Hoofdstuk XIII. Boomen.

“Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, ‘hoe kan nu de kersen-bloesem het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.’ Hun twistgesprek beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide: ‘Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult gij niet langer haar schoonheid vergeten.’ Dit was werkelijk een kiesch en vriendelijk gezegde”.

“De Tuin van Japan”, door F.T. Piggott.

Kers en Pruim.

De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim, die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter Motoöri schrijft: “Indien iemand u zou vragen naar het hart van een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de zon”, en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang, die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken is blijven hangen.

De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd, omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit verbleekt. Korunushi zong aldus:

De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht,

Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht,

Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn.

Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn”!

Naar B.H. Chamberlain.

De hoogste lof, dien Japan aan de kers heeft gebracht, is deze: “De kersenboomen in de dorpen, gelegen in het verwijderde gebergte moesten hun bloesems terughouden totdat de bloemen in de stad verwelkt zijn, immers dan zou het volk naar buiten trekken om ook die te zien. De schoonheid van een Japansche vrouw wordt dikwijls in verband gebracht met den bloesem der kersen, terwijl haar deugd wordt vergeleken met den bloesem der pruimen.

De Camelia.

De Kostbare-Camelia van Yaegaki, met haar dubbelen stam en ontzaglijken top is reeds zeer oud en wordt als zóó heilig beschouwd, dat zij omgeven is door een schutting en dat steenen lampen daar omheen worden geplaatst. De eigenaardige gedaante van den boom, met zijn dubbelen stam, die weer in het midden samengroeit, heeft het aanzijn geschonken aan het geloof, dat die buitengewone boom het symbool is van een gelukkig huwelijksleven, en bovendien, dat goede geesten er in wonen, die altijd bereid zijn, de vurige gebeden van minnaars te verhooren.

De cameliaboom is niet altijd goed gezind. Er is een legende omtrent een boom van die soort, die in den nacht in den tuin van een samurai te Matsue rondwandelde. De vreemde en onvermoeide wandelingen van den boom werden zóó talrijk, dat ten laatste de boom werd neergehouwen en men zegt, dat hij, toen hij neerviel, een stroom van bloed uitspoot.

De Cryptomeria.

Een andere boom, die hoog vereerd wordt, is de indrukwekkende cryptomeria, en er is een van die boomen, die zich uitstrekt van Utsunomiya tot Nikkō, een afstand van ruim dertig kilometers. Één van die boomen heeft een middellijn van twee meters; men verhaalt, dat deze geplant is “door een deputatie, die achthonderd Buddhistische nonnen uit de provincie Wakasa vertegenwoordigde.” In een verder gedeelte van dit hoofdstuk geven wij een legende, die met dien bijzonderen boom in betrekking staat.

Een Pijnboom en de God der Wegen.

In den tuin van de groote hakaba (kerkhof) der Kwannondera staat een pijnboom, die rust op vier groote wortels, welken den vorm hebben van reusachtige voeten. In de nabijheid van dien boom vindt men een schutting, een altaar en een aantal torii. Voor het altaar rusten miniatuurpaardjes, van stroo vervaardigd. Dit zijn offers aan Kōshin, den God der Wegen, als bede, dat de werkelijke paarden, waarvan zij het symbool zijn, bewaard mogen blijven voor dood of ziekte. De pijnboom staat echter niet altijd in verband met Kōshin. Hij kan met recht beschreven worden als de meest huiselijke Japansche boomen, want hij neemt een in het oog vallende plaats in bij het Nieuwjaarsfeest1—een boom, die aan de tuindeur moet worden geplant, omdat hij geacht wordt geluk te brengen, en vooral gelukkige huwelijken.

Een Boomgeest.

Zooals wij in de volgende legenden zullen zien, is meer dan één der Japansche boomsoorten bedeeld met bovennatuurlijke macht. Er is een boomgeest, bekend als Ki-no-o-baké, die in staat is rond te wandelen en verschillende vormen aan te nemen. De boomgeest spreekt slechts weinig, en als hij gestoord wordt, verdwijnt hij in den stam of tusschen de bladeren. De geest van den God Kōjin2 huist in den enoki-boom aan dien God zijn alle oude kinderpoppen gewijd.

De Wonderbaarlijke Kastanje.

Prinses Hinako-Nai-Shinnō verzocht, dat haar kastanjes zouden worden voorgezet; maar zij nam er slechts één, beet daarop en wierp die weg. Deze schoot wortel, en op alle kastanjes, die later daaruit voortkwamen, stonden de afdrukken van de kleine tandjes der Prinses. De kastanjeboom had, toen hij haar bij haar dood wilde vereeren, zijn toewijding op die wijze geopenbaard.

De Stille Pijnboom.

Keizer Go-Toba, die een vreeselijken hekel had aan het kwaken van kikvorschen, werd op zekeren dag gehinderd door een pijnboom, die door den wind werd bewogen. Nadat Zijne Majesteit den boom luide had bevolen, stil te zijn, bewoog zich de pijnboom nooit meer één enkel oogenblik. Die gehoorzame boom was zóózeer onder den indruk van het bevel, dat de hevigste wind niet alleen de takken niet bewoog, maar zelfs de duizenden dennenaalden volkomen onbewegelijk liet.

Wilgevrouwtje.3

“Ik hoorde van ’t magische wierook, dat oproept de ziel van wie weg is;

Ach, kon ik wat daarvan branden, ’s nachts, als ik eenzaam moet wachten.”

Uit het Japansch.

In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met fonkelende sneeuw.

Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom, en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.

Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen, en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor timmerhout te gebruiken.

“Voor timmerhout?” zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in zijn handen verborg. “Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit, nooit, oude man!”

Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden wilgeboom wilden sparen.

De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.

Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.

“Achtbare dame”, zoo sprak hij, “ik zal naar huis gaan. Ik zie, dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen, die liefhebben.

“Hij komt nu niet meer”, antwoordde het meisje lachend.

“Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?”

“Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer.”

“En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?”

“Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen wilgeboom. En met een stralenden glimlach verdween het meisje.

Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel, alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over den wilgeboom, waaronder zij zaten.

Op zekeren avond zeide hij tot haar: “Lieve kleine, wilt gij mijn vrouwtje worden—gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?”

“Ja,” zeide het meisje. “Noem mij Higo (‘Wilg’) en vraag, ter wille van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder, en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen.”

Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk gezegend met een kind, dat zij Chiyodō noemden. Hun woning was eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste menschen van geheel Japan.

Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten, kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De oud-Keizer Toba wilde in Kyōto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon4, en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften, dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij, noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als den grooten wilgeboom.

Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: “Ach, vrouwtje”, zoo sprak hij, “zij zijn op het punt onzen dierbaren wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er misschien ter eeniger tijd overheen komen”.

Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden kreet. “Heitaro” zeide zijn vrouw, “het wordt donker!” De kamer is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet vallen, niet waar?”

“Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!” snikte Heitaro.

“Beste man”, zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig, met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: “Ik ga u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodō wachten—Mijn haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!”

Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje was verdwenen!

De Boom van den Eenoogigen Priester.

In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was, werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een tengu5 veranderde.

Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond, en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden, dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.

Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden, het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit, bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het jonge volk gepleegd.

Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone, doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp, en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige wijze van den goeden weg lokte.

De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten cryptomeria-boom op Oki-Yama.

Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus toe: “O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat, zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere verblijfplaats voor u te zoeken.”

Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was, den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. “Gij zult ze aan boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg”, zoo voegde de geest van Yenoki er aan toe. Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof, naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen, om een edeler en reiner leven te leiden.” En na die woorden te hebben gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.

Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp, dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.

Het Verbranden van Drie Dwergboompjes.

Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was, trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen, om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.

Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending, en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden, was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote, zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten, en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit, met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.

Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.

Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen tegenzin, dat hij een samurai was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.

Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien samurai, en sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. “Maar in weerwil hiervan”, zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast, die met de grootste oplettendheid toeluisterde, “zal ik, als er ooit een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen van mijn armoede verlicht.”

Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst, nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.

Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur, onder de schitterende gelederen der samurai, die bij hem stonden, naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen, dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in zulk een armoedige uitrusting.

De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen, die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes, den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven, waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen, dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te bieden, een gelukkig denkbeeld, daar matsu, ume en sakura de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.

De Gelieven onder den Pijnboom.

“De dageraad nadert,

En de rijp valt neer

Op de dennetakken;

Maar der blaad’ren groen

Verandert niet.

Ochtend en avond

Worden de blaadren verwijderd

Onder hun schaduw.

Toch ontbreken zij nooit.

Het is een feit,

Dat die denneboomen

Niet al hun blaadren doen vallen;

Frisch blijft hun groen,

Lange eeuwen,

Als de slepende Masaka wijnstok;

Zelfs onder altijd groene boomen—

Het beeld van ’t onveranderlijke—

Is hun roem verspreid.

Als tot het laatst der dagen een symbool—

De faam der dennen, die te zamen

Zijn oud geworden.”

Takasago (Naar W.G. Aston).

De Takasago wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder de , of classieke drama’s. De werd opgevoerd door schoon gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: “Een Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien.” Het onderwerp van de Takasago schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst, die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd groenen boom leeren kennen:

“En nu, eindelooze wereld,

Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen

In priesterlijk gewaad

Schadelijke invloeden wegjagen;

Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten,

Zullen allen het geluk omvatten;

Het loflied van duizenden herfsten

Het zal het volk geluk en zegen brengen,

En de zang van tienduizend jaren

Het leven des vorsten verlengen.

En al dien tijd

Zal de stem van het windje,

Dat waait door de dennen,

Die samen oud worden,

Vreugde ons schenken.

Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere Nō drama ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago, waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.

In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden, die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: “Ik zal die dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag.”

Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het volgende lied:

De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht,

Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht

Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn.

Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn.”

Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo, die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten, waar het visschersgezin met hun dochter woonde.

Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij, dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.

Matsu redt Teoyo

Matsu redt Teoyo

Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.

Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur van dennenaalden.

Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed voor den volgenden dag.

Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven, die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt.


1 Zie Hoofdstuk XVII.

2 Zie Hoofdstuk XVI.

3 Dit verhaal en dat wat volgt zijn ontleend aan Oude Sproken en Folk-lore van Japan, door R. Gordon Smith.

4 Zie Hoofstuk XV.

5 Een wezen met een langen neus. Zie hierover blz. 22.

Hoofdstuk XIV. Spiegels.

“Zooals het zwaard de ziel is van een samurai, zoo is de spiegel de ziel van een vrouw.”

“Als de spiegel dof is, is de ziel onrein.”

Japansche Spreekwoorden.

De Beteekenis der Japansche Spiegels.

De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain schrijft: “Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de voorzijde wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de achterzijde! Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk de aandacht der geleerden getrokken.” Het is hier de plaats niet, de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate de magische beteekenis van spiegels uit Nippon.

De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien, kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude, maar zeer geliefde Japansche poppen betreft.

Hidari Jingorō.

De beroemde beeldhouwer Hidari Jingorō werd bij zekere gelegenheid plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen de gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel van den beeldhouwer als van het meisje.

De Goddelijke Spiegel.

Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe godsdienstige beteekenis in verband met het Shintōisme. De Goddelijke Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden andere spiegels gevonden in Shintō-tempels; die spiegels vormen in werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn eenvoud bekend is. De spiegel “stelt een menschelijke hart voor, dat, als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf weerkaatst.” Wij lezen in de Kojiki, dat Izanagi zijn kinderen een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks ’s morgens en ’s avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken, opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen.

De Ziel van een Spiegel.

De tempel van Ogawachi-Myōjin geraakte in verval, en de Shintō-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel, Matsumura, reisde naar Kyōto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den Shōgun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond.

Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Kyōto, dat den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten.

In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyōto groote droogte. Hoewel de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten, verminderde het water in dien put volstrekt niet.

Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde, ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan met beni. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen.

Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende drie dagen en drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven.

De vrouw antwoordde hierop: “Helaas, goede priester, ik heb nooit begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet, zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid.” Na die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als zij verschenen was.

Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel.

Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim zou geven.

Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem, “derde maand, de derde dag” te ontcijferen. In oude tijden heette de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura, dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van den Spiegel.

Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis.

Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet, deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo, een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk van Hōgen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den spiegel ten geschenke zou geven aan den Shōgun, den Edelen Yoshimasa, die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld.

Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats weggespoeld.

Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shōgun Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die vreemde gebeurtenis. De Shōgun was zóó ingenomen met het geschenk, dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf, maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor het wederopbouwen van zijn tempel.

Een Spiegel en een Klok.

Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het benoodigde metaal.

Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam van de Shō-Chiku-Bai, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom, den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was.

Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw.

Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel, die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had geschreven: “Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken.”

Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk, en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was.

De Spiegel van Matsuyama.

In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyōto. Voordat hij wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen, dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid, terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden.

Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken, ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd.

De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien, en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, dat een andere vrouw haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht haar, goed voor den spiegel te zorgen.

Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: “Lieveling, zorg, als ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien.” Nadat zij die woorden had gesproken, stierf zij.

Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine, die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien, maar jong en schoon.

Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht—misschien wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem, dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden.

Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord, ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader, die zooveel van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld, en onmiddellijk deelde hij haar dat mede.

Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield.

“Wat houdt gij in uw mouw verborgen” vroeg haar vader, nog maar half overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken.

“Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong en schoon. Als mijn hart bedroefd is—en ach! dit is in den laatsten tijd zoo dikwijls gebeurd—dan neem ik den spiegel in de hand, en het gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke blikken te verdragen”.

Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist, wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien, vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis.