Mandril of Boschduivel (Cynocephalus mormon). 1⁄10 v.d. ware grootte.
Wij noemden den Guereza de schoonste van alle Apen, met hetzelfde recht kunnen wij den Mandril (Cynocephalus mormon) als den leelijksten aanwijzen. Als hij oud geworden is, verdient hij in alle opzichten, zoowel om zijne lichamelijke eigenschappen als wegens zijn gemoed, een afschuwelijk beest genoemd te worden. Zijn lichaam is zeer krachtig, men zou haast zeggen eenigszins plomp gebouwd; de kop is afzichtelijk leelijk, het gebit werkelijk vreeswekkend, de beharing eigenaardig ruig en borstelig; de kleur van de onbehaarde lichaamsdeelen is in den hoogsten graad schel en afstootend. Ieder haar is zwart en olijfgroen geringd, waardoor de beharing van de rugzijde een donkerbruine, olijfgroen getinte kleur verkrijgt; de haren aan de borst zijn geelachtig, die aan den buik witachtig, die van de zijden licht bruinachtig; de kinbaard is hel citroengeel; achter het oor bevindt zich een grijsachtig witte vlek. De handen en de ooren zijn zwart, de neus en hare omgeving zijn vermiljoenrood, de opzwellingen langs de wangen korenbloemen-blauw, de hierin voorkomende groeven zwart; de eeltplekken en andere achterdeelen zijn rood en blauw. De oude mannetjes bereiken een lengte van 1 M. en meer, bij ongeveer 60 cM. hoogte in de schoften, het staartstompje daarentegen is weinig langer dan 3 cM.
De Dril (Cynocephalus leucophaeus) is een weinig kleiner dan zijn stamgenoot; de vacht is aan de bovendeelen olijfbruin, van onderen en aan de binnenzijde witachtig, de wangbaard is vaal witachtig, het aangezicht zwart; de handen en voeten zijn koperkleurig bruinachtig.
Het is opvallend genoeg, dat van het leven in vrijen toestand van deze beide Apen, die reeds sedert zoovele jaren in gevangenschap zijn waargenomen, niets zekers bekend is. Beide soorten zijn van de kust van Guinea afkomstig, en worden hoofdzakelijk van de Goudkust naar Europa vervoerd. Naar gezegd wordt, leven beide soorten tot troepen vereenigd in bergachtige bosschen, deels op rotsen, deels op boomen; zij verlaten echter niet zelden hunne gewone verblijfplaatsen om de nabijliggende volksplantingen te bezoeken en hier naar hartelust te plunderen. Men zegt ook, dat benden van deze dieren de dorpen overvallen en, bij afwezigheid van de mannen, de vrouwen en kinderen mishandelen. Men verhaalt, dat de inboorlingen den Mandril meer vreezen dan den Leeuw, nooit een strijd met hem wagen, ja zelfs niet eens de bosschen durven bezoeken, waarin deze Aap zich ophoudt, behalve wanneer de mannen in grooten getale en met goede wapens voorzien, een echten kruistocht tegen hunne vijanden ondernemen.
Een jonge Mandril is een allerliefst dier, dat op uitstekende wijze de rol van komiek vervult te midden van een uitgelezen gezelschap van stamgenooten in het apenhuis; hij is een liefhebber van potsen en dolle streken van allerlei soort, met een onverstoorbaar goed humeur begaafd, en in weerwil van zijn onverbeterlijke onbeschaamdheid geenszins afkeerwekkend. Maar al te spoedig komt hierin verandering, veel vroeger dan bij andere Bavianen; reeds na verloop van weinige jaren vertoont de Mandril zich in al zijn afschuwelijkheid. De toorn van andere Apen is, volgens de woorden van een Engelschen schrijver, „het zachte suizen van den [41]wind in vergelijking met de woede van den Mandril, die op een van de ontzettende, alles vernielende orkanen, der keerkringslanden gelijkt”. Zijn hartstochtelijkheid is grenzeloos. Als hij toornig wordt, geraakt hij in een vreeselijken toestand van opgewondenheid, vergeet alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand. Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer, maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers.
Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze onderzoeker het volgende: „Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd, uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig, vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar boosaardigheid niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het duurde lang, voordat zij—door een doelmatige, vriendelijke behandeling tot kalmte gebracht—ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.”
„Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen—lekkere vruchten, zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz.—medebrachten, hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en de overige dieren (de Cimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand kwam.
„Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven. De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren, nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed, zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en het hem afgevleid moest worden.”
*
Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard, die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze Aap iets minder dan 1 M. lang.
Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft. Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap Comorin uit.
Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; [42]ook die, welke nu behandeld moeten worden—de Apen van de Nieuwe Wereld—, kunnen dit gevoel wekken of versterken, daar zij in belangrijke opzichten afwijken van de Smalneuzen, die in het oostelijk halfrond de orde der Apen vertegenwoordigen.
Hoewel de Breedneuzen of Apen met breed neusmiddelschot (Platyrrhini) zeer merkwaardige wezens zijn, kunnen zij echter niet, of althans slechts bij uitzondering schoon genoemd worden; bijna alle zijn onbeholpener, trager, droefgeestiger en geesteloozer dan de Apen van de Oude Wereld; terecht noemt men ze veel onschuldiger, goedaardiger en onschadelijker dan deze; maar juist daarom zijn het geen echte Apen. Want deze zouden ons niet voldoen zonder hunne kenmerkende eigenschappen, zonder hun vroolijkheid, dartelheid, overmoedigheid, onbeschaamdheid, ja zelfs, zou ik er bij willen voegen, zonder hun nutteloosheid. Wij zijn er nu eenmaal aan gewoon, in deze merkwaardige wezens caricaturen van ons zelf te aanschouwen, en gevoelen ons onbevredigd, als zij dit alleen naar het uitwendige en niet tevens naar het inwendige zijn.
Alle Breedneuzen verschillen door den bouw van den stam en van de ledematen, alsook door het tandenstelsel, van hunne verwanten in het oostelijk halfrond. Hun lichaam is gewoonlijk rank; de ledematen zijn slank; de staart ontbreekt nooit en wordt ook nooit geheel rudimentair; daarentegen doet hij dikwijls dienst als een vijfde hand, daar hij aan den top door krachtige spieren opgerold en derhalve als grijporgaan gebruikt kan worden. De duim van de voorhanden kan niet zoo goed aan de overige vingers tegenovergesteld worden als die van de achterhanden. Het gebit bestaat niet uit 32 tanden, zooals bij de Menschen en bij de Apen van de Oude Wereld, maar uit 36. Deze vermeerdering komt vanwege het aantal valsche of kleine kiezen, waarvan er in elke kaakhelft (in plaats van 2) 3 zijn. Wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak komen bij hen nooit voor. Het neusmiddelschot is breed. Geen enkel lid van deze familie bereikt een voor de Apen aanzienlijke grootte, geen van hen heeft een vooruitstekenden snuit. Hun kleur, hoewel bij verschillende soorten zeer uiteenloopend, is nooit zoo bont als die van vele Aziatische en Afrikaansche Apen.
Het verbreidingsgebied van de Breedneuzen is beperkt tot Zuid-Amerika. De 29e graad N.B. vormt ongeveer de noordelijke grens van dit gebied. In westelijke richting is het begrensd door den Andes-keten, naar het oosten door den Atlantischen Oceaan en ten zuiden door den 25en graad Z.B.
Alle Breedneuzen zijn uitsluitend boomdieren en behooren dus vooral in de oerwouden tehuis. Van waterrijke of moerassige gewesten houden zij meer, dan van droge. Op den bodem dalen zij slechts in gevallen van uitersten nood af; ook gaan zij niet, evenals de andere dieren dezer orde, naar het water om te drinken; maar laten zich bij slingerplanten, overhangende takken en dergelijke hulpmiddelen tot op den waterspiegel zakken, zoodat zij drinken zonder de takken te verlaten. Het is wel mogelijk, dat enkele dezer dieren honderden van mijlen afleggen, zonder op hun weg ooit met den bodem in aanraking te komen. De boomen bieden hun alles aan, wat zij noodig hebben; want hun voedsel bestaat uitsluitend uit allerlei plantdeelen, Insecten, Spinnen, vogeleieren of jonge nestvogels, en honig; slechts weinige begeven zich nu en dan naar een plantage om haar te plunderen.
De meeste leden dezer familie zijn overdag bezig, eenige weinige soorten zijn schemering dieren of echte nachtdieren. Zoowel deze als gene zijn in wakende toestand vlug en behendig; toch zijn er onder hen uiterst trage soorten, als ’t ware de Orang-Oetans van de Nieuwe Wereld. Alle kunnen voortreffelijk klimmen, vele maken hierbij, zooals reeds gezegd werd een uitmuntend gebruik van hun voor dit doel uitstekend geschikten staart. Deze is in den letterlijken zin van ’t woord onmisbaar voor vele van deze overigens zeer onhandige dieren; zij zouden zich zonder dit orgaan niet kunnen redden. Hun onhandigheid maakt een voortdurende beveiliging van het lichaam tegen het vallen noodig, en deze wordt hun in alle omstandigheden door den grijpstaart (p. 43) of den rolstaart (p. 47) verschaft. Bijna in iedere houding, ook gedurende de diepste rust, slingeren de bedoelden Apen hun staart om het een of ander voorwerp, zij het dan ook slechts om een van hun eigen lichaamsdeelen. Van dit merkwaardig geschenk der natuur, welks spierkracht die van de andere lichaamsdeelen ver overtreft, en welks spits zich door fijngevoeligheid onderscheidt, maken zij gedurende hun kalm leven een zeer uitgebreid gebruik; het verschaft hun eenige vergoeding voor het gemis van de vlugheid naar lichaam en geest, die hunne overzeesche verwanten kenmerkt. Maar toch nemen de echte boomapen van de Oude Wereld, hoewel zij dit hulpmiddel missen, onder de Apen zonder eenigen twijfel den eersten rang in, wat de geschiktheid tot springen en klimmen betreft. Wanneer de Apen van de Nieuwe Wereld zich op den grond bewegen, gaan zij bijna altijd op alle vier ledematen en doen dit steeds waggelend en op een onbeholpen wijze.
Hunne geestvermogens zijn veel geringer dan die van hunne smalneuzige verwanten. Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid, eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte eigenschappen ontbreekt het hun dus niet;—de goede hoedanigheden van de Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden. Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens.
Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk; soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid, weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die [43]men hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen, en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van teerhartige dames, weten te verwerven.
Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld. Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt.
Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen, en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het lichaam van een Aap bekleedde.
Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier, want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere dieren het leven te benemen.
Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die zij levend wenschen te bezitten. „Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk, „een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt, wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd heeft.”
Er komen betrekkelijk niet vele soorten van deze apenfamilie in de Europeesche diergaarden voor, en ook deze ziet men er niet algemeen. Het meest ziet men Rolapen op onze wilde-dierenmarkt, veel zeldzamer een Slinger-, hoogst zelden een Eekhoornaap, een Saki of een Nachtaap. Voor zoover mij bekend is, zijn slechts weinige exemplaren van Brul-apen in levenden toestand in Europa aangekomen.
De Breedneuzen worden verdeeld in twee onderfamiliën, waarvan wij aan die der Grijpstaartapen (Cebidae) den voorrang geven. Door hun grijpstaart onderscheiden zij zich van de leden der andere groep, die der Slapstaartapen (Pithecidae).
*
Van de Grijpstaartapen willen wij het geslacht der Brulapen (Mycetes) het eerst behandelen. Hun romp is ineengedrongen, hun kop hoog, piramidevormig, de snuit vooruitstekend; de duim van de voorhand is dun. Het dichte haarkleed is aan de kin bij wijze van een baard verlengd. Als een eigenaardig kenmerk van de Brulapen, moeten wij in de eerste plaats het blaasvormig gezwollen tongbeen vermelden. Alexander von Humboldt was de eerste natuuronderzoeker, die dit orgaan ontleedde. „Terwijl de kleine Amerikaansche Apen,” zegt hij, „die als Musschen tjilpen, een eenvoudig, dun tongbeen hebben, ligt de tong bij de groote Apen op een groote, beenige trommel. Het strottenhoofd heeft zes zakken, waarin de stem blijft hangen en waarvan twee, die den vorm van een duivennest hebben, veel gelijken op het onderste strottenhoofd der Vogels. De jammerende toon, die aan den Brulaap eigen is, ontstaat, als de lucht met geweld de beenige trommel binnenstroomt. Als men bedenkt, hoe groot deze beenige doos is, verwondert men zich niet meer over de sterkte en den omvang van de stem dezer dieren, die hun naam met het volste recht dragen.” De staart van de Brulapen is zeer lang, met een aan de onderzijde onbehaard uiteinde voorzien, rijk aan zenuwen en bloedvaten en zeer gespierd; dit orgaan is dus zeer geschikt tot grijpwerktuig.
De Brulapen zijn zeer verbreid; zij worden in bijna alle landen en gewesten van Zuid-Amerika aangetroffen. Bij voorkeur bewonen zij dichte, hoogstammige en vochtige wouden; in de steppen komen zij alleen daar voor, waar de afzonderlijke boomgroepen zich vergroot hebben tot kleine bosschen, in welker nabijheid water te vinden is. In droge streken vestigen zij zich in ’t geheel niet, van koelere gewesten zijn zij minder afkeerig.
De Aloeate of Roode Brulaap (Mycetes seniculus) heeft een roodachtig bruine, op het midden van den rug goudgele vacht; de haren zijn kort, min of meer stijf en aan hun onderste gedeelte effen van kleur; het wolhaar ontbreekt. De lengte bedraagt 1.35 M., waarvan trouwens 70 cM. op den staart komen. Het wijfje is kleiner en donkerder van kleur.
Bij den Caraya of Zwarten Brulaap (Mycetes niger) is het haar aanmerkelijk langer en eenkleurig zwart, slechts aan de zijden een weinig roodachtig, bij het wijfje ook aan de onderzijde geelachtig. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1.3 M., waarvan de helft op den staart komt. Dit dier komt alleen in Paraguay voor, de Aloeate echter in het geheele oosten van Zuid-Amerika.
De Brulaap behoort tot die Amerikaansche dieren, waarmede de reizigers reeds sedert den aanvang van het geschiedkundig tijdperk in dit werelddeel bekend geworden zijn. De eerste berichten waren natuurlijk zeer onvolledig en met vele fabels vermengd. Eenige van deze fabels zijn ook nu nog in omloop onder de Indianen en de blanken, die de genoemde Apen alleen [44]van hooren zeggen kennen. Wij laten deze verhalen achterwege en bepalen ons tot de mededeelingen van ervaren onderzoekers.
„Na mijn aankomst”, zegt de door zijne uitmuntende beschrijvingen bekende Schomburgk, „had ik bij het op- en ondergaan van de zon het verschrikkelijk gehuil van de talrijke Brulapen uit het oerwoud tot mij hooren komen, zonder dat het mij op mijne zwerftochten gelukt was, de dieren zelf te vinden. Toen ik mij eens op een morgen met een jachtgeweer gewapend naar het oerwoud begaf, klonk mij van daar opnieuw een uit de verte komend woest gehuil tegemoet, dat mijn jachtlust sterk aanwakkerde. Ik snelde daarom door dik en dun op het gebrul af, en bereikte na veel inspanning en lang zoeken, zonder opgemerkt te worden, het geraas makende gezelschap. Vóór mij op een hoogen boom zaten zij, en voerden een allerverschrikkelijkst concert uit; het was alsof alle wilde dieren van het woud daar bijeengekomen waren, om met elkander een strijd op leven en dood te voeren. Om billijk te zijn, mag ik echter niet verzwijgen, dat er tusschen de zangers een soort van overeenstemming bestond. Soms zwegen alle leden van het over den geheelen boom verspreide gezelschap, alle tegelijkertijd, en bleven in rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die ik voor uitgezette schildwachten hield;—zoo zij dit waren, vervulden zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun nabijheid.”
Zwarte Brulaap (Mycetes niger). ½ v.d. ware grootte.
Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin hij behagen kan scheppen.
Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op [45]in de hoogste boomen van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten; zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos nagedaan.
Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen. Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien. Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt gespeld. „Zij zijn,” zegt hij, „zoo bang voor het water, dat zij eerder verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.” Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen heeft.
Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: „Hij leeft in kleine troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in verschillende houdingen iets lager zaten. Plotseling begon de oude met een afgrijselijk rochelende stem „Rochoe, rochoe” te schreeuwen, en liet, nadat hij dit vijf- of zesmaal achtereen gedaan had, hierop een gebrul volgen, waarmede alle overigen zoo krachtig instemden, dat men vreezen moest er doof van te zullen worden. Dit geluid is zoo sterk, dat men het in stille nachten wel 2 uren ver (?) hooren kan. Toen Pichegru en zijne gezellen van Cayenne naar Suriname vluchtten, joeg het gebrul van de Tijgers hun veel schrik aan; blijkbaar is dit gebrul niets anders geweest dan het geschreeuw van den Brulaap; stellig zal iedereen, die dit geluid voor de eerste maal hoort, en niet weet, dat het van onschadelijke Apen afkomstig is, er door met vrees vervuld worden. Waarom deze dieren zoo schreeuwen, weet men niet. In de kolonie gelooft men, dat zij het alleen doen, als de vloed komt opzetten; dit is echter een dwaling, want men hoort het schreeuwen op elken tijd van den dag. De Brulaap is traag en droefgeestig; hij springt alleen, als hij vervolgd wordt; in alle andere gevallen klautert hij behoedzaam op de boomen rond, terwijl hij zich met den staart vasthoudt. Jong gevangen dieren worden zeer tam en gezellig; zij spelen wel met Katten en Honden, maar zijn meestal treurig. Als de persoon, waaraan de Brulaap zich gehecht heeft, voor eenigen tijd afwezig is, dan hoort men den Aap aanhoudend rochelen en schreeuwen, hetwelk hoogst onaangenaam is. Bovendien verbreidt hij een eigenaardigen walgelijken reuk, die zoo sterk is, dat men de nabijheid van Brulapen in het woud gemakkelijk door den reuk kan gewaar worden. Zij brengen slechts één jong ter wereld. Hun voornaamste vijand is de „Kuif-Arend.”
Als men op Brulapen schiet, loopen zij zoo schielijk mogelijk weg; zelfs ongewonde dieren laten soms gedurende hun vlucht uitwerpselen vallen; dit is geregeld het geval bij zwaar gewonde dieren, die zich niet meer redden kunnen, vooral als zij van den eenen boom op den anderen willen overgaan, en in den hoogsten angst geraken. Een hoogst vermakelijken indruk maakt het, te zien hoe een van de bijna half volwassene jongen in den eersten schrik een van de oude mannetjes op den rug springt, om spoediger voort te kunnen komen; maar door een krachtige oorvijg van den vertoornden man onderricht wordt, dat het bewijzen van dezen ongevraagden liefdedienst niet tot de plichten van den familievader behoort.
Onze beste geweren kunnen trouwens niet concurreeren met de blaaspijp, het vreeselijk en toch zoo eenvoudig wapen der Indianen. Daarom valt het den Roodhuiden veel gemakkelijker dan ons, om Brulapen te dooden. In weerwil van de onovertroffen behendigheid, waarmede zij hun wapen weten te gebruiken, beklimmen zij, om zeker te zijn van hun schot, toch gaarne een naburigen boom en zenden uit diens top het doodelijk werptuig naar de argelooze bende.
In een groot deel van Paraguay wordt op de Brulapen ijverig jacht gemaakt. Hun vel is als pelswerk gezocht en het vleesch wordt door de Indianen gaarne gegeten.
Slechts zelden geeft men zich de moeite een Brulaap te temmen; bovendien biedt de opvoeding van deze dieren eigenaardige moeilijkheden aan. Rengger zag er slechts twee tam, die beide meer dan een jaar oud waren. Zij werden met allerlei boombladen gevoederd, en gaven hieraan de voorkeur boven ieder ander voedsel. Van verstand was bij hen weinig te bespeuren: zij gaven niet veel meer om hun oppasser dan om vreemdelingen en lieten zich niet tot iets africhten.—Van andere getemde Brulapen verhaalt Von Wied, dat zij voor hun heer een buitengewone genegenheid gevoelden, en dat zij jammerlijk begonnen te schreeuwen, als deze zich slechts voor een oogenblik verwijderde. Hun traagheid, droefgeestigheid en knorrigheid, benevens de knersende, rochelende stem, die de jongen dikwijls laten hooren, maakt ze echter voor iedereen, zelfs voor hun meester, onaangenaam en afkeerwekkend.
*
Een uiterst slank lichaam met lange, zeer schrale ledematen, kenmerkt de Slingerapen (Ateles). De natuuronderzoeker, die ze het eerst „Spin-Aap” noemde, heeft ze den naam gegeven, die het meest overeenkomt met den indruk, dien zij wekken;—zelfs de leek komt onwillekeurig tot zulk een vergelijking. Om de dieren duidelijk te omschrijven, willen [46]wij er alleen nog maar aan toevoegen, dat de kop zeer klein, het aangezicht baardeloos, en de duim van de voorhand zeer kort en gebrekkig ontwikkeld, bij sommige soorten zelfs in ’t geheel niet zichtbaar is. A. Vosmaer (1768) zegt van den Slingeraap (Ateles paniscus), die door hem Boschduivel wordt genoemd: „Eenige jaren geleden zag ik dezen Aap voor de eerste maal te Amsterdam in de diergaarde van den heer Bergmeier. Het was met een ketting en ring vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zijn staart om dat koord zoo vast te slaan, dat hij, zonder zich verder vast te houden, daaraan hing, allerlei grimassen maakte en verwonderlijk slingerde. Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hij daar zoo vast mede, dat het zeer deed.”
Zuid-Amerika tot den 25en Z.-B.-graad is het vaderland van de Slingerapen, de kroon van de hoogste boomen hun plaats van verblijf.
Hun leven is, naar het schijnt, buitengewoon eenvormig en ook voor de verschillende soorten in hoofdzaak gelijk. „Zij leven”, zegt Tschudi in overeenstemming met andere onderzoekers, „in troepen van 10 à 12 stuks; somtijds treft men ze ook paarsgewijs, niet zelden zelfs alleen aan. Gedurende verscheidene maanden zagen wij een alleen levenden Aap van dit geslacht voortdurend in hetzelfde gebied, dit was een mannetje van nog niet hoogen leeftijd; zooals bleek, toen hij gedood werd. De aanwezigheid van een troep Slingerapen verraadt zich door het voortdurend ritselen der boomtakken, die zij zeer behendig ombuigen, om, zonder gedruisch te maken, verder te klimmen. Het aangeschoten dier laat een luid gillend geschreeuw hooren en tracht te ontvluchten. De zeer jonge dieren verlaten hun moeder niet, zelfs wanneer deze gedood is; zij houden haar vast omklemd, en liefkozen haar nog als zij reeds geheel verstijfd aan een boomtak hangt; het is daarom zeer gemakkelijk de jongen te vangen. Het kost geen moeite ze te temmen; zij zijn goedmoedig, gemeenzaam en aanhankelijk, maar blijven in de gevangenschap niet lang in leven. Zij lijden vaak aan uitslag en buikloop, en maken dan zeer jammerlijke gebaren.”
Tusschen de soorten van Slingerapen, bestaat slechts een gering verschil. Van die, welke in Guyana voorkomen, zijn vooral zeer veelvuldig: de Koata of Coaita (Ateles paniscus) en de Marimanda of Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer 40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine oogen een innemende uitdrukking.
In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht en een kort stompje op de plaats van den duim.
De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de voorhand is een kort stompje zonder nagel.
De schoonste van alle Slingerapen is waarschijnlijk die, welke eerst onlangs door den jongen Bartlett in het oosten van Peru gevonden is, en ter eere van zijn ontdekker Bartlett’s Slingeraap (Ateles Bartletti) wordt genoemd. De goedgevulde, lange, zachtharige vacht heeft aan de geheele boven- en buitenzijde een donkerzwarte kleur; een streep over het voorhoofd is goudgeel, de wangbaard is wit; de onderzijde van romp en staart, de binnenzijde van de ledematen en de buitenzijde van het onderbeen zijn bruinachtig geel, een weinig lichter van kleur dan de streep over het voorhoofd, hier en daar gespikkeld door de aanwezigheid van enkele zwarte haren. Alle onbehaarde gedeelten van het aangezicht en van de handen zien er bruinachtig zwart uit. De grootte van dezen prachtigen Aap schijnt overeen te stemmen met die van de hem verwante soorten.
Humboldt, Prins Max von Wied en Schomburgk hebben ons het leven der Slingerapen in vrijen toestand leeren kennen. In Guyana vindt men ze slechts in de donkerste wouden, niet hooger dan 500 M. boven den zeespiegel: zij vermijden het kale woud der hooger gelegen streken geheel. In den regel vindt men ze tot benden van ongeveer zes stuks vereenigd, zeldzamer alleen of bij paren en nog minder dikwijls in grootere gezelschappen. Elk van deze benden gaat gedurende het zoeken van ’t voedsel kalm en rustig haar gang zonder zich om andere ongevaarlijke wezens te bekommeren. Hun beweging verdient den naam van vlug, wanneer men haar met die der Brulapen vergelijkt. De geschiktheid tot klimmen en loopen op de boomen wordt bevorderd door de aanzienlijke lengte van de ledematen. Daar zij met de lange armen verafgelegen steunpunten kunnen bereiken, snellen zij, zelfs zonder groote inspanning, zoo vlug voort, dat de jager volstrekt geen tijd te verliezen heeft, als hij hen volgen wil. In hunne boomtoppen bewegen zij zich behendig: zij klauteren zeer goed en doen soms kleine sprongen. Bij alle bewegingen werpen of slingeren zij hunne ledematen op een zonderlinge wijze heen en weer. De staart wordt gewoonlijk vooruitgezonden om een steunpunt te zoeken, voordat de Aap er toe komt om den tak waarop hij zit, te verlaten. Somtijds vindt men een aantal Slingerapen, die aan den staart hangen, tot een zeer in ’t oog vallende groep vereenigd. Met zelden zit of ligt de familie in trage rust, op takken en twijgen, zich behaaglijk in de zon te koesteren; de kop is dan dikwijls achterover gebogen, de armen zijn op den rug over elkander gelegd, de oogen omhoog gericht. Op den vlakken bodem hompelen zij met moeite voort; men zou medelijden met hen kunnen krijgen, als men ze ziet gaan. Hun gang is in de hoogste mate wankelend en onzeker, en de lange staart, die, om het evenwicht te bewaren, wanhopig heen en weer bewogen wordt, doet den indruk van onbeholpenheid, welke door deze bewegingswijze gewekt wordt, nog toenemen. Geen der Europeesche natuuronderzoekers heeft trouwens ooit Slingerapen op den bodem gezien. [47]Prins Max von Wied beweert, dat zij, zoolang zij gezond zijn, slechts dan op den grond afdalen, als het hun onmogelijk is geworden van uit de laagst groeiende takken het water te bereiken, om op hun eigenaardige wijze te drinken. Men maakt ijverig jacht op hen. De Portugeezen gebruiken hun vel, de wilden eten hun vleesch, vele Indiaansche stammen verkiezen dit wild boven al het overige.
Men ziet deze dieren niet zeer dikwijls in den gevangen staat. Hier te lande behooren zij altijd nog tot de zeldzaamheden. Toch zijn zij wel in staat om de genegenheid van den mensch te wekken. Moedwil en boosaardigheid zijn hun vreemd, en hun toorn, die zij door grimassen te kennen geven, gaat even schielijk voorbij, als hij gekomen is. Door hunne zonderlinge houdingen en lichaamsverdraaiingen weten zij iemand bezig te houden. Een goede behandeling is aan hen welbesteed; zij trachten haar te beloonen door liefkoozingen.
*
De Rolstaartapen of Rolapen (Cebus) verschillen van de Grijpstaartapen, doordat hun staart tot aan den top geheel behaard is, wèl om een tak gewikkeld kan worden, maar als eigenlijk grijporgaan niet deugt. Terwijl de reeds besprokene geslachten van Breed-neuzige Apen in onze dierentuinen tot dusver tot de zeldzaamheden behooren, ziet men deze of gene vertegenwoordiger van de Rolstaartapen bijna in ieder beestenspel. Deze Apen onderscheiden zich van de vroeger behandelde door hun lichaamsbouw. De schedel is rondachtig; de armen zijn slechts middelmatig van lengte, de handen hebben vijf vingers. Een meer of minder ontwikkelde baard versiert het aangezicht, voor ’t overige is de beharing dicht en kort.
Men zou de Rolstaartapen de Meerkatten van Amerika kunnen noemen. Zij gelijken veel op deze vroolijke klanten, hoewel meer door hunne handelingen dan door hun gestalte. Zij zijn echte Apen, d.w.z. beweeglijke, leerzame, moedwillige, nieuwsgierige en wispelturige dieren. Juist daarom worden zij door den mensch veel vaker getemd dan alle overige Apen van de Nieuwe Wereld, en worden zij veelvuldiger naar Europa overgebracht. Aan hun schreierige, zachte stem hebben zij den naam „Huilende” Apen te danken. Men hoort deze stem echter alleen, zoolang zij goed gehumeurd zijn. Bij de geringste opwinding schreeuwen en krijschen zij op een afschuwelijke wijze. Zij leven uitsluitend op boomen en zijn hier even goed thuis, als hunne overzeesche verwanten op de mimosa’s en tamarinden. Reeds in den voortijd waren zij in Brazilië inheemsch, ook thans is dit het geval en bevolken zij in grooten getale de uitgestrekte wouden van de zuidelijke staten. Men vindt ze hier tot vrij talrijke gezelschappen vereenigd en dikwijls gemengd met andere, hun verwante soorten.
Tsjamek (Ateles pentadactylus) ⅕ v.d. ware grootte.
In de gevangenschap toonen de Rolstaartapen bijna alle eigenaardigheden van de Meerkatten en menige andere bovendien. Ondanks hun (zelfs onder de Apen buitengewone) onzindelijkheid zijn zij de lievelingen van de Indianen, bij welke men ze in getemden staat ontmoet. Evenals de Bavianen houden zij van bedwelmende en dronkenmakende middelen. „Als men,” zegt Schomburgk, „een tammen Rolstaartaap tabaksrook toeblaast, of hem een snuifje voorhoudt, wrijft hij zich het geheele lichaam met een echt wellustige opgewondenheid en sluit de oogen. Dezelfde verrukking geeft hij te kennen na het ontvangen van een aangestoken sigaar. Thee, koffie, brandewijn en andere opwekkende dranken brengen een soortgelijke uitwerking teweeg.”—A. Vosmaer (1770) zegt van een dezer dieren, dat in Suriname Meekoê of Mico genoemd wordt: „De bijzondere eigenschap waarom [48]wij hem den naam van Fluiter gegeven hebben, is aanmerkelijk. Verscheidene Apen maken een min of meer fluitend geluid, doch deze bezit die kunst meesterlijk, zoodat men wezenlijk dacht, dat er iemand floot. Het geluid was eentonig, zeer hard, doch verflauwend, en dit herhaalde hij dikwijls uit zich zelf, tot vermaak; want, als hij boos was, schreeuwde hij.—Gelijk bijna alle andere dieren van zijn geslacht, at en dronk hij bijna alles, maar inzonderheid was hij een groot liefhebber van eieren en van Spinnen, die hij overal opzocht. Zeer graag dronk hij jenever, op welk een en ander de stalknechts in des vorsten rijschool, daar hij hier verscheidene jaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden.”
Van alle Rolstaartapen is de Gay of Sai, de Kapucijner-aap (Cebus capucinus) waarschijnlijk de meest bekende. In de taal der Guaranen beteekent „Gay” „bewoner van het woud”; dit woord is echter door de Europeanen dikwijls verkeerd gebruikt en thans minder algemeen bekend geworden dan de genoemde, Nederlandsche, met het oog op het haarkleed werkelijk zeer toepasselijke naam. De Kapucijner-aap behoort, naar men zegt, tot de grootste soorten van de groep; zijn staart kan 35, het overige lichaam 45 cM. lang worden; in den regel zijn de exemplaren, die naar Europa komen, kleiner. Hun duidelijkste kenmerk is het reeds in de vroegste jeugd naakte, gerimpelde of geplooide, licht vleeschkleurige voorhoofd. Grootendeels is de huidkleur meer of minder donkerbruin; de dun behaarde slapen, de bakkebaard, de keel, de borst en de buik alsmede de bovenarm zijn lichtbruin.
Het verbreidingsgebied van den Kapucijner-aap strekt zich tot beneden den Zuider-Keerkring en tot over de Andes uit. Van Bahia tot Columbia is hij overal gemeen. Hij geeft de voorkeur aan bosschen, waarvan de bodem niet met struikgewas begroeid is. Het grootste deel van zijn leven brengt hij door in de boomen; want deze verlaat hij in den regel alleen, wanneer hij drinken of een maïs-veld bezoeken wil. Hij heeft geen vaste woonplaats. Over dag zweeft hij van boom tot boom om voedsel te zoeken, des nachts rust hij uit tusschen de dooreengekronkelde boomtakken. Gewoonlijk ontmoet men deze dieren vereenigd tot kleine familiën van 5 à 10 individuën, die voor ’t meerendeel wijfjes zijn. Soms, doch zelden vindt men oude mannetjes, die alleen leven. Men kan de levenswijze van het in vrijen toestand verkeerende dier moeielijk nagaan, omdat het zeer schuw en vreesachtig is: Rengger zegt, dat hij slechts door een toeval in de gelegenheid kwam hierover waarnemingen te doen. Eens werd zijn aandacht getrokken door welluidende, fluitende tonen; opziende, zag hij een oud mannetje op de naastbijgelegen boomkruin nader komen; hem volgden 12 of 13 Apen van beiderlei geslacht; de wijfjes droegen ieder een jong gedeeltelijk op den rug, gedeeltelijk onder den eenen arm. Plotseling merkte een der Apen een nabijstaanden sinaasappelboom met rijpe vruchten op; hij liet eenige geluiden hooren en sprong op den boom toe. Weinige oogenblikken later was het geheele gezelschap daar verzameld, en hield zich bezig met het plukken en eten van de zoete vruchten. Toen de boom half geledigd was, trachtten de sterkste Apen de zwakkere hun eigendom te ontrooven; zij trokken de vreemdsoortigste gezichten, lieten de tanden zien, pakten elkander bij ’t haar en waren duchtig aan ’t kibbelen. Andere doorzochten een dood gedeelte van den boom, lichtten de droge schors behoedzaam op en verslonden de hieronder huizende larven van Insecten. Toen zij zich verzadigd hadden, gingen zij in de houding, die reeds bij de Brulapen (p. 44) is aangegeven, lang uit liggen op een horizontalen tak om uit te rusten. De jonge dieren begonnen met elkander te spelen en gaven daarbij bewijzen van groote behendigheid. Zij schommelden zich aan hun staart, of klommen hierbij als langs een touw omhoog.
In Januari werpt het wijfje één jong; gedurende de eerste weken draagt zij het aan de borst, later evenwel op den rug. Nooit verlaat de moeder haar kind, zelfs niet wanneer zij gewond is. Wel merkte Rengger op, dat een wijfje, welker onderbeen verbrijzeld was door een kogel van zijn jachtgezel, haar zuigeling van de borst nam en op een tak zette; waarschijnlijk evenwel geschiedde dit meer met het doel om de zuigeling buiten gevaar te brengen, dan om zichzelf verlichting te verschaffen.
De Kapucijner-aap wordt dikwijls gevangen en getemd. Oude dieren raken niet licht aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen te treuren, willen niet eten, laten zich nooit temmen en sterven gewoonlijk na weinige weken; de jonge Aap daarentegen vergeet licht zijn vrijheid, sluit zich bij de menschen aan, en gebruikt, evenals vele andere dieren zijner orde, na korten tijd dezelfde spijzen en dranken als de mensch. Hij heeft, evenals alle leden van zijn geslacht, een zachtaardig voorkomen, dat niet in overeenstemming schijnt met zijne groote behendigheid en slimheid.
Onder de zintuigelijke vermogens van het dier staat het tastgevoel bovenaan; de overige zintuigen zijn zwak. Hij is bijziende en kan des nachts in ’t geheel niet zien; hij hoort slecht, want men kan hem gemakkelijk besluipen. Nog zwakker schijnt de reuk te zijn: hij houdt ieder voorwerp, dat hij besnuffelen zal, dicht bij den neus en wordt toch vaak genoeg door den reuk bedrogen: verleid om voorwerpen te proeven, die, zooals het smaakzintuig hem later leert, oneetbaar zijn.
De geluiden, die men van den Kapucijner-aap hoort, verschillen naar gelang van zijn gemoedstoestand. Het meest hoort men van hem een zacht gefluit, dat, naar het schijnt, als een bewijs van verveling moet worden beschouwd. Hij steent, als hij iets hebben wil. Verwondering of verlegenheid geeft hij te kennen door een eenigszins scheller gefluit; als hij toornig is, schreeuwt hij met zware en grove stem herhaaldelijk „hoe, hoe!” Bij vrees of smart wordt krijschen, bij vroolijke gebeurtenissen daarentegen grinniken vernomen. Door dezelfde geluiden deelt de apenhoofdman in vrijen toestand aan zijne onderhoorigen zijne gewaarwordingen mede. Deze worden trouwens niet alleen, door geluiden en bewegingen geopenbaard, maar ook door een gebaar, dat op lachen of weenen gelijkt. In het eerste geval worden de mondhoeken teruggetrokken, doch geen geluiden gemaakt. Bij het weenen vullen zich de oogen met tranen, die echter nooit over de wangen vloeien.
Niet zelden komt het voor, dat de Kapucijner-aap in de gevangenschap jongen werpt. De genegenheid voor de jongen schijnt in deze omstandigheden nog grooter te zijn dan bij het leven in de vrije natuur. De moeder bemoeit zich gedurende den geheelen dag met haar kind, duldt niet, dat een mensch het aanraakt, toont het alleen aan lieden, waarvan zij veel houdt en verdedigt het moedig tegen ieder ander.
Onze Aap is zeer gevoelig voor koude en vochtigheid. Uit eigen beweging gaat hij nimmer te water. Ook heeft men nimmer waargenomen, dat hij zich [49]door zwemmen tracht te redden. Wel weet men, dat hij spoedig naar de diepte zinkt, als hij in ’t water wordt geworpen. In de gevangenschap is hij onderhevig aan vele ziekten, vooral aan verkoudheid en hoesten; evenals zijne verwanten uit de Oude Wereld lijdt hij maar al te vaak aan tering. Volgens de schatting van Rengger zou de ouderdom, die dit dier bereiken kan, omstreeks 15 jaar bedragen.