Chimpanzee (Simia troglodytes).

Chimpanzee (Simia troglodytes).

Het verbreidingsgebied van den Chimpanzee is veel uitgestrekter dan dat van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië, op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch.

Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt Heuglin: „Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig, niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een witachtig behaard zitvlak.”

De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden Chimpanzee: „Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet gevorkten tak [13]onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond; eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken, geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom. Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft, wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.

Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen, misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn maal uitmaken.

Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden; terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig, verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten, vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer blijde, als men hem liefkoosde.

Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: „De Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.

„In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist, waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander, waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—„mijn man moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven, als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”

*

De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop, welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft, evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt, treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den jongen Aap gelijkt.

De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.; het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35 M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer dun behaard; des te langer en overvloediger [14]is de beharing echter aan de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht. Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard. Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter sterker behaard en donkerder van kleur.

Orang-Oetan (Pithecus satyrus).

Orang-Oetan (Pithecus satyrus).

De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan men lezen, dat er op de Indische bergen „saters” zijn, „zeer boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de, gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius, die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.

Hij zegt, dat hij eenige malen „boschmenschen” gezien heeft, zoowel mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende, kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, „dat zij ook op vier pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.

Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van eenigen anderen Anthropoïden Aap.

„Men weet,” zegt hij, „dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-, Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. [15]De hooge en droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou zijn.

„Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan, terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij, wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen, genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden, loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest, naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong; het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering, dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan afleggen.—„De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen, die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest gebouwd wordt. „Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, „klom de Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen. De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond, waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een hut bouwt.

„De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem, in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.

„Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die, welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen jongen.

„De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt, zeide mij: „Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen, beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een ander opperhoofd vertelde mij: „De Majas heeft geen vijanden; geen dier durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt, grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van kant.”

„Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd, keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden. De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren, zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn [16]arm nooit meer goed gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed, om dezen aan zijn verzameling toe te voegen.

Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli 1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM. langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht, gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef, geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen, schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed, nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde, toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte. Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in de schaal en zoog den inhoud gretig op.

Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken. Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren. Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak.

Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk een aardig schouwspel opleverde.

Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te hebben, of het slot open ging.—Toen men eens een van de ringen van haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij, men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken.—Met de vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw.—Vaak vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig.—Als zij door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag.

Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd; zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een groote houtzaag.

Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende ziekte.—

Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft, bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw, waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij boven den knoop om hem aldus [17]los te maken. Vrolik teekent hierbij aan: „Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den Zoölogischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat ook de tweede knoop van zelf losliet.”

De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de kern op.

Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen. Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond, en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM. langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren. Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij de Apen opmerkt.

Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en stierf veertien dagen later.1


Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem. Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige leden der orde te onderscheiden.

De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M. hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte, dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren schreeuwen zij veel.

Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock), de Lar of [18]Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland. De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere, op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden; kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam, onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn, eenstemmig bewonderd.

Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12 of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is, alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend. Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken. Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle beweging.

Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt besteed.

Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker, Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen; zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene bewondering. [19]

Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne tembaarheid en aanhankelijkheid. „De aardige, liefkoozende wijze, waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1⁄7 v.d. ware grootte.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1⁄7 v.d. ware grootte.


De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.

Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen (Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang. [20]

Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien worden, een zeer genoeglijk leven.

Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de Hoelman, Hamman of Hanoeman, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent, maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à 1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard zijn en de stijve kam van vooruitstekende haren, die boven de oogen aanwezig is, zijn zwart; de korte baard is geelachtig van kleur.

De Hoelman neemt niet de laagste plaats in onder de tallooze godheden van de Hindoes, en verheugt zich reeds sedert ondenkbare tijden in deze eer. De reus Ravan roofde, volgens de oud-Indische sage, Sita, de gemalin van Schri-Rama, en bracht haar naar zijn woning op het eiland Ceylon; de Koning der Apen echter bevrijdde de dame uit haar gevangenschap en voerde ze naar haar gemaal terug. Ook hielp hij Rama bij de verovering van Ceylon. Sedert dien tijd wordt hij als held vereerd. Veel wordt er verteld van zijne geestkracht en vlugheid. Een der meest geschatte vruchten, de mango, heeft men aan hem te danken; hij stal haar uit den tuin van den reus. Tot straf voor dezen diefstal werd hij tot den vuurdood veroordeeld—door wie, meldt de historie niet—; hij echter bluschte het vuur, maar verbrandde zich daarbij het gelaat en de handen, die sedert dien tijd zwart zijn gebleven. Om al deze redenen hebben de Brahminen hem vergood.

Reeds sedert vele jaren heeft men de levenswijze van dezen Aap in zijn vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen, zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen, en de leden er van dragen den titel „Rama met den staart”, omdat hun stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu, die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen; het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis, belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een lichaamsdeel was.

In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen; zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten, ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats kiezen. [21]

Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen, en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen.

Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt.