Met zweet en stof was hy bedekt.—Hy nadert
De wapenzael waer ze allen zyn vergaderd
Knielt voor den Vorst ter neêr en maekt hem kond
Wat krygsgevaer hun toesnelt in dien stond.
De Vorst ryst op, hy slaet zyn blik in 't rond
En roept terwyl de woed' hem nog doet siddren,
Te wapen voor het Land! voor God te wapen, Riddren!
Na de schrikkelijke nacht, in dewelke het bloed der Fransen zo overvloedig werd vergoten, kwamen De Chatillon, Jan van Gistel en de weinige anderen, die de dood ontvlucht waren, binnen de muren van Kortrijk. In deze stad was nog een talrijke bezetting, welke op het sterke kasteel in veiligheid kon verblijven: het was die plaats waarop de Fransen het meest betrouwden om haar onverwinnelijke vestingwerken. De Chatillon was wanhopig over zijn nederlaag, een stomme razernij deed zijn boezem in wraaklust blaken. Hij trok nog enige vaandels soldeniers uit andere steden om Kortrijk tegen alle aanval te versterken, en gaf er het opperbevel van aan de Kastelein van Lens, een bastaardvlaming. In allerhaast bezocht hij insgelijks de overige grenssteden, en voorzag dezelve met de nog overblijvende benden uit Picardië; hij gaf het bevel van Rijsel aan de Kanselier Pierre Flotte[101], vertrok naar Frankrijk, en kwam te Parijs bij het Hof van de Koning, die de nederlaag zijner krijgsknechten reeds had vernomen. Philippe le Bel ontving de Landvoogd van Vlaanderen met toorn, en verweet hem dat zijn dwingende beheersing de oorzaak van al deze onheilen was. Wellicht zou De Chatillon voor altijd in ongunst vervallen zijn; maar de Koningin Johanna, die de Vlamingen niet lijden kon, en zich in derzelver verdrukking had verheugd, wist haar oom De Chatillon zo wel te verschonen dat Philippe zich eindelijk meer tot dankzegging dan tot verwijt verplicht achtte. Dit zo beleid zijnde, keerde de Franse Vorst zijn mismoed tegen de Vlamingen, en zwoer dat hij zich over hen ten volle wreken wilde.
Reeds was er een leger van twintigduizend man bij Parijs vergaderd, om het Koninkrijk Majorca uit de handen der ongelovigen te gaan verlossen: dit waren de benden waarvan de bijeenroeping door Robrecht van Bethune aan de Vlaamse Heren was kenbaar gemaakt. Met dit leger zou men tegen Vlaanderen ten krijg hebben kunnen trekken, maar Philippe wilde geen nederlaag wagen; hij besloot de wraak nog enige tijd uit te stellen, om meer mannen te velde te kunnen brengen. Meteen werd er, door buitengewone boden, een roep door heel Frankrijk gezonden; het werd de Baanderheren des Rijks kond gedaan dat de Vlamingen zevenduizend Fransen vermoord hadden, en dat de Vorst zijn Leenmannen zo spoedig mogelijk met hun Laten te Parijs riep, om die hoon te gaan wreken. In die tijden waren de wapendaden en de oorlog de enigste bezigheden der Edellieden, zij verheugden zich zodra er ergens te strijden was; het is dus niet te verwonderen dat zij op die roep antwoordden. Uit alle gedeelten van het wijde Frankrijk kwamen de Leenheren met hun gewapende Laten toegelopen, en in weinig dagen bevond het Franse leger zich boven de vijftigduizend man sterk.
Benevens de Leeuw van Vlaanderen en Charles de Valois, was Robert d'Artois een der moedigste krijgsoversten van Europa; boven deze twee eerste ridders bezat hij nog die ondervinding en ervarenheid, welke hij uit zijn talrijke tochten geput had; nooit was het harnas acht volle dagen van zijn lichaam geweest, en zijn haren waren onder de helm vergrijsd. De onverbiddelijke haat, welke hij tegen de Vlamingen droeg, omdat zijn enige zoon door hen te Veurne verslagen was, dreef de Koningin Johanna aan om hem tot Seneschalk-bevelhebber des legers te doen benoemen; dit was haar niet moeilijk, want niemand kwam dit eervol ambt meer toe dan Robert d'Artois[102].
Gebrek aan geld en de dagelijkse aankomst der Leenheren uit verre heerlijkheden hielden deze macht nog enige tijd in Frankrijk. De al te grote drift, welke de Fransen gewoonlijk in hun tochten gebruikten, was hun menigmaal verderfelijk geweest; zij hadden ten hunnen koste geleerd dat de voorzichtigheid ook een macht is; derhalve wilden zij zich ditmaal van alles voorzien en met meer beleid te werk gaan.—De boze Koningin van Navarra ontbood Robert d'Artois bij haar en dreef hem aan om alle wreedheden in Vlaanderen te plegen. Onder andere gebood zij hem: dat men de borsten van al de Vlaamse zeugen afsnijden en al haar biggen met het zwaard doorspeten zou, en dat men de honden van Vlaanderen zou doodslaan; de honden van Vlaanderen waren de dappere mannen, die met het staal in de vuist voor het Vaderland strijden zouden. Deze schandelijke woorden door een Koningin, door een vrouw gesproken, zijn, ten bewijze harer wreedheid in de Kronieken bewaard[103].
Gedurende dit uitstel versterkten zich de Vlamingen grotelijks. Mijnheer Van Borluut had de Gentenaren tegen de bezetting hunner stad doen opstaan en dreef de Fransen uit Gent, zevenhonderd derzelve bleven in dit oproer dood. Oudenaarde en meer andere gemeenten maakten zich insgelijks vrij, in dier voege dat er geen vijanden meer overbleven dan in de sterke steden, waar de gevluchte Fransen te saam gelopen waren[104]. Willem van Gulik, de Priester, kwam met een goede bende boogschutters uit Duitsland in Brugge; zodra Mijnheer Jan van Renesse zich met vierhonderd Zeelanders bij hem vervoegd had, vertrokken zij beiden, met hun volk en een goed getal vrijwilligers, naar Kassel, om de Franse bezetting te bespringen en te verjagen. Die stad was ongemeen sterk gemaakt, en kon niet gemakkelijk gewonnen worden; Willem van Gulik had op de medewerking der Burgers gerekend, maar deze werden zo wel door de Fransen bewaakt dat zij zich niet dorsten roeren. Dit verplichtte Mijnheer Willem een regelmatige belegering aan te vangen, het duurde vrij lang eer hij zich de nodige werktuigen had bezorgd.
De jonge Gwyde was in de voornaamste steden van West-Vlaanderen met blijde toejuichingen ontvangen geweest; zijn tegenwoordigheid had er velen moed gegeven, en tot de verdediging des Vaderlands aangepord: op dezelfde wijs had Adolf van Nieuwland de mindere vlekken bezocht om het volk te wapen te roepen.
In Kortrijk lagen bij de drieduizend Fransen onder het bevel van de Kastelein van Lens. In stede van zich door goede behandelingen bij de burgerij lijdelijk te maken, begingen deze bijeengeraapte krijgsknechten alle soorten van gewelddadigheden,—maar dit verveelde de Kortrijkers spoedig. Door het voorbeeld der andere steden aangemoedigd stonden zij tegelijk tegen de Fransen op, en versloegen er meer dan de helft; de overigen vloden in aller ijl op het kasteel, en versterkten zich tegen de aanval des volks. Om zich te wreken, schoten zij met vlammende pijlen op de stad en staken de schoonste gebouwen in brand. Al de huizen rondom de Markt en het Begijnhof werden door het vuur tot de grond vernield[105]. De Kortrijkers belegerden het kasteel met veel moed en onversaagdheid, echter was het hun niet mogelijk de Fransen zonder andere hulp te verjagen; met het droevig vooruitzicht van hun stad weldra gans te zien afbranden, zonden zij een bode naar Brugge, om Mijnheer Gwyde dringend om bijstand te smeken.
De bode kwam op de 5 juli 1302 bij Gwyde, en gaf hem de beklagelijke toestand der goede stad Kortrijk te kennen, hem in de naam der Burgers alle hulp en onderdanigheid belovende. De jonge Graaf werd bij dit verhaal diep getroffen, en besloot zich zonder beiden naar de ongelukkige stad te begeven. Mits Willem van Gulik al de krijgsknechten naar Kassel gevoerd had, wist Gwyde geen ander middel dan de ambachten van Brugge op te roepen. Hij deed onmiddellijk al de Dekens in de opperzaal van het Prinsenhof ontbieden, en ging zelf met de ridders, die zich reeds bij hem vervoegd hadden, derwaarts; een uur hierna waren de geroepen Dekens ten getal van dertig in het aangewezen vertrek vergaderd, zij stonden met ontdekt hoofd aan het einde der zaal en wachtten stilzwijgend op hetgeen men hun ging zeggen. Deconinck en Breydel, als zijnde de hoofden der twee voornaamste ambachten, bevonden zich vooraan. Mijnheer Gwyde zat in een rijke leunstoel tegen de wand van het oppergedeelte der zaal; rondom hem stonden de heren Jan van Lichtervelde en de heer van Heyne, beiden Beers van Vlaanderen[106], de heer van Gavere, wiens vader door de Fransen voor Veurne was vermoord, de heer van Bornem, Tempelridder, de heer Robrecht van Leeuwergem, Boudewyn van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Hendrik heer van Lonein, Luxemburger, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, Brabanders, Pieter en Lodewyk van Lichtervelde, Pieter en Lodewyk Goethals van Gent, en Hendrik van Petershem. Adolf van Nieuwland bevond zich aan de rechterzijde van de jonge Graaf en sprak gemeenzaam met hem.
In het midden van de afstand, die tussen de Dekens en de ridders was, stond de bode van Kortrijk.—Zodra iedereen op zijn behoorlijke plaats was, beval Gwyde de bode dat hij zijn boodschap voor de Dekens zou herhalen. Hij gehoorzaamde aan dit gebod en zegde: "Mijne heren, de goede lieden van Kortrijk doen u door mij kennen dat zij de Fransen uit hun stad verjaagd hebben, en dat er vijfhonderd derzelve zijn doodgeslagen; maar nu bevindt de stad zich in de grootste nood. De verrader Van Lens heeft zich op het kasteel begeven, hij schiet dagelijks met vlammende pijlen op de huizen, en reeds is het rijkste gedeelte der stad in as gelegd. Mijnheer Arnold van Oudenaarde is de Kortrijkers bijstand komen geven, doch hun vijanden zijn te talrijk. In die akelige toestand bidden zij de heer Gwyde, in het bijzonder, en hun vrienden van Brugge in het algemeen, om hulp, hopende dat zij geen dag langer zullen wachten om hun benauwde broeders te gaan verlossen. Dit is hetgeen de goede lieden van Kortrijk u doen zeggen."
"Gij hebt het gehoord, Dekens," sprak Gwyde, "een onzer beste steden is in gevaar van gans vernield te worden: ik geloof niet dat de roep uwer broederen van Kortrijk vruchteloos zijn zal, het is ook die twijfel niet, die mij dus doet spreken, maar de zaak eist spoed; uw medewerking alleen kan hen uit die benauwdheid redden, derhalve verzoek ik u in allernaast uw ambachten te wapen te roepen. Hoeveel tijds hebt gij nodig om uw benden voor de tocht te bereiden?"
De Deken der wevers antwoordde: "Deze namiddag, doorluchtige heer, zullen vierduizend gewapende wolwerkers op de Vrijdagmarkt staan, waar gij het beveelt, zal ik ze voeren."
"En gij, meester Breydel, zult gij er u ook bevinden?"
Breydel kwam met trotse moed vooruit, en antwoordde: "Edele Graaf, uw dienaar Breydel zal u niet min dan achtduizend gezellen leveren."
De grootste verwondering deed zich onder de ridders op.
"Achtduizend!" riepen zij tegelijk.
"Ja, ja, Mijne heren," hernam de Deken der beenhouwers, "achtduizend of meer. Al de ambachten van Brugge behalve de wevers hebben mij tot hun Aanleider verkozen, en God weet hoe ik die hulde zal erkennen! Deze middag reeds, indien UEdele het beveelt, zal de Vrijdagmarkt met uw trouwe Bruggelingen overdekt zijn:—en ik mag zeggen dat UEdele aan mijn beenhouwers duizend leeuwen in zijn leger heeft; want er zijn geen mannen meer gelijk de Macecliers.—Hoe eer, hoe liever, edele heer, onze bijlen beginnen te roesten."
"Meester Breydel," sprak Gwyde, "gij zijt een dappere en waarde onderdaan mijns vaders. Het land, waar zulke mannen geboren worden, kan niet lang in slavernij blijven; ik dank u om uw goedwilligheid."
Een vriendelijke glimlach der omstaande ridders betoonde hoe aangenaam hun de woorden van Breydel geweest waren. De Deken keerde terug tussen zijn makkers en suisde in het oor van Deconinck: "Ik bid u, Meester, belg u niet omdat ik dit aan Mijnheer Gwyde gezegd heb. Gij zijt en blijft mijn overste, want zonder uw raad zou ik niet veel goeds uitrichten. Mijn rede heeft u immers niet verstoord?"
De Deken der wevers drukte de hand van Breydel, ten teken van vriendschap en toestemming.
"Meester Deconinck," vroeg Gwyde, "hebt gij mijn verzoek aan de ambachten kenbaar gemaakt? Zullen mij de nodige gelden bezorgd worden?"
"De ambachten van Brugge," was het antwoord, "stellen al hun middelen ter uwer beschikking, edele heer. Het gelieve u enige dienaren met een geschreven bevel naar het Pand te zenden, er zullen hem zo veel marken zilvers als het UEdele zal believen, worden afgeleverd. Zij bidden u dat gij hen niet spaart, de vrijheid kan hun niet te duur staan."
Op het ogenblik dat Gwyde de dienstwilligheid der Bruggelingen door dankbare woorden wilde erkennen, ging de deur der zaal open, en al de ogen stuurden zich met verbaasdheid op een monnik, die stoutelijk, zonder geroepen te zijn, in de zaal kwam en tot bij de Dekens naderde. Een kolder van zwaar bruin laken was hem met een koord om het middel gebonden; een zwarte kap hing over zijn hoofd en verborg zijn gelaatstrekken in zulker voege, dat men hem niet herkennen kon. Hij scheen zeer oud, want zijn rug was gebogen en een lange baard hing op zijn borst. Met een vluchtig oog bezag hij beurtelings al de ridders en drong met stoute blik tot in de grond hunner harten, dit was tenminste hetgeen hij zichtbaar poogde te doen. Adolf van Nieuwland herkende in hem dezelfde monnik, welke hem de brief van Robrecht van Bethune had gebracht, en meende hem met luider stem te groeten, maar de bewegingen van de monnik werden zo zonderling dat de woorden op de lippen van de jonge ridder vergingen. Al de bijzijnde personen werden door toorn vervoerd: het stoute onderzoek, dat de onbekende op hen gericht had, was een hoon, die zij niet gewilliglijk verdroegen; echter gaven zij die gramschap niet te kennen, ziende dat het raadsel zich ging oplossen.
De monnik, zijn navorsing geëindigd hebbende, ontknoopte de koord van zijn lenden, wierp zijn kolder en zijn baard op de grond en bleef te midden der zaal staan. Hij hief het hoofd op, en vertoonde zich als een man van bij de dertig jaar met een zwierige en trotse gestalte, de ridders beziende alsof hij vragen wilde:—Welnu, herkent gij mij?
Maar de omstaanders antwoordden niet ras genoeg naar zijn begeerte; dan riep hij: "Mijne heren, het schijnt UEdele vreemd een vos onder die kolder te vinden, het is evenwel twee jaar lang dat ik er onder woon."
"Welkom! Welkom, onze duurbare vriend Diederik!" riepen de Edelen tegelijk. "Wij dachten dat gij lang dood waart."
"Dan moogt gij God danken dat ik verrezen ben," hernam Diederik de Vos. "Maar neen, ik was niet dood: onze gevangen broeders en Mijnheer Van Nieuwland kunnen dit getuigen. Ik heb ze allen getroost, want als een reizende Priester mocht ik bij de gevangenen gaan; de Heer vergeve mij het Latijn dat ik gesproken heb! Ja, ja, Mijne heren, lacht niet, ik heb Latijn gesproken. Ik breng tijdingen van al onze ongelukkige landgenoten voor hun bloedverwanten of vrienden."
Enigen der ridders wilden hem over het lot der gevangenen ondervragen, maar hij weerde dit af en ging voort: "Om Gods wil, vraagt mij nu niets over dit punt, ik heb u gewichtiger zaken te verhalen. Luistert en beeft niet, want al schertsend breng ik u een droevig nieuws. Gij hebt het juk afgeschud en nu zijt gij vrijgevochten, ik betreur dat ik dit feest niet heb mogen bijwonen. Eer zij u, edele ridders en goede Burgers, dat gij het Vaderland verlost hebt: ook verzeker ik u dat, indien de Vlamingen binnen vijftien dagen geen nieuwe boeien hebben, al de duivelen der hel niet bekwaam zullen zijn om hun de vrijheid nog te ontroven;—maar daaraan twijfel ik sterk."
"Verklaar u dan, Mijnheer Diederik," riep Gwyde, "verklaar uw voorgevoel en maak ons niet bevreesd door onverstaanbare woorden."
"Welaan, ik zeg u dat er voor de stad Rijsel tweeënzestigduizend Fransen gelegerd zijn.[107]"
"Tweeënzestigduizend!" herhaalden de ridders, elkander met benauwheid beziende.
"Tweeënzestigduizend!" herhaalde Breydel, terwijl hij zijn handen met blijdschap in elkander wreef. "O God, wat schone kudde!"
Deconinck liet het hoofd voorover hellen, en zonk in diepe bedenking; dit was altijd het eerste dat de vernuftige Deken der wevers in de uiterste omstandigheden deed. Dan berekende hij spoediglijk het gevaar en de middelen om het af te weren.
"Ik verzeker u, Mijne heren," hernam Diederik de Vos, "dat er meer dan tweeëndertigduizend ruiters en wel zo veel voetknechten zijn. Zij roven en verkrachten alsof zij daardoor de hemel verdienen moesten."
"Zijt gij wel zeker van die kwade tijding?" vroeg Gwyde met angst. "Heeft degene, die u dit gezegd heeft, u niet bedrogen, Mijnheer Diederik?"
"Neen, neen, edele Gwyde, ik heb het met mijn ogen gezien en heb gisteravond in de tent van de Seneschalk Robert d'Artois gegeten. Hij heeft op zijn eer voor mij gezworen dat de laatste Vlaming door zijn hand zal sterven. Ziet nu wat gij doen kunt, wat mij betreft: ik ga ten spoedigste een harnas aandoen; en al ware het dat ik alleen tegen die tweeënzestigduizend vervloekte Fransen moest vechten, zou ik geen voet achteruit gaan; ik wil de slavernij van Vlaanderen niet meer zien."
Jan Breydel kon zich geen ogenblik stilhouden; hij verplaatste gedurig zijn voeten en bewoog de armen met onrust. Indien hij had mogen spreken! Maar de eerbied voor de bijzijnde heren weerhield hem. Gwyde en de andere Edelen bezagen elkander met radeloze droefheid: tweeëndertigduizend welgeoefende ruiters! Dit scheen hun te veel om weerstand te kunnen bieden. In het Vlaamse leger waren slechts de vijfhonderd Naamse ruiters die Gwyde met zich gebracht had: wat vermocht dit klein getal tegen de schrikkelijke hoop der vijanden?
"Wat zullen wij doen?" vroeg Gwyde. "Hoe zullen wij het Vaderland toch redden?"
Enigen waren van gevoel zich in de stad Brugge op te sluiten, totdat het Franse leger uit gebrek aan levensmiddelen zou vertrekken; anderen weder wilden recht tegen de vijand optrekken en hem des nachts overvallen. Nog meer middelen werden er voorgesteld doch de meeste werden als schadelijk verworpen, en de andere waren onuitvoerbaar.
Deconinck stond nog met gebogen hoofd te denken; hij luisterde wel op hetgeen er gezegd werd, maar dit belette hem niet in zijn overwegingen voort te gaan.
Eindelijk vroeg Gwyde hem welke middelen hij in zulke droeve toestand kon aanwijzen.
"Edele heer," antwoordde Deconinck, het hoofd oprichtende, "indien ik bevelhebber was, zou ik mij op de volgende wijze gedragen: in aller haast zou ik met de ambachten van Brugge naar Kortrijk vertrekken om de Kastelein van Lens te verjagen, dan zouden de Fransen die stad niet als de steunplaats hunner werkingen in ons land kunnen gebruiken; daardoor zouden wij een veilige bergplaats voor de vrouwen en kinderen en voor onszelf hebben, want Kortrijk met het kasteel is sterk, terwijl Brugge, gelijk het nu is, geen enkele stormloping kan uitstaan. Ik zou reeds op het tegenwoordig uur dertig boden te paard in al de steden van Vlaanderen zenden met de tijding der komst van de vijand, en al de Klauwaards naar Kortrijk roepen; insgelijks zou ik Mijnheer Van Gulik en Mijnheer Van Renesse derwaarts doen komen. In dier voege, edele Graaf, ben ik zeker dat er binnen vier dagen dertigduizend strijdbare Vlamingen in het leger zijn zullen, en dan moeten wij de Fransen zozeer niet vrezen."
De ridders luisterden met een plechtig stilzwijgen, zij bewonderden de buitengewone man, die in zo korte ogenblikken een algemeen krijgsontwerp gevormd had en zulke heilzame maatregelen voor hen ontvouwde. Alhoewel zij de bekwaamheid van de Deken kenden, konden zij met moeite zich overtuigen dat een wever, een man uit het gemene volk, met zoveel vernuft kon begaafd zijn.
"Gij hebt meer verstand dan wij allen," riep Diederik de Vos, "ja ja, dit zij zo gedaan, wij zijn sterker dan wij dachten. Nu verdraait het blad; ik geloof dat de Fransen zich hun komst zullen berouwen."
"Ik dank God dat hij u deze gedachte heeft ingeboezemd, meester Deconinck," hernam de jonge Graaf. "Uw goede diensten zullen niet onbeloond blijven. Ik wil mij volgens uw raad gedragen, want hij spruit uit de diepste wijsheid. Meester Breydel, ik hoop dat gij de mannen, die gij ons beloofd hebt, zult aanbrengen."
"Achtduizend heb ik gezegd, edele Graaf," viel Breydel uit. "Welaan! Nu zeg ik tienduizend. Ik wil niet dat er een enkel gezel in Brugge blijve, jong en oud het moet er al tegenwoordig zijn. Ik zal wel zorgen dat de Fransen ons niet ineens over het lichaam zullen lopen,—en deze Dekens, mijn vrienden, zullen dit ook doen, ik weet het."
"Voorwaar, edele heer," riepen de Dekens tegelijk, "er zal niemand ontbreken, want iedereen verlangt de strijd."
"De tijd is te kostelijk om ons nog langer op te houden," sprak Gwyde. "Gaat nu spoedig uw ambachten vergaderen; binnen twee uur zal ik tot de tocht veerdig zijn, en aan het hoofd van uw scharen op de Vrijdagmarkt mij bevinden. Gaat, ik ben voldaan over uw toegenegenheid en moed."
Allen verlieten de zaal. Gwyde zond op staande voet een groot getal boden in alle richtingen, met bevelen voor de Edelheren die nog getrouw aan het Vaderland gebleven waren; insgelijks deed hij aan Willem van Gulik boodschappen dat hij met Mijnheer Jan van Renesse te Kortrijk komen moest[108].
De schriklijke tijding verspreidde zich op weinig tijds door de stad. Naarmate het nieuws van de ene tot de andere overging, vergrootte het getal der vijanden verwonderlijker wijze, weldra waren de Fransen, volgens het rondlopend gezegde, tot boven de honderdduizend man sterk. Het is te denken hoe bang en hoe bedroefd de vrouwen en kinderen op die aankomende dood werden; in alle straten zag men wenende moeders, die haar benauwde dochters met liefde en medelijden omarmden. Het was zichtbaar in haar stijve ogen, dat zij voor haar nog een schrikkelijker kwaad dan de dood vreesden: de kinderen huilden, omdat zij hun moeder zagen wenen, en beefden, zonder het gevaar, dat hen bedreigde, gans te verstaan. De smartvolle klachten, en de uitdrukking van de stervensnood, welke op het gelaat dier zwakke schepsels te lezen stond, streden verwonderlijk met de trotse en onrustige houding der mannen.
Van alle kanten kwamen de ambachtslieden met hun wapens aangelopen; het geratel der ijzeren platen, die sommigen aan het lichaam hingen, klonk krijsend in het oor, en mengde zich, als in een spotgezang, met het akelig wee! wee! der benauwde vrouwen en kinderen. Wanneer enige mannen elkander in de straat ontmoetten, bleven zij een ogenblik staan, om zich enige woorden toe te sturen en dan vloekten zij dat zij wilden sterven of zegepralen. Hier en daar voor de deur ener woning zag men een huisvader zijn vrouw en zijn kinderen beurtelings omhelzen; maar dan vaagde hij welhaast de droeve traan uit zijn ogen, en verdween, als een schicht, met zijn wapens in de richting der Vrijdagmarkt. De moeder bleef lang nog op de dorpel harer woning staan, en bezag nog lange tijd de hoek, achter dewelke de vader harer kinderen was verdwenen. Dit vaarwel scheen haar een eeuwig afscheid, tranen barstten overvloedig onder haar wimpers uit; dan hief zij haar snikkende kinderen van de grond, en liep vol wanhoop naar binnen.
De ambachten stonden sedert korte tijd in lange rijen op de Vrijdagmarkt geschaard; Breydel had zijn belofte volbracht, hij telde twaalfduizend gezellen van allerlei ambachten onder zich. De bijlen der beenhouwers blonken als spiegels in het zonnelicht, en maakten de aanschouwer blind, want men blikte niet ongestraft in die brede vuurgloed. Boven de schaar der wevers staken tweeduizend Goedendags met hun ijzeren punten in de hoogte; onder hen was ook een bende met kruisbogen. Gwyde stond op het midden der plaats, met een twintigtal edele ridders rondom zich; hij wachtte totdat de overige gezellen, die men om de in de stad zijnde karren en paarden gezonden had, terugkwamen. Een wever door Deconinck naar de klokkentoren gezonden, kwam op dit ogenblik met het grote vaandel van Brugge op de Markt: zohaast de ambachtslieden de blauwe Leeuw ontwaarden, klom een schriklijk geschreeuw, een vervoerend gejuich boven hun scharen: zij herhaalden zonder ophouden dezelfde roep, die in de bloedige nacht het teken der wraak geweest was.
"Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is!"
En dan bewogen en wrongen zij hun wapens alsof de vijand reeds voor hen geweest ware.
De legertros op de wagens geladen zijnde, hieven de bazuinen hun schaterende klanken aan, en de Bruggelingen verlieten, met vliegend vaandel hun stad langs de Gentpoort. Wanneer de vrouwen zich aldus zonder één beschermer zagen, werden zij met nog meer benauwdheid bevangen; nu scheen het haar dat zij niets meer dan de dood te verwachten hadden. In de namiddag verliet Machteld de stad met al haar dienaren en vrouwen: dit vertrek gaf aan vele anderen de gedachte dat zij in Kortrijk veiliger zouden kunnen wonen. Meteen werd alles door haar ingepakt, en de deuren gesloten hebbende, gingen zij met haar kinderen ter Gentpoort uit.—Ontellijke huisgezinnen liepen in dier voege met verscheurde voeten op de weg naar Kortrijk, en zaaiden hun bittere tranen tussen het gras dat bij de boord der baan groeide.
In Brugge werd het zo stil als in een graf.
Groot is de held die aen het hoofd van dappren,
Ten steun en schuts der vryheid snelt;
De vaderlandsche vlag ontrolt en weêr doet wappren
Zoo lang door dwinglandy gehoond en neêrgeveld.
Het was duister nacht wanneer Gwyde met omtrent zestienduizend Bruggelingen te Kortrijk aankwam. De inwoners, door vooruitgezonden ruiters bericht zijnde, stonden in menigte boven de wallen der stad, en ontvingen hun Landheer, bij het toortslicht, met blijde juichingskreten. Zodra het leger zich binnen de muren geschaard had, brachten de Kortrijkers alle slag van eetwaren, ganse vaten wijn schonken zij hun vermoeide broeders voor, en bleven de gehele nacht bij hen op de vest; het zou onmogelijk geweest zijn de omhelzingen, die zij in hun vervoerdheid elkander gaven, te tellen. Gedurende die uitstorting van broederlijke liefde, waren er veel anderen, die de afgematte kinderen en vrouwen op de weg tegemoet gingen, om hen van het huisraad te ontlasten. Genoeg dier zwakke schepsels, welkers voeten door het gaan bezeerd waren, werden op de brede schouders der behulpzame Burgers van Kortrijk stedewaarts gedragen: allen werden geherbergd, en zorgvuldig gevoed en getroost. De dankbaarheid der Kortrijkers en hun vurige vriendschap vergrootte de moed der Bruggelingen zeer, want altijd wordt der mensen ziel bij edele gevoelens verheven.
Machteld en Maria, de zuster van Adolf van Nieuwland, met nog een groot getal Edelvrouwen uit Brugge waren reeds enige uren te Kortrijk eer het leger aankwam; zij hadden zich bij hun kennissen gehuisvest, en hadden insgelijks de herbergen voor de ridders, hun bloedverwanten of vrienden voorbereid; in zulker voege dat de edellieden, die met Gwyde waren, het avondmaal bij hun aankomst mochten nutten.
Des anderdaags, in de vroege morgen, ging Gwyde met enige voorname inwoners de vestingwerken van het kasteel bezichtigen; tot zijn grote droefheid bevond hij dat men hetzelve niet zonder de zwaarste stormtuigen kon verwinnen. De muren waren al te hoog, en uit de torens, welke boven dezelve uitstaken, kon men te veel pijlen op de belegeraars werpen. Hij begreep dat de minste roekeloze poging hem duizend mannen kosten zou; zich dan met wijsheid beraamd hebbende, besloot hij de stormloping niet vermetel te beginnen. Hij gebood dadelijk dat men stormrammen en valtorens moest bouwen, en dat men de in de stad zijnde oorlogstuigen zou aanbrengen; deze laatste bestonden in enige springalen en een klein getal blijden[109]. Het was denkelijk dat men het kasteel niet voor de vijf dagen later zou kunnen bespringen: dit uitstel was de Kortrijkers nu zo schadelijk niet meer, want sedert de aankomst des Vlaamsen legers had de Franse bezetting opgehouden met vuurpijlen op de stad te werpen; men zag de wachten voor de stormgaten der torens met hun kruisbogen wel gereed staan, maar zij schoten echter niet. De Vlamingen wisten de oorzaak hiervan niet, zij dachten dat enige list eronder verborgen lag, en hielden van hun kant een nauwkeurige wacht. Alle aanval was door Gwyde verboden; hij wilde niets wagen vooraleer, zijn stormtuigen klaar zijnde, hij de zege zeker mocht zijn.
De Kastelein van Lens was in de uiterste nood, zijn schutters hadden slechts een klein getal pijlen meer over; dus gebood hem de voorzichtigheid dezelve tot een aanval te bewaren. Ook was de lijftocht zodanig verminderd dat hij de bezetting niet meer dan de helft van de gewone nooddruft kon geven. Hij hoopte dat de waakzaamheid der Vlamingen enigszins zou verminderen, en dat hij de gelegenheid zou kunnen vinden om een bode naar Rijsel in het Franse leger te zenden.
Arnold van Oudenaarde, die enige dagen vroeger met driehonderd man tot bijstand der Kortrijkers was gekomen, had zich onder de stadswallen op de Groeningekouter, omtrent de Abdij, met zijn volk neergeslagen. De ligging was hoogst voordelig voor een algemene legerplaats en werd in de krijgsraad, welke door Gwyde was bijeengeroepen, tot die bestemming verkozen. Reeds des anderdaags, terwijl het ambacht der timmerlieden aan de stormtuigen werkte, werden de andere Vlamingen buiten de stad geleid om de begrachting der legerplaats te graven[110]. De wevers en beenhouwers kregen elk een houweel of een spade, en begaven zich met drift aan het werk; de verschansing werd als door toverij verheven,—het ganse leger wedijverde aan de arbeid, het was als een strijd. De spaden en houwelen klommen en daalden zo snel dat men ze met het gezicht niet volgen kon, en de aarde vloog in dikke vlokken boven de verschansing, als de ontellijke stenen welke een belegerde stad op de vijand werpt.
Naarmate er een deel der aardewerken voltooid was, kwamen andere mannen er de tenten tegenplaatsen. Van tijd tot tijd lieten de arbeiders hun werktuigen in de grond steken en klommen met haastigheid boven de verschansing; dan liep er een algemene welkomstgroet boven het leger en de schreeuw, Vlaanderen de Leeuw! Vlaanderen de Leeuw! deed zich nog in de verte als een antwoord horen.—Dit geschiedde iedermaal dat er bijstand uit andere steden aankwam.
Het Vlaamse volk had zijn Edelen enigszins ten onrechte van trouwloosheid en lafheid beschuldigd; weliswaar een groot getal derzelve had zich openlijk voor Frankrijk verklaard, maar het getal der trouwgeblevenen was groter dan dit der bastaarden. Tweeënvijftig der bijzonderste Vlaamse ridders zaten in Frankrijk gevangen, zeker was het de liefde tot het Vaderland en tot hun Vorst, welke hen daartoe gebracht had; de andere trouwe Edelen, die in Vlaanderen woonden, vonden het niet eerlijk met een oproerig volk samen te spannen, voor hen was de renbaan of het slagveld de enige plaats waar hun wapendaden mochten geschieden. De zeden van die tijd hadden hun die gevoelens gegeven, want er was alsdan zoveel afstand tussen een ridder en een burger als er nu tussen de meester en zijn dienstknecht is. Zolang de strijd binnen de muren der steden en onder het bevel der volksaanleiders geschiedde, bleven zij in hun kastelen over de verdrukking des Vaderlands zuchten, maar nu Gwyde als wettige Veldoverste over zijn onderdanen gebood, kwamen zij uit alle heerlijkheden met hun Laten toegelopen[111].
De eersten dag des morgens kwamen de heren Boudewyn van Papenrode, Hendrik van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Salomon van Zevekote en Mijnheer Van Maldegem met zijn twee zonen, te Kortrijk. Op de middag vloog het stof der baan in de richting van Moorsele als een wolk boven het omstaande geboomte. Terwijl de Bruggelingen van hun verschansingen hevig juichten, gingen er vijftienhonderd mannen van Veurne in de stad, aan hun hoofd en als bevelhebber hebbende de befaamde krijger Eustachius Sporkyn[112]. Een menigte ridders, die zij onderweg ontmoet hadden, vergezelden hen; onder dezen waren Mijnheer Jan van Ayshoven, Willem van Daknam en zijn broeder Pieter, Mijnheer Van Landegem, Hugo van der Moere, Simon van Kaster de voornaamsten. Jan Willebaert van Torhout had zich ook met enige mannen onder het bevel van Sporkyn geplaatst. Alle ogenblikken kwamen eenzame ridders bij het leger, zelfs waren er uit andere landen of graafschappen, die zich alsdan in Vlaanderen bevonden, en niet aarzelden tot de vrijmaking der Vlamingen mee te werken.—Zo waren Hendrik van Loncin uit Luxemburg, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, twee edele Brabanders, reeds bij Gwyde, wanneer de mannen van Veurne in de stad kwamen. Al deze krijgslieden werden onmiddellijk, nadat zij in Kortrijk wat ververst waren, onder het bevel van Mijnheer Van Renesse in het leger geplaatst.
De tweede dag kwamen de Ieperlingen toegelopen. Alhoewel zij hun eigen stad bewaken moesten, wilden zij echter niet lijden dat men Vlaanderen zonder hun toedoen zou verlossen. Hun benden waren de schoonste en de rijkste die men zien mocht; er waren vijfhonderd knotsdragers, gans in scharlaken gekleed, met fraaie vedertjes op hun blinkende huiven; ook hadden zij kleine borstplaten en knieschijven, welke tegen de schijn der zon hevig glinsterden. Zevenhonderd andere mannen droegen overgrote kruisbogen met stalen veren, hun kleding was groen met gele boordsels[113]. Met hen waren de volgende heren: Jacob van leper, Wapendrager van de Graaf Jan van Namen, Mijnheer Diederik van Vlamertinge, Josef van Hollebeke, Boudewyn van Passendale; de Aanleiders waren Philip Baelde en Pieter Belle, Dekens der twee voornaamste ambachten van leper.
In de namiddag kwam het overige volk van het Oost- en Westvrije uit de omliggende dorpen van Brugge, ten getale van tweehonderd wel uitgeruste krijgslieden.
De derde dag voor de noen kwam Mijnheer Willem van Gulik, de Priester, met Jan van Renesse terug van Kassel. Vijfhonderd ruiters, vierhonderd Zeelanders en nog een bende Bruggelingen traden met hen in het leger[114].
De beroepen ridders en steden waren meest al aangekomen; alle soorten van wapenknechten bevonden zich onder het bevel van Gwyde. De blijdschap, die de Vlamingen gedurende deze dagen vervoerde, is onuitsprekelijk, nu zagen zij dat hun landgenoten zozeer niet verbasterd waren, en dat het Vaderland, op de ganse uitgestrektheid van de Vlaamse bodem, nog moedige mannen teelde: reeds waren er bij de eenentwintigduizend strijdbare krijgers onder de Standaard van de zwarte Leeuw gelegerd, en nog kwamen er onophoudelijk andere kleinere benden bij.
Alhoewel de Fransen een heir van tweeënzestigduizend man hadden, waarvan de helft te paard was, kon de minste vrees nu geen plaats meer in het hart der Vlamingen vinden. In hun opgetogenheid verlieten zij dikwijls hun werk om elkander te omhelzen, en dan spraken zij met zegepralende woorden alsof niets hun de overwinning kon ontroven.
Tegen de avond op het ogenblik dat zij met hun spaden naar de hutten gingen, rees de schreeuw "Vlaanderen de Leeuw!" opnieuw boven de muren van Kortrijk, iedereen liep terug naar de verschansing om te zien wat er te doen was. Zodra zij hun ogen buiten de legerplaats gewend hadden, antwoordden zij met luider en blijder kreten op de roep der Kortrijkers.—Zeshonderd ruiters gans met ijzer bekleed renden, tussen bruisend gejuich, binnen de legerplaats. Dit gevaarte kwam van Namen en was door Graaf Jan, broeder van Robrecht van Bethune, naar Vlaanderen gezonden[115]. Door de toekomst dezer hulp, werd de vreugde der Vlamingen nog heviger, want ruiterij ontbrak hun grotelijks. Niettegenstaande zij wel wisten dat de mannen van Namen hen niet verstonden, riepen zij hun allerlei welkomstgroeten toe, en brachten hun wijn in overvloed. De vreemde krijgers, die grote vriendschap ziende, voelden zich innerlijk tot wederliefde gedwongen, en zwoeren dat zij hun bloed voor zulke goede lieden wilden vergieten.
De enige stad Gent had op de roep niet geantwoord, nog geen enkel gezel was uit dezelve naar Kortrijk gekomen; men wist sedert lang dat Gent van Leliaards krioelde en dat het Magistraat gans voor de Fransen gezind was. Nochtans had men er zevenhonderd soldeniers verslagen, en Jan Borluut had zijn bijstand beloofd. In die twijfel dorsten de Vlamingen, die zich bij het leger bevonden, hun broederen van Gent niet met luider stem van verraderij beschuldigen, echter werden de Gentenaren door velen verdacht gehouden, en menig eenzame vloek, welkers doel men niet zou geraden hebben, was hun toegestuurd.
Des avonds, wanneer de zon sedert een uur achter het dorp Moorsele was verdwenen, waren al de arbeiders in hun tenten vertrokken. Men hoorde hier en daar een gezang, dat soms door het klinken der hanapsen werd opgevolgd en waarvan vele stemmen het slotvers juichend herhaalden; in andere tenten was het een verwarde redekaveling, uit dewelke men bij de roep "Vlaanderen de Leeuw!" verstaan kon, dat de sprekenden elkander tot onversaagdheid aanporden en de ontheffing hunner zielen elkander in ruwe en losse woorden mededeelden. In het midden der legerplaats, op een zekere afstand der tenten, brandde een groot vuur, hetwelk met zijn rode glans een gedeelte des legers verlichtte, een tiental mannen waren met deszelfs onderhoud belast; men zag ze beurtelings met grote boomtakken komen aangesleurd, en dan hoorde men de stem van een Overste, die riep: "Voorzichtig mannen! Let op, en roert het vuur zo niet:—jaagt de spranken niet boven het leger!"
Enige treden van die vuurgloed stond de hut der legerwacht, het was een dak met ossenhuiden overdekt, en waarvan het timmerwerk op acht zware opgaande balken rustte, de vier zijden waren open, opdat men in alle richtingen over de legerplaats mocht zien.
Jan Breydel met vijftig zijner mannen moesten die nacht waken, zij zaten allen op kleine houten stoelen rondom een tafel, onder het dak dat hen voor de dauw en de regen moest behoeden; hun bijlen ontvingen de schijn van het vuur en vlamden in hun handen alsof zij gloeiende wapens hadden gedragen. Schildwachten, die zij uitgezet hadden, kon men in de duisternis zien wandelen. Een grote kruik wijn en enige tinnen hanapsen stonden voor hen op de tafel, en alhoewel hun de drank niet ontzegd was, kon men echter wel bemerken dat zij met matigheid dronken, want zij brachten de hanaps zelden aan de mond. Zij lachten en klapten vrolijk om de tijd door te brengen, en vertelden op voorhand welke schone slagen zij de Fransen in de strijd zouden toebrengen.
"Welnu," riep Breydel, "men zegge dat de Vlamingen hun vaderen niet gelijken, wanneer een leger als het onze uit vrije wil te samen loopt! Laat de Fransen nu maar afkomen met hun tweeënzestigduizend man! Hoe meer wild hoe betere jacht. Zij zeggen dat wij een hoop slechte honden zijn, maar zij mogen God bidden dat zij niet terdege gebeten worden; die honden hebben goede tanden."
De beenhouwers lachten hartelijk om de schertsende woorden van hun Deken, zij bezagen met inzicht een stokoude gezel, wiens grijze baard zijner jaren getuigde. Een van hen riep hem toe: "Gij, Jacob, zult ze niet goed meer bijten kunnen!"
"Indien mijn tanden niet zo goed als de uwe zijn," morde de oude Maceclier, "heb ik toch een bijl die het bijten lang gewoon is. Ik zou met u wel twintig maten wijns verwedden, wie van ons beiden het meest Fransen naar de hel zenden zal."
"Dat gaat erom," riep de andere. "Wij zullen ze seffens uitdrinken,—ik ga ze halen."
"Ho! Ho!" viel Breydel uit. "Wilt gij u wel stil houden! Drinkt morgen; want, op mijn ziel, de eerste van Ulieden, die zich dronken maakt, zal ik in Kortrijk doen kerkeren, hij zal de strijd niet bijwonen."
Die bedreiging trof de Macecliers verwonderlijk; de woorden vergingen in hun mond, en geen van hen roerde nog een lid van zijn lichaam: de oude Maceclier alleen dorst nog spreken.
"Bij de baard van onze Deken!" riep hij. "Indien mij zulks moest gebeuren, liet ik mij nog liever in het vuur braden, gelijk Mijnheer St.-Laureys weleer gebeurd is, want ik zal zulk feest in mijn leven niet meer kunnen zien."
Breydel bemerkte dat zijn bedreiging het ganse gezelschap met vrees en droefheid had bevangen: dit beviel hem niet, daar hij zelf tot vrolijkheid genegen was. Willende dan de moed en de losse vreugd onder hen weder opwekken, vatte hij de kruik, en de hanapsen beurtelings vullende, sprak hij: "Wat duivel, mannen, waarom zwijgt gij nu? Daar, neemt en drinkt dat de wijn u de spraak teruggeve. Het spijt mij dat ik u dus toegesproken heb. Ken ik u niet? Weet ik niet dat het Macecliersbloed u door de aderen stroomt? Welaan, en dit gaat op uw welvaart, makkers!"
De uitdrukking van genoegen kwam plotseling op het gelaat der beenhouwers terug, en hun stilte eindigde met een lange lach, nu zagen zij dat de bedreiging van hun Deken enkel scherts was geweest.
"Drinkt maar," hernam Breydel, zijn beker vullende, "die kruik zij u gegeven, gij moogt ze tot de bodem ledigen. Uw gezellen die op de schildwacht staan, zal een andere bezorgd worden. Nu wij zien dat er uit alle steden hulp toekomt, en dat wij zo sterk worden, mogen wij dit geluk wel vieren."
"Ik drink ter schande van de Gentenaars!" riep een gezel. "Reeds lang weten wij, dat wie in hen zijn betrouwen stelt, op een gebroken stok steunt; maar dit is niets, zij mogen thuis blijven—dan heeft onze stad Brugge alleen de eer van de strijd en van de verlossing."
"Zijn de Gentenaren Vlamingen als wij?" sprak een andere. "Klopt hun hart voor de vrijheid? En wonen er ook wel Macecliers in Gent? Heil Brugge! Daar is de echte stam."
"Ho!" riep Breydel. "Er woont een man in Gent die een leeuwenhart heeft. Kent men Jan Borluut niet door de ganse wereld? Ik ben zeker dat, indien hij de zaak wilde onderzoeken, hij bevinden zou dat zijn vaders Macecliers waren, of zo iets dergelijks;—want Mijnheer Jan gelijkt aan een Gentenaar als een stier aan een schaap."
De beenhouwers vielen opnieuw in een schaterende lach uit; zij verstonden dat hun Deken wilde te kennen geven dat de Gentenaren schapen waren.
"En ik weet niet," ging Breydel voort, "waarom Mijnheer Gwyde om hun komst wenst; er is niet teveel nooddruft in het leger om nog meer eters tot de maaltijd te roepen. Denkt de Veldheer dat wij het spel zullen verliezen? Het is wel te zien dat hij te Namen gewoond heeft, hij kent de Bruggelingen niet, anders zou hij de Gentenaren niet begeren. Wij hebben hen niet nodig, of't kwaad vuur moet mij branden! Dat zij thuis blijven, wij zullen onze zaken zonder hen wel africhten—en daarenboven het zijn toch maar wankelaars!"
Als een echte Bruggeling beminde Breydel de Gentenaren niet. De twee voornaamste steden van Vlaanderen stonden van hun geboorte af altijd in geschil, niet dat de een moediger mannen dan de andere bezat, maar omdat zij, beide nijverig zijnde, elkanders koophandel poogden te roven en tot zich te trekken. Heden bestaat die haat tussen de inwoners van Gent en Brugge nog;—zo moeilijk is het het gemene volk zijn erfelijke inborst te ontroven, dat dit gevoel van naijver, ondanks al de omwentelingen, tot ons overgekomen is.
Op die wijze ging Breydel voort met zijn makkers te redeneren; er werd menig honend scheldwoord tegen de Gentenaren uitgesproken, totdat dit stuk ten einde zijnde, zij weer op een ander voorwerp het gesprek lieten vallen. Eensklaps werd hun aandacht door een vreemd gerucht gaande gemaakt; zij hoorden op enige treden achter de tent een gekijf, alsof twee mannen aan het vechten waren; allen stonden op om te gaan zien wat dit zijn mocht, maar eer zij de tent konden verlaten, kwam er een Maceclier, die op schildwacht gestaan had, met een andere persoon, welke hij met geweld voorttrok, bij hen: "Meester," sprak hij, terwijl hij de vreemdeling in de tent stiet, "deze Spreker heb ik achter het leger gevonden; hij ging aan al de hutten luisteren en sloop als een vos met zachte treden door de duisternis: lang heb ik hem gevolgd en bespied. Voorzeker schuilt enig verraad eronder, want zie hoe de schelm beeft."
De man, welke hij in de tent gebracht had, was met een blauwe kolder gekleed,—een mutsje met een veder op zijn hoofd. Een lange baard bedekte de helft van zijn aangezicht. In de linkerhand hield hij een klein speeltuig dat wel naar een harp geleek, en scheen op hetzelve een deuntje voor het gezelschap te willen spelen. Hij sidderde van vrees, en zijn gelaat was bleek, alsof het leven hem ging verlaten; het was zichtbaar dat hij de blik van Jan Breydel wilde ontwijken, want hij wendde het hoofd om naar de andere zijde, opdat de Deken zijn wezenstrekken niet zou gezien hebben.
"Wat komt gij in het leger doen?" riep Breydel. "Waarom luistert gij aan de tenten? Antwoord spoedig!"
De Zanger antwoordde in een spraak welke naar het Hoog-Duits zweemde, en deed gissen dat hij ergens in een ander deel des lands thuis behoorde: "Meester, ik kom van Luxemburg, en heb Mijnheer Van Loncin te Kortrijk een boodschap gedragen. Men heeft mij gezegd dat een mijner broederen in het leger is, en ik was gekomen om hem te zoeken. Ik ben bang en bevreesd, daar de schildwacht mij voor een bespieder heeft aanzien; maar ik hoop dat gij mij niet zult schaden." Breydel, die zich voor de Dichter met medelijden voelde ingenomen, zond de schildwacht terug, en de vreemdeling een stoel wijzende sprak hij:
"Gij moet van zulke lange reis vermoeid zijn. Daar, mijn schone Spreker, zet u neer. Drink, die hanaps is uwe. Gij zult ons enige liedjes zingen en wij zullen u voorschenken. Heb moed, gij bevindt u tussen goede lieden."
"Vergeef het mij, Meester," antwoordde de Zanger, "ik kan hier niet blijven, want Mijnheer Van Loncin wacht mij. Ik denk dat gij de begeerte van die edele ridder niet zult tegengaan met mij langer te wederhouden."
"Er moet een lied zijn!" riepen de beenhouwers. "Hij gaat niet heen, of er moet een lied gezongen zijn!"
"Bij de duivel," riep Breydel, "zo gij ons het vermaak van enige liedjes te horen niet wilt geven, dan hou ik u hier tot morgen. Indien gij met goede wil begonnen waart, zoudt gij nu reeds gedaan hebben. Zing, ik beveel het u!"
De benauwdheid van de Dichter vermeerderde bij het dwingend bevel, met moeite kon hij de harp in de hand blijven houden, want hij beefde zodanig dat de snaren van het speeltuig, zijn klederen rakende, een geluid gaven en enige twijfelachtige tonen in het oor der beenhouwers zonden; dit vergrootte hun lust nog meer.
"Wilt gij spelen of zingen?" riep Breydel. "Want zo gij u niet spoedt, zal u iets kwaads gebeuren."
De Zanger, tot de dood toe verschrikt, bracht zijn bevende vingeren op de harp en haalde slechts valse en verwarde tonen uit het speeltuig. De beenhouwers bemerkten stellig dat hij er niet op spelen kon.
"Het is een bespieder!" riep Breydel. "Ontkleedt hem en onderzoekt of hij geen verraad op zich draagt."
In een ogenblik waren de bovenklederen hem van het lijf gerukt, en niettegenstaande hij smekend om genade bad, werd hij in dit onstuimig onderzoek van de ene kant naar de andere gestoten.
"Hier, hier heb ik het!" riep een beenhouwer, die zijn hand tussen het wambuis, op de borst van de onbekende gestoken had. "Hier is het verraad!"
Zijn hand uit het wambuis getogen hebbende, hield hij in dezelve een vel perkament dat in drie- of vierdubbel was gevouwen, en waaraan een zegel hing, welke voor het breken met vlas omwonden was. De Dichter stond stom alsof hij de dood voor zich had gezien; hij morde enige onverstaanbare woorden, die niet door de beenhouwers gehoord werden, terwijl hij de Deken met angst aanzag.
Jan Breydel vatte het perkament, en hetzelve ontvouwen hebbende, bleef hij het lange tijd bestaren zonder dat het hem iets kon verklaren; in die tijd waren er buiten de Geestelijken weinig personen die lezen konden, zelfs waren de Edelen meestal nog in de grootste onwetendheid gedompeld.
"Wat is dit, schelm dat gij zijt?" schreeuwde Breydel. "Het is een brief van Mijnheer Van Loncin ..." stamelde de geveinsde Dichter met gebroken woorden.
"Wacht!" hernam de Deken. "Ik zal het welhaast zien." Hij nam zijn kruismes, en sneed het er omgewonden vlas van de zegel. De leliebloemen, het wapen van Frankrijk gezien hebbend, sprong hij vloekend vooruit, en vatte de onbekende bij de baard. Hem bij dezelve heen en weer slingerende, viel hij uit: "Het is een brief van Mijnheer Van Loncin, gij verrader? Neen het is een brief van de Kastelein van Lens, en gij zijt een bespieder. Zo de duivel u op staande voet niet weghaalt, zult gij een bittere dood sterven, booswicht!"
Dit zeggende trok hij met zoveel geweld aan de baard van de bespieder dat de linten, waarmede hij dezelve aan zijn hoofd gebonden had, losbraken, en dan herkende Breydel zijn gelaat. Hij stiet hem met zoveel gramschap achteruit dat hij tegen een der stijlen van de tent bonsde.
"O Brakels! Brakels! Uw laatste uur is gekomen!" riep Breydel als verschrikt van dit verschijnsel.
De oude Maceclier, die men om zijn slechte tanden bespot had, sprong op Brakels en hem met de handen bij de keel gevat hebbende, drukte hij hem zo vast tegen de stijl, waarop Breydel hem geworpen had, dat de ogen van de lijdende in zijn hoofd draaiden, want onder de nijpingen van de Maceclier kon de verrader niet meer ademen; hij ware weldra verworgd geweest indien de beweging, die hij om los te raken deed, van tijd tot tijd hem niet toegelaten had zijn benauwde borst te ontlasten.
Het geschreeuw der beenhouwers had een menigte volks gewekt, dat uit alle tenten uit nieuwsgierigheid kwam toegelopen, de een zonder kolder, de andere zonder wambuis; zodra zij de oorzaak des geruchts vernamen, begonnen zij met razernij om het lichaam van Brakels te roepen.
"Geeft hem ons!" schreeuwden zij. "Zijn bloed! Zijn lijf!" Breydel vatte de oude Maceclier bij de schouders, en rukte hem Brakels weg, roepende: "Besmeur u niet met het bloed van de verrader. Hij is te verachtelijk, anders zou hij reeds door mijn handen gestorven zijn."
"Neen, bij God!" riep de Maceclier, zijn bijl opheffende. "Ik wil mij aan dit spel vermaken. Men wint een plaats in de hemel, wanneer men een landverrader doodslaat. Laat mij doen, Meester, ik bid u, om Gods wil, maar een kap!"
Brakels zat geknield te gronde en smeekte met gevouwen handen om lijfsgenade, hij kroop tot bij de Deken en zuchtte: "O Meester, heb toch medelijden met mij ... Ik zal het Vaderland met trouw dienen ... Dood mij toch niet!"
Breydel bezag hem met woede en verachting, en hem de voet in de zijde plaatsende, schopte hij hem ineens tot aan de andere kant der tent.—Intussentijd hadden de beenhouwers de grootste moeite om de duizenden mannen, die vol wraakzucht rondom de tent bezig waren met vloeken en schreeuwen, eruit te houden: "Geeft ons zijn lijf!" riep de woedende schaar. "In het vuur, in het vuur!"
"Ik wil niet," sprak Breydel met een dwingende blik tot zijn mannen, "dat het bloed van die slang uw bijlen rake.—Men geve hem aan het volk over."
Dit bevel was zijn mond nog niet ontgaan, of er kwam een man uit de schaar, die een strop om de hals van Brakels wierp: dan het eind daarvan bij honderden in de hand nemende, trokken zij de verrader achterover en sleepten hem uit de tent. Zijn bange gillen versmolten in het bruisend gejuich der menigte. Na hem rond het leger gesleurd te hebben, kwamen zij altijd huilende, bij het vuur, en trokken hem vier of vijf malen dwars erdoor totdat de kolen, die op zijn aanzicht kleefden, hem onkennelijk hadden gemaakt. Hun loop dan weer hernemende, verdwenen zij met het dode lichaam in de duisternis. Lang nog hoorde men hun kreten in de verte, en lang nog martelden zij het lijk van de verrader totdat het gans verminkt en een uur later aan een galg bij het vuur ten toon hing. Ieder keerde naar zijn tent terug, en de grootste stilte volgde op dit schaterend gerucht.