zaken te onderhouden; met zijn gewoon vernuft en welsprekendheid wist hij voor haar troostende dingen te vinden, en dreef alzo voor een ogenblik het zwart nadenken van haar. Te midden der ambachtslieden gekomen zijnde werd de Jonkvrouw overal met juichende gelukwensingen begroet. Weldra werd de kreet algemeen: "Heil! Heil de edele dochter van de Leeuw!" liep met lange galmen door het bos en Machteld gevoelde een zuivere vreugde bij de tekens dezer vurige liefde. Zij naderde bij de Deken der beenhouwers en sprak vriendelijk: "Meester Breydel, ik heb u van ver gezien; gij werkt met meer drift dan de laatste uwer gezellen. Het schijnt dat die arbeid u behaagt."
"Mijn Landvrouw," antwoordde Breydel, "wij maken Goedendags die het Vaderland en de Leeuw onze heer moeten verlossen. Ik verheug mij uitermate aan dit werk; want mij dunkt dat op de punt van iedere Goedendag, die wij veerdig krijgen, reeds een Fransman steekt. En verwonder u niet, doorluchtige Gravin, indien ik zo driftig in deze bomen houw: ik droom dat ik op de vijand hak, en die bedriegelijke wraak doet mijn hart van onversaagdheid opzwellen!"
Machteld bewonderde de jonge Man, wiens blikken het heldenvuur, dat zijn hart zo overvloedig besloot, verrieden; wiens gelaat als het gelaat ener Griekse godheid de kentekens der zoete hartstochten en der vlammende driften droeg. Zij bezag met genoegen die ogen waarin de manlijke trotsheid onder lange wimpers vonkelde, en die zachte wezenstrekken, welke als de spiegel ener edele ziel met de uitdrukking ener belangloze opoffering en van liefde tot het Vaderland blonken. Zij sprak tussen een minzame glimlach: "Meester Breydel, uw gezelschap zou mij aangenaam zijn, indien het u beliefde ons te volgen."
Jan Breydel wierp de bijl weg, bracht de blonde lokken van zijn haar over de oren, plaatste zijn muts met meer zwier op het hoofd, en volgde de Jonkvrouw vol hoogmoed. Machteld suisde met stille stem tot Deconinck: "Indien mijn vader duizend zulke trouwe en onverschrokken mannen in zijn dienst had, zouden de Fransen niet lang in Vlaanderen blijven."
"Er is maar een Vlaming gelijk Breydel," antwoordde Deconinck. "Het is zelden dat de natuur zulke vlammende harten in zulke machtige lichamen laat geboren worden, en dit is een wijze schikking van God: anders zouden de mensen, hun krachten bewust zijnde, te hovaardig zijn; evenals die reuzen der Oudheid, die de Hemel beklimmen wilden...."
Hij meende in zijn rede voort te gaan; maar een schildwacht met rondel en zwaard kwam buiten adem bij hen gelopen en sprak tot Breydel, zijn Deken: "Meester, mijn gezellen van de legerwacht hebben mij tot u gezonden, om u te boodschappen, dat men voor de poort onzer stad Brugge een dikke wolk van het stof der baan in de hoogte ziet klimmen; en dat een bruisend gerucht, als het geraas eens legers, zich doet horen: het gevaarte verlaat de stad en komt naar onze legerplaats."
"Te wapen! Te wapen!" riep Breydel met zulke kracht dat allen het hoorden, "Ieder schikke zich in zijn schaar! Maakt spoed!"
De werklieden grepen met onstuimigheid naar hun wapens en liepen in wanorde door elkander, maar dit duurde slechts een ogenblik:—de scharen vormden zich plotseling, en welhaast stonden de gezellen beweegloos in hun dichtgesloten gelederen. Breydel schikte vijfhonderd uitgelezen mannen om de tent van Machteld; de Jonkvrouw was ijlings in dezelve teruggekeerd. Een wagen en enige losse paarden werden voor de tent gebracht en alles tot een ontwijking bereid gemaakt. Dan ging Breydel in allerhaast met zijn overige mannen uit het bos en schaarde zich in slagorde om de vijand te ontvangen.
Zij bemerkten welhaast dat zij zich hadden bedrogen, want het gevaarte dat het stof in de lucht dreef, ging zonder orde voort: er liepen vrouwen en kinderen in menigte door elkander. De vrouwen maakten een aaklig gebaar van weeklachten, rondom een draagkoets die door mannen werd aangebracht. Alhoewel de oorzaak der wapenneming nu vergaan was, bleven de ambachtslieden nog altijd in hun gelederen: zij rustten op hun wapens, en wachtten met nieuwsgierigheid om te weten wat dit beduidde. Eindelijk naderde het gevaarte voor het leger. Terwijl veel vrouwen en kinderen door de gelederen heendrongen, om hun echtgenoot of hun vader te omhelzen, ontvouwde zich een schriklijk toneel voor het midden der scharen.
Vier mannen brachten de draagbaar tot op een kleine afstand van de Deken der beenhouwers, en plaatsten twee vrouwenlijken op de grond: de klederen derzelve waren met lange bloedvagen besmet; hun wezenstrekken kon men niet zien, want er lag een zwarte sluier op hun hoofden. Terwijl de lijken uit de draagbaar gelicht en op de grond gelegd werden, vervulden de vrouwen de lucht met hun klachten; het hartscheurend "Wee! Wee!" was alles wat men in den eerste verstaan kon. Eindelijk riep een stem: "De Fransen hebben haar wredelijk vermoord!"
Die roep bracht de woede en de wraaklust onder de ambachtslieden, die tot daar toe met verbaasdheid gewacht hadden, maar de Deken Breydel keerde zich tot hen en riep: "De eerste die zijn gelid verlaat, zij strengelijk gestraft!"
Hij was door een pijnlijke onrust gefolterd, alsof een voorgevoel van het ongeluk dat hem gebeurd was zijn hart op voorhand beneep; met onstuimigheid liep hij tot bij de op de grond liggende lijken, en rukte de doek van derzelver aangezicht.
Maar, o God! Hoe schriklijk was hem de onzalige blik zijner ogen!... Geen zucht ontging zijn boezem, geen lid verroerde zich in hem en hij stond als door een bloedstorm geslagen. Bleker dan een lijk werd hij, en zijn haren rezen te berge op zijn hoofd: met hardnekkigheid hield hij de ogen stijf en beweegloos op de verglaasde ogen der dode lichamen gevestigd. Zijn lippen bewogen zich bevend, en men zou gezegd hebben dat zijn stervensuur gekomen was.
In die gesteltenis bleef hij slechts weinig ogenblikken, weldra ging er een ratelende ademing door zijn keel; wanhopig sprong hij vooruit naar zijn scharen, hief terzelfder tijd de twee armen omhoog, en schreeuwde pijnlijk.
"O ramp! Ramp! Mijn oude moeder ... mijn arme zuster!"
Bij deze woorden wierp hij zich in de armen van Deconinck en hing, van kracht begeven, tegen de borst van zijn vriend. Met dwaze blikken staarde hij in het ronde, en deed zijn makkers van angst en medelijden sidderen. In zijn sombre woede, bracht hij de bijl die hij droeg, aan zijn mond, en beet als een razende met zulke kracht in de hecht dat een stuk houts van de zelve tussen zijn tanden bleef; maar dit gevaarlijk wapen werd hem spoedig ontnomen. Deconinck gebood de gezellen dat zij in orde naar hun werk zouden terugkeren, totdat een bevel hen te wapen roepen zoude. Alhoewel zij liever een spoedige wraak genomen hadden, dorsten zij zich echter niet tegen dit bevel verzetten, want het was hun kenbaar gemaakt dat de Deken der wolwevers als algemeen Stadhouder, door de jonge Gwyde was aangesteld; zij keerden morrend naar het bos, en hernamen hun arbeid tegen dank.
Wanneer de twee Dekens in Breydels tent gekomen waren, zette de Deken der beenhouwers zich, afgemat en verslagen, bij een tafel, en liet het hoofd zwaar neerzinken. Hij sprak niet, en bezag Deconinck met een zonderling gelaat: een vergiftige grimlach stond op zijn wezenstrekken,—men zou gedacht hebben dat hij met zijn eigen ramp de spot dreef.
"Mijn ongelukkige vriend," sprak Deconinck hem toe, "bedaar om Gods wil."
"Bedaar! Bedaar!" herhaalde Breydel. "Ben ik niet bedaard?—Hebt gij mij ooit zo rustig gezien?"
"O mijn vriend," hernam de Deken der wevers, "hoe bitter is het lijden uwer ziel! Ik zie de dood op uw gelaat. Troosten kan ik u niet,—uw ongeluk is te groot; ik weet niet welke balsem zulke wonden helen mag."
"Ik wel," antwoordde Breydel. "De balsem die mij genezen kan, is mij bekend; maar de macht ontbreekt mij. O mijn arme moeder! Zij hebben hun handen in uw bloed gedoopt, omdat uw zoon een Vlaming is—en die zoon, o doemnis!—die zoon kan u niet wreken!"
De uitdrukking van zijn gelaat veranderde bij die uitroeping: zijn tanden kwamen bitsig opeen en kraakten, zijn handen omvatten de stijlen der tafel, alsof hij dezelve breken wilde; echter werd hij weder kalm en zijn gelaat betuigde meer droefheid.
"Nu Meester, gedraag u als een man," sprak Deconinck. "Overwin ook de wanhoop, die vijandin der ziel. Wees moediger tegen de bittere pijnen die u heden treffen—het bloed uwer moeder zal gewroken worden."
De ijselijke grimlach kwam weder op Breydels lippen. Hij antwoordde: "Gewroken worden! Hoe licht belooft gij iets dat gij niet kunt volbrengen. Wie kan mij wreken? Gij niet. Gelooft gij, dat een stroom Frans bloed genoegzaam zij om het leven mijner moeder te herkopen? Geeft het bloed van een dwingeland het leven zijne slachtoffers weder? O neen, zij zijn dood—en voor altijd, voor eeuwig, mijn vriend! Ik zal in stilte en zonder klagen lijden; niets kan mij troosten,—wij zijn te zwak, en onze vijanden te machtig."
Deconinck antwoordde niet op de woorden van Breydel, en scheen iets gewichtigs te overwegen: op zijn aangezicht kwam soms een uitdrukking alsof hij zich geweld aandeed om een inwendige woede te verbergen. De Deken der beenhouwers bezag hem met nieuwsgierigheid, denkende dat er iets buitengewoons in de boezem van zijn diepzinnige vriend omging. De grammoedige uitdrukking verging op het gelaat van Deconinck; hij stond langzaam op, en sprak: "Onze vijanden zijn te machtig, zegt gij? Morgen zult gij dit niet meer zeggen. Zij hebben verraad en boosheid te hunnen voordele gebruikt, en hebben niet gevreesd het onnozel bloed te vergieten, alsof er geen Wraakengel meer bij de troon des Heren ware. Zij weten niet dat het leven van hen allen in mijn handen is, en dat ik hen kan verbrijzelen alsof de almacht mij door God geschonken ware.—Zij zoeken hun macht in verraad en schandelijke boosheid. Welaan, hun eigen zwaard zal hen vernielen—het is gezegd!"
Deconinck scheen in dit ogenblik als een Tolk die over het misdadige Jeruzalem de vloek des Heren uitspreekt; er was zoveel ontzaglijks in de toon zijner stem dat Breydel met een godsdienstige eerbied op het vonnis der vijanden luisterde.
"Wacht een weinig," ging Deconinck voort, "ik zal een der nieuw aangekomenen doen halen opdat wij weten mogen hoe dit alles gebeurd is. Laat u bij zijn verhaal niet vervoeren, ik beloof u een wraak die gij zelfs niet zoudt durven eisen. Want nu is het toch zover gekomen dat geduld een schande wordt."
Een innige toorn bracht het vuur op zijn wangen. Hij, die anders zo bedaard was, blaakte nu in heviger gramschap dan Breydel, alhoewel men dit nog niet gans op zijn gelaat kon merken. Na de tent enige ogenblikken verlaten te hebben kwam hij met een ambachtsgezel terug en deed hem de voorvallen, welke die dag in Brugge gebeurd waren, met alle omstandigheden verhalen. Zij verstonden uit hem het getal van De Chatillons nieuw leger, de dood der gehangen Burgers en de schriklijke plundering der stad.
Breydel aanhoorde dit verhaal met koelheid, want al deze euveldaden waren hem niet zo pijnlijk als de moord dergene die hem in haar schoot had gedragen. Deconinck werd integendeel meer en meer verwoed, naarmate dit schriklijk toneel zich ontrolde. Voor hem waren de omstandigheden van dit verhaal zeer droevig, maar zo aanzag hij de zaak niet. Vaderland en verlossing waren de twee gevoelens welke hem in zulke drift konden doen ontsteken. Nu zag hij dat het waarlijk tijd was en dat men zonder uitstel moest beginnen; trouwens, deze wrede rechtspleging kon de Vlamingen verschrikken en hun de moed benemen. Hij zond de gezel weg, en plaatste het hoofd stilzwijgend in de hand, terwijl Breydel met ongeduld, op hetgeen hij zeggen ging, wachtte.
Deconinck kwam eensklaps bij Breydel en riep: "Vriend, maak uw bijl scherp, jaag de droefheid uit uw hart! Wij gaan de banden des Vaderlands breken!"
"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Breydel.
"Luister,—een akkerman wacht totdat de koude des morgens al de rupsen in een nest verzameld heeft; dan snijdt hij het nest van de boom, plaatst hetzelve onder zijn voet, en vertrapt het ongediert ineens. Verstaat gij dit?"
"Voleind uw voorzegging," riep Breydel. "O mijn vriend, een lichte straal verdrijft mijn duistere wanhoop. Voleind, voleind!"
"Welnu, de Fransen hebben zich ook in onze vaderstad gelijk het ongediert genesteld: zij zullen ook verplet worden alsof een berg op hen gevallen ware. Verblij u, meester Jan, zij zijn veroordeeld. De dood uwer moeder zal met woeker betaald worden, en het Vaderland zal zonder ketens uit dit bloedbad oprijzen."
Breydel liet zijn ogen onstuimig rond de tent gaan, en zocht naar zijn bijl, dan herinnerde hij zich dat men hem dezelve had ontnomen. Hij vatte de hand van Deconinck met ontroering.
"Mijn vriend," riep hij, "gij hebt mij meermalen gered, maar dan gaaft gij mij alleenlijk het leven: nu krijg ik door u geluk en vreugde weder. Zeg mij toch spoedig hoe wij deze wraak zullen bewerken opdat ik niet meer twijfele."
"Heb een ogenblik geduld, gij zult het gaan horen; dit ontwerp moet ik voor al de Dekens ontvouwen. Ik zal hen doen roepen."
Hij ging haastiglijk uit de tent, riep een schildwacht en zond hem naar het bos om al de Oversten bij hem te ontbieden. Enige tijd daarna stonden zij ten getale van dertig in een kring buiten de tent. Deconinck sprak tot hen in dezer voege: "Makkers, het plechtig uur is gekomen, de vrijheid moeten wij hebben of de dood. Lang genoeg hebben wij de schandvlek op onze voorhoofden gedragen: het is tijd dat wij onze vijanden rekenschap over het bloed onzer broederen vragen;—en indien wij voor het Vaderland sterven moeten, denkt dan, o makkers, dat de ketens der slavernij bij de boord van het graf ontvallen, en dat wij, vrij en zonder laster, bij onze vaderen zullen slapen. Maar neen, wij zullen overwinnen, dit weet ik. De zwarte Leeuw van Vlaanderen kan niet vergaan. En ziet of wij het recht niet op onze zijde hebben? De Fransen hebben ons land uitgeplunderd, onze Graaf en de Edelen, de bloem der echte Vlamingen gekerkerd. Philippa hebben zij met venijn vergeven, onze stad Brugge hebben zij verwoest en de eerlijksten onzer broederen op eigen grond gehangen. De bloedige lijken der moeder en der zuster van onze ongelukkige vriend Breydel rusten tussen ons. Deze lijken, en die van al degenen welke door de handen der vreemde dwingelanden zijn gestorven, hebben stemmen die in uw harten om wraak roepen! Welaan, begraaft hetgeen ik u ga zeggen in uw hart als in een graf.—De Fransen hebben zich heden aan een boos werk moede gemaakt, zij zullen goed slapen; maar dan straffe mij God met het eeuwige vuur, zo die slaap voor de meesten niet tot het laatste oordeel duren zal! Zegt niets aan uw gezellen, maar leidt ze morgen, twee uur voor de opgang der zon, tot achter Sint-Kruis in het Eksterbos[89]. Ik vertrek op staande voet naar Aardenburg om mijn mannen te bereiden en de Hoofdman Lindens te doen verwittigen; want ik moet heden nog in Brugge zijn. Dit verwondert u,—nochtans zult gij met mij bekennen dat er een Fransman in Brugge is, die wij niet mogen doden: zijn bloed zou op onze hoofden terugvallen."
"Mijnheer De Mortenay!" antwoordden vele stemmen.
"Die ridder," hernam Deconinck, "heeft ons steeds met goedheid behandeld; hij heeft getoond dat de rampen onzes Vaderlands hem raakten. Dikwijls heeft hij de verfoeilijke Jan van Gistel in zijn wrede vervolgingen wederhouden, en de genade der veroordeelden verkregen. Wij mogen dus onze wapens met dit edel bloed niet verven; het is om dit te beletten dat ik heden naar Brugge gaan wil, wat gevaar er ook zij."
"Maar," viel een der Dekens in, "hoe toch zullen wij morgen in de stad geraken, mits de poorten voor het rijzen der zon gesloten zijn?"
"De poorten zullen voor ons geopend worden," antwoordde Deconinck. "Ik zal niet uit de stad terugkeren voordat de wraak zeker en onfeilbaar zij. Ik heb u genoeg gezegd: morgen in de vergaderplaats zal ik u nadere bevelen geven; houdt uw mannen veerdig. Ik ga met onze jonge Gravin vertrekken, zij mag dit bloedig toneel niet zien."
Breydel had gedurende deze rede niet het minste teken van toestemming gegeven; maar een hevige blijdschap blonk op zijn gelaat. Zodra de Dekens vertrokken waren, wierp hij zich om de hals van Deconinck en sprak, terwijl twee tranen over zijn wangen rolden: "Gij hebt mij uit de wanhoop gewekt, mijn dierbare vriend. Nu zal ik rustig over de lijken mijner moeder en zuster kunnen wenen, en haar met godsdienstig gevoel ter aarde beschikken.—En dan, nadat het graf op haar zal gesloten zijn ... Ho, wat blijft er mij dan in de wereld over dat ik kan beminnen?"
"Uw Vaderland en deszelfs grootmaking!" was het antwoord.
"Ja, ja, Vaderland en vrijheid—en wraak! Want nu, verstaat gij, mijn vriend, nu zou ik van spijt wenen indien de Fransen ons land verlieten. Dan zou mijn bijl geen hoofden meer kunnen klieven, ik zou hun lijken niet kunnen vertrappen, gelijk de voeten hunner paarden onze broeders vertrapt hebben. De vrijheid alléén zou ik verwerpen; het gezicht van stromend bloed kan mij alleen nog behagen, nu zij het hart waaronder ik het leven ontving, doorstoken hebben.—Vertrek gauw, en ga met God, opdat alles wel uitvalle; want ik ben dorstig naar de beloofde wraak."
Deconinck verliet Breydel met deze woorden: "Geheim en voorzichtigheid, mijn vriend!"
Eer hij de legerplaats verliet, deed hij alles tot het vertrek der edele Machteld bereiden, en, na met haar enige ogenblikken gesproken te hebben, klom hij op een draver en verdween in de richting van Aardenburg.
Onderwijl waren de lichamen der moeder en der zuster van Breydel door de vrouwen gewassen en gelijkt geweest. Zij hadden eerst een tent van binnen met zwart laken behangen en te midden derzelve de twee lijken op een legerbed uitgestrekt. Een somber doodskleed was derzelver deksel; de aangezichten alleen waren ontbloot. Rondom die plechtige legerstede brandden acht gele waskaarsen; een Kruisbeeld met een zilveren wijwatervat en enige palmtakken stond aan het hoofdeinde, terwijl wenende vrouwen prevelend erbij zaten te bidden.
Onmiddellijk na het vertek van Deconinck ging Breydel naar het bos, en beval het werk te staken; hij zond al de ambachtslieden naar de tenten om te rusten, en kondigde hun aan dat zij des anderendaags voor het aanbreken van het daglicht moesten vertrekken. Na enige verdere maatregels gebruikt te hebben, om de vrouwen en kinderen in de legerplaats te doen blijven, begaf hij zich naar de hut waar het lichaam zijner moeder gelijkt lag. Daar gekomen zijnde zond hij de vrouwen weg en sloot de deur dicht.
Meer dan een Aanleider kwam bij de tent om de Deken te kunnen spreken, hetzij om onderrichtingen of bevelen te vragen. Maar hoezeer zij ook aanklopten, kregen zij echter geen antwoord. In den eerste eerbiedigden zij de droefheid, waarin hun meester ongetwijfeld op dit ogenblik verzonken lag; maar wanneer zij reeds vier uur lang voor de deur gewacht hadden, zonder dat het minste gerucht zich in de lijktent had laten horen, kwam de vrees hen bevangen. Zij dorsten hun gedachten niet uitdrukken:—was Breydel dood? Had de bijl of de smart zijn levensdraad gebroken?
Eensklaps ging de deur open, en Breydel vertoonde zich voor hen zonder dat hij hun tegenwoordigheid scheen te bemerken. Niemand sprak, want de wezenstrekken van de Deken hadden iets in zich dat het hart met koude beneep en de spraak benam. Hij was bleek, zijn blikken dwaalden halsstarrig en dwaas in het rond, en velen bemerkten dat twee vingeren zijner rechterhand met bloed geverfd waren. Niemand hunner dorst hem naderen; want de dood straalde uit zijn ogen, en ieder zijner blikken ging als een schicht in de zielen dergenen die hem bezagen.
Dit bloed dat aan zijn vingeren kleefde, deed hen bovenal sidderen; een schriklijke gissing liet hen raden waar hij het gehaald had. Gewis had hij de wonde zijner moeder geraakt, misschien had hij dit hart dat hem zozeer beminde gevoeld, en uit die ijselijke aanrakingen de razernij geput die hem meer kracht en dorst tot de wraak moest geven!—Zo wandelde hij sprakeloos door het woud, totdat de avond, de legerplaats met duisternis omvangende, hem voor de ogen zijner makkers verborg.
Te Aardenburg gekomen zijnde, stelde Deconinck zijn tweeduizend wevers onder het bevel van een der voornaamste Aanleiders en zond een bode met onderrichtingen naar de Hoofdman Lindens. Wanneer hij al de nodige maatregelen genomen had om de macht der drie afdelingen van het leger te St.-Kruis te verenigen, klom hij weder te paard en begaf zich rechtstreeks naar Brugge. Hij liet zijn draver in een herberg staan, en ging te voet in de stad. Niets weerhield hem, want het was reeds diep in de avond, de poorten waren open en men zag geen andere soldeniers dan de schildwacht op de wal. Een dode rust, een schrikwekkende stilte heerste in de straten door dewelke hij gaan moest. Weldra bleef hij voor een gering huis achter de St.-Donaaskerk staan, en meende te kloppen; doch hij bemerkte dat er geen deur aan deze woning was en dat de ingang met een lang stuk laken was gesloten. Dit huis en deszelfs vertrekken moesten hem wel bekend zijn; want het laken opheffende, stapte hij stoutelijk in de winkel en ging welhaast naar een kleine achterkamer, die door de weifelende vlam ener lamp verlicht was. Tussen het verbrijzelde huisraad, welke op de vloer verspreid lag, zat een vrouw wenend bij een tafel; twee jonge kinderen hield zij tegen haar borst gesloten en zoende hen zuchtend, alsof zij zich gelukkig achtte, dat tenminste die rijkdom haar was overgebleven: verder in een hoek, die maar half de bleke stralen der lamp ontving, zat een man met het hoofd in de hand, en scheen te slapen.
Bij de onverwachte verschijning van Deconinck verschrikte de vrouw zodanig, dat zij haar kinderen vaster tegen de borst sloot en door een luide schreeuw haar benauwdheid te kennen gaf. De man greep met haastigheid naar zijn kruismes, doch zijn Deken herkennende, stond hij op en sprak: "O Meester, wat pijnlijke last hebt gij mij opgelegd, toen gij mij geboodt in de stad te blijven: de genade Gods alleen heeft ons van een onvermijdelijke dood gered. Onze huizen zijn geplunderd, onze broederen gehangen en vermoord—en God weet wat er morgen zal gebeuren. O geef mij oorlof om bij u te Aardenburg te gaan, ik smeek het u."
Deconinck antwoordde niet op dit verzoek; hij wenkte de ambachtsman met de vinger, en ging met hem tot in de winkel, waar de grootste duisternis heerste. Dan sprak hij met stille stem: "Geeraert, wanneer ik de stad verliet, heb ik u met dertig andere gezellen doen blijven, opdat gij de aanslagen der Fransen mocht ontdekken. U heb ik daartoe verkozen, omdat mij uw moed en uw zuivere vaderlandsliefde bekend zijn. Misschien heeft het gezicht van de dood uwer makkers, uw hart met vrees bevangen: indien het zo was, sta ik toe dat gij heden nog naar Aardenburg vertrekt."
"Meester," antwoordde Geeraert, "uw woorden bedroeven mij, ik vrees de dood geenszins; maar mijn vrouw, mijn arme kinderen blijven hier aan alle onheilen blootgesteld. De schrik en de benauwdheid maken hen ziek, zij wenen en bidden de ganse dag, en de nacht geeft hun geen krachten weder: kondet gij zien hoe bleek zij zijn!—En zou ik bij het gezicht van al dat lijden, van al die angst, mijn tranen met de hunne niet mengen? Ik ben immers hun aller vader en beschermer.—En is het niet van mij alleen dat zij de troost, die ik hun niet geven kan, afsmeken? O Meester, geloof mij, een vader lijdt meer dan zijn vrouw en kinderen lijden kunnen. Nochtans ik zweer het u, ik ben bereid voor het Vaderland alles te vergeten—ja ook mijn bloed; en zo gij mij tot iets kunt gebruiken, moogt gij op mij staat maken. Spreek dus, want ik gevoel dat gij mij iets gewichtigs te bevelen hebt."
Deconinck vatte de hand van de brave Geeraert, en drukte dezelve met ontroering.
"Nog een ziel als die van Jan Breydel!" dacht hij.
"Geeraert," viel hij uit, "gij zijt een waardige gezel; dank voor uw trouw en uw moed. Luister dan, want ik heb weinig tijd. Gij zult spoedig naar uw gezellen gaan om hen te verwittigen: deze nacht zult gij u geheimlijk met hen in het Peperstraatje begeven; gij alleen zult op de wal tussen de Dam- en Kruispoorten klimmen; leg u plat ter aarde en laat uw ogen in de richting van St.-Kruis gaan. Zodra gij een vuur in het veld ziet, val dan met uw makkers op de wacht der poort; open deze zullen zevenduizend Vlamingen voor staan."
"De poort zal op het bepaald uur open zijn; vrees niet, ik bid u," antwoordde Geeraert met koelheid.
"Is het gezegd?"
"Het is gezegd!"
"Goedenavond dan, mijn waarde vriend. Blijf met God!"
"En die vergezelle u, Meester!"
Deconinck liet de ambachtsman naar zijn vrouw terugkeren, en ging zelf ten huize uit. Bij de oude Hal kwam hij aan een prachtige woning: hij klopte en de deur werd geopend.
"Wat wilt gij, Vlaming?" vroeg de dienstknecht.
"Ik begeer Mijnheer De Mortenay te spreken."
"Ja maar, hebt gij geen wapens? Want gij lieden zijt niet te betrouwen."
"Wat geeft u dit!" sprak de Deken. "Ga, en zeg uw meester dat Deconinck hem wil spreken."
"O Heer, mijn God! Gij heet Deconinck? Dan komt gij gewis met een boos inzicht ..."
Bij deze woorden liep de dienstbode ijlings naar boven en kwam na enige ogenblikken terug.
"Gij moogt boven gaan," zuchtte hij, "het gelieve u mij te volgen."
Hij bracht Deconinck boven de trappen voor de ingang ener kamer. De Mortenay zat bij een kleine tafel waarop zijn helm en zijn degen nevens de ijzeren handschoenen rustten. Hij bezag de Deken met verwondering: deze boog zich voor de Stadsvoogd en sprak: "Mijnheer De Mortenay, ik heb mij, met betrouwen in uw eerlijkheid, tot hier begeven, wetende dat die stoutheid mij niet zal berouwen."
"Voorwaar," antwoordde De Mortenay, "gij zult terugkeren zoals gij gekomen zijt."
"Uw edelmoedigheid is een spreekwoord onder ons geworden," hernam Deconinck. "Ook is het uit oorzaak derzelve, en om u te doen zien dat wij, Vlamingen, een eerlijke vijand hoogachten, dat ik tot UEdele gekomen ben.—De Chatillon heeft heden onze stad aan de woede zijner soldeniers overgegeven, hij heeft acht onzer onnozele broeders doen hangen. Beken met mij, heer De Mortenay, dat het ons een plicht is hun dood te wreken; want wat kon de Landvoogd hun ten laste leggen, dan dat zij voor zijn dwingende geboden niet wilden zwichten?"
"De onderdaan moet zijn meester gehoorzamen; hoe streng de straf ook zij, is het hem niet geoorloofd de daden zijner Oversten te beoordelen."
"Gij hebt gelijk, Mijnheer De Mortenay, zo spreekt men in Frankrijk, en daar UEdele een natuurlijk onderdaan van de Koning Philippe le Bel is, betaamt het u zijn bevelen te volvoeren. Maar wij zijn vrije Vlamingen, en kunnen die schandelijke ketens niet langer dragen: nu de Landvoogd de wreedheid zover gebracht heeft, verzeker ik u dat er eerlang bloed bij stromen zal vergoten worden, en indien het lot ons ongunstig ware en dat gij lieden de zege behaaldet—dan zouden er u weinig slaven overblijven, want wij willen sterven. Echter hoe het ook zij, en dit is de oorzaak mijner komst, wat er ook gebeuren moge zal geen haar van uw hoofd door ons geraakt worden: het huis waarin gij u zult bevinden, zal voor ons geheiligd zijn, geen Vlaming zal zijn voet over de dorpel uwer woning zetten. Ontvang daarop mijn trouw."
"Ik dank de Vlamingen om hun liefde tot mij," antwoordde De Mortenay, "maar ik weiger de bescherming die gij mij aanbiedt en zal er nooit gebruik van maken. Indien er waarlijk zoiets voorviel, zou ik mij onder de banier van de Landvoogd, en niet in mijn woning bevinden, en zo ik sterf, zal het met het zwaard in de vuist zijn. Maar ik geloof niet dat het zo ver komen zal, want de oproeren zullen welhaast gedempt worden. Gij, Deken, verlaat het Land spoedig, dit raad ik u als vriend."
"Neen Mijnheer, ik verlaat mijn Land niet: het gebeente mijner vaderen rust in die grond. Ik bid u, overweeg dat alle dingen mogelijk zijn en dat het Franse bloed door ons kan vergoten worden; maar dan moogt gij u mijn woorden herinneren.—Dit is alles wat ik UEdele te zeggen had. Ik wens u vaarwel, God neme u onder zijn hoede!"
De Mortenay overdacht de woorden van de Deken met meer nauwkeurigheid, en bevond ter zijner grote droefheid dat een schriklijk geheim onder dezelve schuilde; hij besloot derhalve des anderdaags De Chatillon tot waakzaamheid aan te sporen, en zelf enige maatregelen voor de veiligheid der stad te bevelen. Niet denkende dat hetgeen hij vreesde zo haast moest gebeuren, legde hij zich te bed en sliep gerust.