Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht, en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat het in een mandje moest worden opgekweekt.
Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed, goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij nu een aanzienlijk vermogen.
Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren, die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele Kaguya, of “Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld”. Toen zij haar naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle buren deelnamen.
“Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte,
hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te aanschouwen!”—Taketori.
De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het geheele land. Zoogenaamde minnaars verzamelden zich om de heining en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun vrijage nutteloos was.
Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi, de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen “het ijs en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden van den zomer met even groote vastberadenheid.” Toen die aanzienlijke vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was, niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen.
Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen, en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de verstandige Kaguya: “Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man, wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt, zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was”.
Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die het waardigst bleek te zijn. Deze tijding bracht voor het oogenblik hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde, “met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers”. Alleen de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen:
“In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap, die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt over de breede vlakte der zee.”
Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha’s bedelnap te zoeken, kwam hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond na dien tijd in een klooster op een heuvel in Tochi een beker van hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat, en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems.
Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol, waarop het volgende was geschreven:
“Over zeeën, over heuvels
Trok uw dienaar, en vermoeid
Gaat hij uitgeput te gronde:
Wat al tranen kost die steenen
Beker,
Wat een vloed van bittre tranen!”
Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond dan ook den beker terug met het volgende gedicht:
Van den hangenden droppel dauw
Is de voorbijgaande glans
Zelfs niet hierin:
Op den Heuvel van ’t Duister, den Heuvel
Van Ogura,
Wat hooptet gij daar te vinden?
De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had neergeschreven, en antwoordde:
“Op schitt’rend lichten heuvel
Moet ied’re glans
Verbleeken.
O, mocht verwijderd van het licht
Van uw schoonheid,
De glans van gindschen beker
Mijn trouw bewijzen!”
Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar, die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig gestemd.
Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en verspreidde overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi, om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden, in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden, die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven.
Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het geschenk was vastgehecht:
“Al ware het met gevaar
Voor eigen leven,
Zonder den met Juweelen beladen Tak
In mijn handen, zou ik nooit
Hebben durven terugkeeren!”
De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen, en een rivier “met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit als zilver, blauw als kostbaar ruri (lapis lazuli); en de rivier was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden”.
Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, aan dit vernuftige verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak, het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden, ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen.
De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman, Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden, vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed “zeegroen van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud, een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap, dat hij de vuurvlammen kon weerstaan”.
De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen, ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde:
“Eind’loos is het minnevuur,
Dat mij zengt, doch onverzengd
Is het Bont-kleed:
Doch mijn mouwen zijn nu droog,
Heden toch zal ik haar zien!”
Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig schijnt te zijn geweest, aldus toe: “Indien dit kleed midden in het vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan”. Een vuur werd aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het onmiddellijk verging. “Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien.” Maar de Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het volgende gedicht:
“Zonder dat een spoor zelfs restte,
Dat het Bontkleed zóó verbrandde,
Had ik nimmer durven droomen.
Jammer voor het schoone voorwerp!
’k Had het nimmer zoo behandeld.”
De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in den Drakenkop zouden brengen.
Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van, dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen, en over de zolder werden zijden kleeren gespannen.
Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman.
Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij, dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: “Het huilen van den wind en het bulderen der baren en het vreeselijk loeien van den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden, want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn, als mijn Heer een gebed opzond.”
Daar de Chiunagon door “een vreeselijke ziekte” was overvallen, is het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden, en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met rust zou laten.
De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede, dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies.
Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol, dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot, hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur van het district zich deed aankondigen.
Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer, geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans.
Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop begroette hen de Chiunagon: “Gij hebt goed gehandeld om met leege handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar bevinden. Ik zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken, en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten.”
Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van haar meester hoorden, “zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden, terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd, om daar nesten mede te dekken.”
De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames, Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.
Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood, zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien, en voegde er aan toe: “Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader tot belooning in den adelstand wordt opgenomen.”
De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten.
Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe: “De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn kind zijn.”
De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn dochter bekend maakte.
De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.
Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied, of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht, en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.
Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan, waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij, dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit: “Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek, dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens moge worden aanschouwd.”
Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het volgende gedicht:
“Droevig is de thuiskomst
Der Vorstlijke Jacht,
Vol van droefheid is het
Peinzende hart;
Want zij biedt weerstand en blijft terug,
De Edele Kaguya!”
De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:
“Onder het dak begroeid met
Hoprank
Toefde zij vreedzame
Jaren.
Hoe kan zij wagen te staren
Op ’t Paleis met zijn kostbaar gesteente?”
De Maanbewoners eischen vrouwe Kaguya op
In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd, staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: “Langen tijd heeft de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven, en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar te spreken.”
Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak, verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken over de goddeloosheid der wereld.
In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning moest terugkeeren.
Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen, toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot, zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder, gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.
De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder denkbeelden te geven, en zeide: “Gij kunt nooit de overwinning behalen over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen, noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn.” Die opmerkingen maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande, dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen—in één woord, dat hij zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.
Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder, op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat2 scheen er een groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.
Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk een krachtige stem, die sprak: “Kom hier, Miyakko Maro!”
De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen, en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: “Gij dwaas,” en die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig vertoef zou worden uitgeleverd.
De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen riep dezelfde krachtige stem: “Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?”
Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.
De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen, waarop de volgende woorden waren geschreven: “Als ik in dit land geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht, laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen.”
Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: “Proef, wat ik u bidden mag, van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid van deze bezoedelde wereld.”
De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele Kaguya uitriep: “Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat ik vertrek.” Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:
“Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld, dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht, dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken, en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen.”
Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen, en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan verdwenen.
Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht verdwenen was.
De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden antwoordde: “In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den hemel uitsteekt.” Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende gedicht:
“Haar nooit meer terug te zien!
Tranen van smart overstelpen mij,
En wat mij betreft,
Wat moet ik doen
Met het Levenselixir?”
Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.
Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen berg de naam gegeven van de Fuji (Fuji-yama, Nooit Stervend), en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels.
1 De Vijfde Taak, die van Heer Iso, wordt hier niet behandeld. De geschiedenis is plat en weinig belangrijk. Het zij voldoende, mede te deelen, dat ook de tocht van Heer Iso, om de Zeeschelp te zoeken, vergeefsch was.
2 Van middernacht tot twee uur ’s morgens. “Jaren, dagen en uren”, zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, “werden alle gerekend te behooren tot één der teekenen van den dierenriem.”
De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier, omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon, en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn uitdrukkelijk Japansch.
Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen over het land voort en er was overal diepe stilte.
Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep: ”Shio-giyo mu-jiyo” (“De uitwendige wijze van doen is niet altijd een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.”)
Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen, wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond, keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde.
De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg den draak, hoe hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom, dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden.
Buddha en de Draak
Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld, met luider stem: “Ze-shio metsu-po!” (“Alle levende dingen zijn tegenstrijdig aan de wet van Buddha!”).
Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren.
“Shio-metsu metsu-i!” (“Alle levende dingen moeten sterven!”), schreeuwde de draak.
Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger.
De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren, zoolang zijn honger nog niet was gestild.
Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren, als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare, wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen.
De draak opende zijn grooten bek en zeide: ”Jaku-metsu I-raku!” (“Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam heeft verlaten!”).
Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak.
Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt, of deze scheidden zich in acht deelen, en in één oogenblik veranderden zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus.
“Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart,
Waaronder Dood de godenbeelden en ’t geboomte hult in nevelen van zuchten,
(Waar is de tijd van Kamakura’s vroeg’ren bloei gebleven?)
Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd.”
Yone Noguchi.
De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shōguns en de Regenten uit het geslacht der Hōjō’s gedurende den veelbewogen tijd der Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha, die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest, totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat, met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige stormen der wereld.
Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden, zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen, die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten Leeraar naar beneden te halen—al is het slechts, om hem een paar armzalige centimeters kleiner voor te stellen.
Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte, buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit oppervlakkig zoo vreemde verschil.
De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder, en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste voorwerp op de geheele wereld was.
Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.
Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch, en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim, en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.
De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan, om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid aan zijn geschokten vriend mede te deelen.
De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje, na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.
De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht, bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het voetstuk van den Bronzen Buddha.
De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar al te waar waren. “Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak”, is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen, nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.
De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen: “Kom binnen!”
“Dat is onmogelijk”, antwoordde de walvisch, “omdat ik te groot ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te spreken?”
Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.
Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester, toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel, ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch; hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens grooter van omtrek was.
De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug, terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten, en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af, dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen—en het verschil bedroeg vijf centimeters.
In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de aanzoeken om haar hand.
Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Koso. De Keizer had gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer, wat zij naar haar eigen land zou willen zenden.
Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden.
Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten.
Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide, dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was.
Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid, en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar meesteres te vergezellen.
Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was, bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als een dankoffer naar den tempel zou zenden.
Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar: “Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin, en groot is de vreugde van mijn hart!”3
Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. “Daarom riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen”, zooals Madame Ozaki verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, “en beval hen, voor de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld, door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben, ‘lotusvoeten’ genoemd.”
Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was, een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen inkt bleek te bevatten, en ten slotte “een prachtig kristal, in welks heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha zag, had voor altijd gemoedsrust.”4
Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji over te brengen.
Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura, toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg, dan weer neergedompeld werd in een groene vallei, waaruit het nooit meer scheen te kunnen verrijzen.
Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij, dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede.
Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt, die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen.
Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder de hoede van den Zeekoning.
Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw, die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij wenschte, dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter belooning haar zoontje zou opvoeden als samurai5, opdat hij in zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher.
Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen.
De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken, en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water.
Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken!
De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote klauwen uit en hun staarten zweepten woedend het water, en in een oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang voor het gezicht van bloed.
De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat.
Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere samurai, en werd bij den dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder, liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj, hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren.