Hoofdstuk XVIII. De Lantaarn met Pioenrozen.1

“Ochtenddauw”.

Tsuyu (“Ochtenddauw”) was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd, waar zij met haar dienstbode Yoné woonde.

Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto Shijō, die vergezeld was van een schoonen jongen samurai, Hagiwara Shinzaburō genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburō: ”Denk er om! als gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!

Shinzaburō herkende Tsuyu en haar dienstmaagd Yoné

Shinzaburō herkende Tsuyu en haar dienstmaagd Yoné

Shinzaburō had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte te houden.

Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone samurai haar ontrouw was geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven op het kerkhof van Shin-Banzui-In.

Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht de oude dokter Shinzaburō en vertelde hem in alle bijzonderheden den dood van Tsuyu en haar dienstbode.

Shinzaburō voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers daarvoor, en zegde een aantal gebeden op.

De Dooden keeren terug.

Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de ziel van Tsuyu bij hem zou komen.

Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van kara-kon, kara-kon, het zachte geklepper van de geta van vrouwen. Er was iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburō stond op en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné.

Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had verhaald, dat Shinzaburō dood was, en de jonge samurai zijn bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken.

Een Spion.

In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozō, een der bedienden van Shinzaburō, die naast zijn meester huisde, het geluid van een vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozō besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk, daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozō met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op de spleet en op het oog van Tomozō daarachter. Met een kreet van schrik vluchtte de spionneerende Tomozō naar het huis van Hukuōdō Yusai.

De Raad van Yusai.

Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch maakte de geschiedenis van Tomozō een diepen indruk op hem, en hij luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek, dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een doode steeds eindigde met den ondergang van den levende.

Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen samurai voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen besprak hij de zaak met Shinzaburō, en vertelde hem tamelijk duidelijk, dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen volgens haar bewering woonden.

Het Geheim wordt onthuld.

Shinzaburō volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was, liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd bewogen. Shinzaburō herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: ”Wij gingen weg, en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten.” Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om den hals van den jeugdigen samurai.

Heilige Toovermiddelen.

Shinzaburō, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen, verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was, hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryōseki den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied.

Onbewogen luisterde Ryōseki naar het verhaal van Shinzaburō, daar hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige sutra, “Schatten-Regenende Sutra” genaamd, terwijl hij hem aanbeval, die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een opening in zijn huis plakken.

Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburō in orde gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht weerklonk van het opzeggen der “Schatten-Regenende Sutra”, terwijl het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den samurai heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug in het gemoed van Shinzaburō. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden, hoorde hij weer op nieuw het oude karan-koron, karan-koron, het zacht geklepper der spookachtige geta! Daarna hield het geluid op. Vrees en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburō. Hij hield op met het opzeggen der heilige sutra en keek naar buiten in het donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien; maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó groot was de macht van de heilige woorden van Buddha.

Het Verraad.

Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburō binnen te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozō en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozō uit ontzetttende vrees, dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten houden. Zij bedreigde Tomozō met haar afschuwelijken haat, als hij niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozō bijna van schrik bezweek.

Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozō, wakker en hoorde zij een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze hem met honderd ryō zou willen beloonen.

Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een akker de sutra, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburō binnen te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma.

Toen Tomozō den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de witte beenderen van een vrouw. De beenderen van “Morgendauw” waren gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem, die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn verderf was geweest.


1 Dit verhaal, hoewel door een Chineesch sprookje ingegeven, is, wat de locale kleur betreft, Japansch, en maakt op huiveringwekkende wijze de macht van Karma of het menschelijke verlangen duidelijk, waarover in Hoofdstuk X is gesproken. Wij hebben de voorstelling van Lafcadio Hearn gevolgd, zooals die voorkomt in ”In Spookachtig Japan”.

Hoofdstuk XIX. Kōbō Daishi, Nichiren, en Shodo Shohin.

“Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden van een donkeren nacht was uitgegaan.”

Namudaishi (Naar Arthur Lloyd).

De “Namudaishi”.

Kōbō Daishi1 (“Eer aan den Grooten Leeraar”), die in het jaar 774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shū, een Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook, dat hij de uitvinder is van het Hiragana lettergrepenschrift, een vorm van loopend schrift. In de Namudaishi, een Japansch gedicht over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kōbō Daishi uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant, en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kōbō Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger.

“Een Goddelijk Wonder.”

Kōbō Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden, waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht, en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kōbō Daishi als “een goddelijk wonder”. Terwijl hij te Muroto was in Tosa, en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de Namudaishi wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel, “maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel.”

In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek liet, zocht hij naar meer licht. “Velen zijn de wegen”, zoo sprak hij, “maar het Buddhisme is de beste weg van alle.” Gedurende zijn mystieke studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte, een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kōbō Daishi niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen, waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde, en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het wonderbaarlijke grensde.

Gohitsu-Oshō.

Toen Kōbō Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kōbō Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem Gohitsu-Oshō (“De Priester, die met vijf penseelen schrijft”).

Het schrijven op de Lucht en op het Water.

Terwijl Kōbō Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap, die aan den oever van een rivier stond. “Als gij Kōbō Daishi zijt”, zoo sprak deze, “wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is.”

Kōbō Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht, en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens, volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon.

Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kōbō Daishi: “Wij hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen schrijven op die stroomende rivier.

Kōbō Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel, en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd.

Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan.

Kōbō Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk, dat de knaap de ten had vergeten, een punt, die bij dit teeken behoorde. Toen Kōbō Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte, erkende de knaap, dat hij de ten had vergeten, en vroeg, of de beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kōbō Daishi dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak uit het water op en steeg ten hemel.

Hoewel de toovermacht van Kōbō Daishi die van den knaap overtrof, vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: “Ik ben Monju Bosatu, de Meester der Wijsheid”. Na die woorden te hebben gesproken, werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel.

Hoe Kōbō Daishi de Ten schilderde.

Bij zekere gelegenheid vergat Kōbō Daishi de ten op een tegel, die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst2. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kōbō Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de ten teekende en toen weer in zijn hand terugviel.

Kino Momoye en Onomo Toku.

Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens van Kōbō Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug naar de plaats, waar het vandaan was gekomen.

Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van den grooten Kōbō Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku zeide, dat het letterteeken Shu van den heilige veel meer had van het letterteeken “rijst”. Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden, berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het letterteeken Shu een menschelijke gedaante en werd het een reiniger van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde.

De Terugkeer van Kōbō Daishi.

Toen Kōbō Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en wierp hij zijn vajra3 over de golven der zee, en men vond die later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan.

Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kōbō Daishi naar zijn eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd met bloemen en boomen.

Kōbō Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari4, de God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. “Wij samen, gij en ik”, zoo sprak Kōbō Daishi, “zullen dit volk beschermen”.

De Dood van Kōbō Daishi.

Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters, op het kerkhof te Okunoin, in Kōya, waar hij begraven is. Zijn dood maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen, die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf, “werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Kōya gebracht en Kōbō zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen, de begrafenis-ceremoniën.” En ook dit was nog niet het einde van de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kōbō Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den tempel bezocht, waar Kōbō Daishi vereerd werd, niet in staat was, het gelaat van dien grooten heilige te zien, “leidde Kōbō de hand van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!”

Het Wonderdadige Beeld.

In Kawasaki is een tempel, aan Kōbō Daishi gewijd. De legende van die plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kōbō Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering, door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen.5

Nichiren.

Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven, omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni (den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden, een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit: “Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land regeeren.” Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit geloof trachtte hij de gewone mantra, Namu Amida Butsu weer te vervangen door Namu Myōhō Renge Kyō (“O, de Schrift van den Lotus der Wonderbaarlijke Wet!”)

Nichiren schreef Risshō Ankōku Ron (“Boek om het Land tot Rust te Brengen”), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische secten. Eindelijk was Hōjō Tokiyori verplicht hem voor den tijd van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier, die thans Yukiai genoemd wordt (“Ontmoetingsplaats.”)

De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige haar zag, zeide hij: “Neem weer uw natuurlijke gedaante aan.” Nadat de vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben.

Shōdō Shonin.

Shōdō Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shōdō Shonin op zekeren dag op reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek, dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen, met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde hem van den overkant deze woorden toe: “Ik zal u helpen, zooals ik vroeger Hiuen heb geholpen.” Na die woorden te hebben gesproken, wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom over te trekken. Toen Shōdō Shonin de andere oever had bereikt, verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen.


1 De naam van den heilige was bij zijn leven Kukai. Kōbō Daishi was een titel, die hem na zijn dood was gegeven, en onder dien naam is hij meestal bekend.

2 Van daar het Japansche spreekwoord: “Zelfs Kōbō Daishi schreef wel eens verkeerd.

3 Een werktuig, dan dient als betooveringsmiddel, en dat eenigszins op een bliksemflits gelijkt.

4 In een later tijdperk was Inari bekend als de Vossengod. Zie Hoofstuk V.

5 Murray, Handboek van Japan, door B.H. Chamberlain en W.B. Mason.

Hoofdstuk XX. Waaiers.

De Beteekenis van den Japanschen Waaier.

Hare wapenen zijn een glimlach en een kleine waaier.” Die aanhaling uit Yone Noguchi geeft slechts een beeld van één gedaante van den Japanschen waaier, de gedaante, waarmede wij, Europeanen, bekend zijn. De Japanschen waaier is niet alleen een sierlijk vrouwelijk speelgoed, dat gebruikt moet worden te zamen met een glimlach of met oogen, die van achter het ééne of andere voortreffelijk bloemenpatroon te voorschijn gluren. De waaier van Nippon heeft een bekoorlijke geschiedenis, die geheel valt buiten de innemende kunst van coquetteeren, en zij die in dit onderwerp belangstellen, doen goed, het werk van Mevrouw C.M. Salwey, Japansche Waaiers te bestudeeren. Daarin zal de lezer vinden, dat de waaier uit het Land der Rijzende Zon een aantal belangrijke diensten heeft bewezen. Hij is door oude krijgslieden op het slagveld gebruikt als een middel, hun bevelen kracht bij te zetten. Bij één gelegenheid was hij het mikpunt van den boog van Nasu no Yoichi, en hoewel de door de zon duidelijk uitkomende waaier in den wind wapperde, gebonden aan een stok, die aan den dolboord van één der schepen van de Taira bevestigd was, wist Yoichi hem neer te halen.

“Helaas, de waaier!

Nu wrakhout op zee.

De naam van vorst Nasu

Yoichi, bekwaam met den boog.

Is overal verspreid.”

Een bepaalde Japansche waaier van reusachtige grootte wordt gebruikt bij het feest der Zonnegodin in Ise. Er wordt een aardige geschiedenis verhaald omtrent de weduwe van Atsumori, die non was geworden, en die een priester had genezen, door hem te verkoelen door middel van den eersten dichtslaanden waaier, die door haar zou zijn uitgevonden. Één der meest belangrijke gedeelten van de Japanschen waaiers, zooals trouwens van de waaiers in het algemeen, is de haak, en daarover is de volgende legende bekend. Kashima stak bij zekere gelegenheid zijn zwaard door de aarde, met het doel de wereld te doen stilstaan, en aldus aardbevingen te voorkomen, een verschijnsel, dat nog steeds in Japan ontzettend veel voorkomt. Daarop veranderde het zwaard in steenen, en werd het Kanamé ishi of de Haakrots genoemd, en dit zou de oorsprong zijn van den naam Kanamé, die op Japansche waaiers wordt toegepast.

Mevrouw C.M. Salwey verhaalt ons in een artikel, dat tot titel draagt: Over symboliek en symbolische ceremoniën der Japanners1, dat de dichtslaande waaier een symbool is van het leven. Zij schrijft: “De haak aan het uiteinde is het symbool van den aanvang, de daarvan straalsgewijze uitgaande leden drukken den levensweg uit... De uitwendige deelen van het raam stellen de ouders voor, de inwendige de kinderen, om aan te toonen, dat kinderen hun geheele leven onder toezicht moeten staan.” Op het raam is dikwijls het oog van een kat aangebracht, wat een beeld is van het snel voortschrijden van den tijd, of ook wel vindt men er een reeks cirkels op, de ééne in den anderen geschakeld—een niet volledig patroon, dat moet aantoonen, dat “leven en wijsheid nooit kunnen worden uitgeput.”

Er is een legende met betrekking tot den Japanschen waaier, die allerliefst is, en waarbij noch van oorlog, noch van wijsbegeerte sprake is. Hoewel de verhalen van den Japanschen waaier wijd verspreid en van zeer afwisselenden aard zijn, de meer teedere zijde spreekt het sterkst tot ons. De Japansche waaier, waarop een liefdedicht is geschreven en waarbij een liefdeshistorie op den achtergrond staat, is de waaier, die altijd het dierbaarst zal zijn voor hen, die nog steeds in hun hart een plaatsje vrij hebben voor het romantische. De volgende legende is ontleend aan het Dagboek van een Winde.

De Liefde van Asagao.

“De morgenstralen

Hebben met bloemblad en bloemkelk in ’t ronde

Het hengsel van mijn emmer omwonden.

Ik wil niet gaarne verbreken de banden

Van die zachte lieflijke handen.

Den put en den emmer liet ik dus staan,

Ach, bied mij, beroofde, wat water aan”.

Uit het Japansch. (Naar Sir Edward Arnold.)

Komagawa Miyagi, een onderhoorige van één der daimio’s, kwam in een voorstad van Kyōto. Daar het een warme zomeravond was, huurde hij een boot, en terwijl hij al zijn zorgen op zijde zette, volgde hij met den blik een aantal meisjes met licht gekleurde kleeren, die bezig waren glimwormen te vangen. Die heldere insecten glinsterden in de lucht en op het gras, zoodat de lachende meisjes gelegenheid te over hadden, die levende juweelen te vangen, en ze een oogenblik in het haar te plaatsen, op haar opgehouden vinger, of tegen een zijden bloem op een kimono.

Terwijl Komagawa dit aardige tooneel gadesloeg, zag hij, dat één der dames moeite had met haar boot. Komagawa kwam haar onmiddellijk te hulp en dadelijk werd hij smoorlijk op haar verliefd. Zij bleven samen in een koelen inham der rivier toeven, en bekommerden zich niet langer om glimwormen, daar beiden vurig begeerden elkander hun liefde te betuigen.

Om hun huwelijksbeloften te bezegelen, ruilden beide gelieven, volgens een oud gebruik, hun waaiers. Op den waaier van Miyuki was een winde geteekend. Komagawa schreef een gedicht over die liefelijke bloem op zijn eigen waaier, voordat hij dien aanbood aan het meisje, dat hij beminde. Zoo wisselden zij niet alleen hun huwelijksbeloften, maar ook hun waaiers, en de winde zoowel in beeld als in vers werd het pand van hun trouw.

Na een tijd gingen de gelieven van elkander weg, om eenige dagen later elkander weer te Akasha te ontmoeten, waar hun booten toevallig vlak langs elkander heen voeren. Toen zij heel wat vriendelijke en lieve woordjes hadden gewisseld, keerden zij ieder naar hun eigen woning terug.

Toen Miyuki haar woning bereikte, nog stralend van geluk bij het denken aan haar trouwe liefde, ontdekte zij, dat haar ouders reeds een huwelijk voor haar hadden in orde gemaakt met iemand, dien het arme meisje nooit te voren had gezien.

Miyuki hoorde dat bericht met een droevig hart. Zij wist, dat kinderen verplicht waren, hun ouders te gehoorzamen, en toen zij op haar futon neerlag, deed zij haar uiterste best aan den wensen harer ouders te gehoorzamen. Maar de strijd bleek vruchteloos te zijn, immers het beeld van haar minnaar kwam haar voortdurend voor den geest, en evenzoo de rivier en de flikkerende glimwormen. Zij stond dus op, kroop het huis uit en wandelde naar een bepaalde stad, in de hoop Komagawa te vinden, doch bij haar aankomst bleek het haar, dat hij vertrokken was, niemand wist waarheen.

Die bittere teleurstelling trof Miyuki ontzettend, en dagen achtereen weende zij. Haar zilte tranen stroomden zóó aanhoudend, dat zij spoedig stekeblind werd, een even hulpeloos wezen als “een vogel zonder veeren of een visch zonder vinnen”.

Nadat Miyuki eenigen tijd aan haar smart had toegegeven, kwam zij tot de overtuiging, dat zij, als zij niet van gebrek wilde omkomen, iets moest doen, om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij besloot gebruik te maken van haar uitstekende stem, en op straat of in theehuizen te zingen. Haar stem, verbonden met haar schoon en roerend gelaat, vond onmiddellijk erkenning. Het publiek weende over haar droevig gezang zonder te weten waarom. Zij zong met voorliefde het kleine gedicht over de winde, dat Komagawa op zijn waaier had geschreven, daarom noemde het publiek, dat haar hoorde zingen, haar Asagao (“Winde”).

Het blinde meisje werd van de ééne plaats naar de andere geleid door haar vriendin Asaka (“Zachte Geur”) totdat deze door iemand vermoord werd, en Asayo dus alleen achterbleef, om haar duistere tochten te volbrengen, zonder een vriendelijke hand om haar te geleiden. Er was slechts één gedachte, die Asagao troostte, en dat was deze, dat zij misschien tijdens haar zwerftochten toevallig haar minnaar zou ontmoeten.

Toen een paar jaren voorbij waren gegaan, wilde het toeval, dat Komagawa, vergezeld van Iwashiro Takita, door zijn Daimiō voor zaken was uitgezonden. Op hun reis kwamen zij een theehuis binnen. Iwashiro Takita was knorrig en uit zijn humeur, en zat in somber stilzwijgen neder, zonder dat hij zich verwaardigde, op zijn omgeving te letten. Komagawa echter keek rond, en zag op een scherm het gedicht, dat hij op de winde had vervaardigd, hetzelfde gedicht, dat hij zoo liefdevol voor Asagao had opgeteekend. Terwijl hij over die zaak nadacht, kwam de eigenaar van het theehuis het vertrek binnen. Komagawa ondervroeg hem over dit kleine minnedicht, en de eigenaar van het theehuis deed het volgende verhaal:

“Het is een uiterst treurige geschiedenis”, zoo sprak hij. “Het gedicht werd gezongen door een arm blind meisje. Zij liep weg uit haar huis, omdat zij niet kon huwen met den man, dien haar ouders voor haar hadden gekozen. Zij was niet in staat in die verbintenis toe te stemmen, omdat zij reeds een minnaar had ‘en dien minnaar’ zoekt zij over het geheele land, steeds dit liedje over de winde zingend, in de hoop, dat zij te eeniger tijd het geluk mag hebben, hem te ontmoeten. Edele Heer, zij is juist op dit oogenblik in mijn theetuin!”

Komawaga kon nauwelijks zijn vreugde verbergen, terwijl hij verzocht, dat de eigenaar van het theehuis de blinde vrouw zou binnen brengen.

Een oogenblik later stond Asagao vóór hem. Hij zag in haar fijn en teer gelaat nog een nieuwe schoonheid, en wel die van de hoop, de schoonheid van een liefde, die helder en rein was gebleven gedurende de lange, droevige jaren van wachten.

Asagao tokkelde de samisen2. Liefelijk en zacht zong zij:

“De stroom van zilvren regen viel, zij bevochtigde d’arme winde,

De zachte dauw op de blaadjes en bloemen werd door de afgunstige zonne verwijderd.”

Komagawa luisterde gespannen toe, verlangend te mogen spreken, verlangend zijn liefde te openbaren, maar hij bleef zwijgen, omdat zijn slecht opgevoede reisgenoot in de kamer bleef. Hij keek naar haar donkere oogen, die naar hem toe gekeerd waren, maar zij waren zonder uitdrukking, daar zij niets konden zien. Nog steeds tokkelde zij de samisen, en nog steeds klonk haar stem liefelijk en zacht en onuitsprekelijk aandoenlijk in het vertrek. Met een diep bedroefd hart en zonder een woord van liefde stuurde hij haar weg met de gebruikelijke gave. Zij vertrok uit het vertrek, als het ware bewust van een nieuwe, bittere smart. Er was iets in de stem van haar begunstiger, dat bijzonder teeder was, iets dat haar diep trof, en dit deed haar hart pijn, en deed haar smartelijk aan, zonder dat zij wist waarom.

Den volgenden dag gaf Komagawa den eigenaar van het theehuis een waaier, terwijl hij zeide: “Geef dezen waaier met dit geld aan Asagao. Zij zal het wel begrijpen.” Na die woorden gesproken te hebben, vervolgde Komagawa met zijn metgezel zijn reis.

Toen Asagao den waaier had ontvangen, betastte zij dien heftig met haar kleine, witte vingers. “Wie heeft mij dien waaier en dat geld gegeven?” vroeg zij. “Ach, vertel mij, hoe de waaier er uit ziet. Is er ook een teekening van een winde op?”

De eigenaar van het theehuis keek haar vriendelijk aan. “Hij, voor wien gij gisterenavond gezongen hebt, gaf u dien waaier,” zeide hij. “Er is een teekening van een winde op”.

Asagao gaf een kreet van vreugde. “Gisterenavond,” sprak zij zacht, “was ik weer samen met mijn minnaar! En nu, en nu ......”

Op datzelfde oogenblik kwam een bediende uit de oude woning van Asagao, die zeide, dat hij door haar ouders was gezonden, om haar weer terug te brengen. Maar Asagao, die haar oude liefde getrouw bleef, besloot ook nu nog in haar tegenstand te volharden.

Nu wilde het toeval, dat de eigenaar van dit theehuis vroeger in dienst was geweest bij den vader van Asagao. Hij had in die hoedanigheid een groote misdaad gedaan, die den dood verdiende; maar de vader van Asagao had medelijden met hem gehad. Hij had hem met een som gelds ontslagen, waardoor de misdadiger in staat werd gesteld, een zaak voor zichzelf op te zetten. Bij deze gelegenheid dacht de eigenaar van het theehuis na over de goedheid, die hem betoond was, en besloot hij seppuki te plegen, opdat het kind van zijn vroegeren meester haar gezicht zou herkrijgen door middel van zijn lever.3

Zoo pleegde dus de eigenaar van het theehuis zelfmoord, en Asagao kreeg haar gezicht weer terug. Dienzelfden nacht trok zij, hoewel een vreeselijke storm was losgebroken, op weg, om haar minnaar te zoeken, vergezeld door een trouwe kleine schaar bedienden. Den geheelen nacht reisde het meisje over ruwe en hobbelige wegen. Zij lette nauwelijks op den heftigen regen of op haar bloedende voeten. Zij werd aangezet door een gelukkige liefde, door de zoete hoop, haar minnaar terug te zien.

Toen zij een berg beklom, die nu in het zonlicht baadde, verbeeldde zij zich een stem te hooren, die haar naam riep. Zij keek om zich heen en ontdekte Komagawa. Toen daalde vrede over haar neer. Al de ellende van een langdurig zoeken en bijna eindeloos wachten was voorgoed vergeten, en binnen korten tijd huwden de gelieven. De winde, of de glorie van den morgen, is een bloem, die slechts enkele uren bloeit; maar de liefde van Asagao had de schoonheid der winde, verbonden met de kracht en den langen levensduur van den pijnboom. In hun huwelijksleven bleven zij trouw aan de gelofte, die zij op hun waaiers hadden afgelegd, en na haar blindheid en na veel lijden kon Asagao haar liefelijk hoofd opheffen naar den dauw en den zonneschijn der beschermende armen van haar minnaar.


1 Asiatic Quarterly Review, October 1894.

2 “De samisen of ‘drie snaren’, dat nu het geliefkoosde muziekinstrument is van de zangmeisjes en van de lagere standen in het algemeen, schijnt eerst omstreeks 1700 uit Manilla te zijn ingevoerd”. Japansche Zaken, door B.H. Chamberlain.

3 De lever, zoowel van een mensch als van een dier, had, zoo meende men in Japan, merkwaardige geneeskundige eigenschappen. Er wordt dikwijls in Japansche legenden melding van gemaakt, maar het denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de vreemdste pharmacopee der geheele wereld, die van China.