Faun-Aap (Cebus fatuellus).—Kapucijner-Aap (Cebus capucinus). ⅙ v.d. ware grootte.

Faun-Aap (Cebus fatuellus).—Kapucijner-Aap (Cebus capucinus). ⅙ v.d. ware grootte.

De geestes-eigenaardigheden van den Kapucijner-aap zijn ten volle onze aandacht waard. Reeds in de eerste dagen van zijn gevangen leven leert hij zijn meester en verzorger kennen, zoekt bij hem voedsel, warmte, bescherming en hulp, vertrouwt hem volkomen, verheugt zich, als hij met hem mag spelen, laat zich al zijne plagerijen welgevallen, toont na een scheiding bij het wederzien een uitgelatene vreugde en geeft zich ten slotte zoozeer aan zijn heer over, dat hij zijn vrijheid geheel vergeet en half een huisdier wordt. Hij sluit trouwens niet alleen met den mensch vriendschap, maar ook met de kinderen, waarmede hij opgevoed wordt. In Paraguay wordt hij niet zelden opgevoed met een jongen Hond, die hem als rijpaard moet dienen. Als hij van dezen gescheiden wordt, begint hij luid te schreeuwen; bij het wederzien overlaadt hij hem met liefkoozingen. Zijn genegenheid gaat ook met zelfopoffering gepaard; bij vechtpartijen met andere Honden verdedigt hij zijn vriend met grooten moed.

Geheel anders wordt het karakter van dezen Aap, wanneer hij mishandelingen heeft te verduren. Als hij zich sterk genoeg acht, tracht hij geweld met geweld te keeren, en bijt den mensch, die hem kwaad doet. Als echter zijn tegenstander hem vrees inboezemt, neemt hij zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn vijand te overvallen.

Ook de Kapucijner-aap is zeer snoeplustig; wanneer zijne dieverijen ontdekt worden, leert hij spoedig in ’t geheim te stelen en daarbij allerlei listen en knepen in toepassing te brengen. Op heeter daad betrapt, zal hij uit vrees voor straf dadelijk luid schreeuwen; wanneer daarentegen zijn misdrijf verborgen blijft, gedraagt hij zich zoo argeloos en onbekommerd, alsof er niets gebeurd is. Kleine voorwerpen worden ingeval van nood in den mond verborgen en eerst later opgegeten. Zijn hebzucht is zeer groot. Wat hij bezit, laat hij zich zoo licht niet weer ontnemen, hoogstens kan zijn meester dit doen, ingeval deze zich zeer bemind heeft weten te maken. Behalve deze eigenschappen merkt men zoowel nieuwsgierigheid als vernielzucht in hooge mate bij hem op.

Slechts noode onderwerpt hij zich aan den wil van den mensch. Daarentegen beijvert hij zich, andere wezens, zelfs menschen, nu eens door liefkoozingen, dan weer voor dreigementen naar zijn hand te zetten. Op zijn leerlust heeft dit een zeer verkeerden invloed: hij leert alleen datgene, wat hem voordeel oplevert, b.v. doozen openen, de zakken van zijn meester doorzoeken enz.

De Apella of Bruine Rolstaartaap (Cebus apella) leeft in Guyana. Zijn kleur is niet gemakkelijk te beschrijven, daar deze zeer verschillend is. Zijn lichaamsbouw is tamelijk gedrongen; de betrekkelijk goed gevulde vacht bestaat uit glanzige haren, die boven het voorhoofd en aan de beide zijden van den kop zich tot een hooge kuif verheffen, en in ’t aangezicht een baard vormen; hun over ’t algemeen bruinzwarte kleur gaat op den rug, den staart en de dijen in zwart over; het aangezicht en de keel zijn gewoonlijk lichter en op de kruin komt geregeld een donkere streep voor. Dikwijls zijn ook de zijden van den romp en de pooten helder kastanjebruin van kleur. In grootte komt deze Aap met den Kapucijner-aap overeen.

Van het leven van den Apella in de vrije natuur geeft Schomburgk de volgende uitvoerige beschrijving: „Dicht tegen een boom aangedrukt, wachtten wij de apenbende af. De voorhoede verscheen voor ons; het hoofdleger volgde spoedig; ongeveer een kwartier later kwam de laatste troep, dien ik trouwens door een uitbundig gelach, dat ik niet meer inhouden kon, spoedig in wilden haast de vlucht deed nemen. Wie zou hier dan ook het lachen hebben kunnen laten, bij het zien van de overdreven haast en bewegelijkheid waarmede de vlugge dieren zich op de takken voortbewogen, [50]bij het hooren van het klagen, fluiten en zingen van de zwakkere leden van het gezelschap, bij het opmerken van de boosaardige blikken, die zij op hunne sterkere gezellen wierpen, omdat zij, deze in den weg komend, door hen gebeten en geslagen werden. Men kon zich niet bedwingen bij het zien van de oude mannetjesachtige gelaatstrekken van de op moeders rug als ’t ware vastgelijmde jongen, en bij het waarnemen van den ernst, waarmede gedurende de reis op ieder blad, in iedere spleet naar Insecten gezocht werd terwijl nu en dan een vliegende Vlinder of een vluchtende Kever met de grootste behendigheid gevangen werd. Met zulke grimassen waren misschien ongeveer 400 of 500 Apellas over ons weggeijld (want een andere beweging schijnen zij in ’t geheel niet te kennen), toen ik aan den drang tot lachen niet langer weerstand kon bieden. Als door den donder getroffen bleven de vlak boven ons aanwezige Apen een oogenblik bewegingloos staan, lieten toen een eigenaardig geschreeuw hooren, dat vóór, achter en naast ons zijn echo vond; alle keken angstig in alle richtingen, totdat zij ons bemerkten; toen keken zij ons een oogenblik aan, herhaalden hun geschreeuw nog schriller dan de eerste maal, en vlogen nu met dubbel zoo groote sprongen in den letterlijken zin van ’t woord over ons heen, zonder dat eenige andere toon dan het vermeerderde gedruisch in de takken gehoord werd.”

De Apella wordt zeer veelvuldig naar ons werelddeel overgebracht, en is daarom in dierentuinen en beestenspellen vaak genoeg te vinden. De Savoyaarden, die het geheele zuiden van Europa doorwandelen, gebruiken hem, evenals sommige Meerkatten, om het hart van gegoede lieden met beter gevolg te verteederen, dan met hunne draaiorgels kan geschieden. De muziek van deze dikwijls erbarmelijk ontstemde werktuigen is in de straten van Frankrijk, Spanje en Italië zoo gewoon, dat geen mensch meer let op den armen smeekeling, die de vroolijke muze te hulp roept, en met klanken en liederen de harten wil roeren. Ach! juist deze tonen sluiten de harten voor hem; zij wekken wrevel op, en de beurs blijft gesloten. Nu gaat op bevel en in ’t belang van den toonkunstenaar de tamme Meerkat, Apella, of Apollo-aap aankloppen aan de gesloten harten der menschen. Het dier is gebonden aan een lang, dun touw, dat grootendeels om de hand van zijn meester gewikkeld is; deze laat het touw vieren, en op de klanken van de Marseillaise of van ’t een of ander straatdeuntje klimt de kleine bedelaar bij regenwaterpijpen omhoog, loopt langs dakgoten en kroonlijsten, gaat van de eene verdieping naar de andere, tot hij de dakkamers bereikt heeft. Hij verschijnt aan ’t venster, een kind merkt hem op, een luide juichkreet wordt gehoord, het regent suikergoed en ander gebak in zijn nabijheid—ach, had hij maar wangzakken;—maar er valt ook menige sou, menige cuarto, menige soldo voor zijn beneden wachtenden meester: de Aap heeft het hart van ’t kind geopend en het kindermondje den geldbuidel van de ouders losgeknoopt. Het dier werpt ieder geldstuk, dat het ontvangt, zijn meester toe; deze zamelt beneden vroolijk in, zoolang hem van omhoog nog iets wordt toegeworpen, en trekt dan verder met zijn helper in ’t bedelen, om eenige weinige huizen verderop het spel te hervatten.

De Faun-aap (Cebus fatuelles) onderscheidt zich voor een in twee bundels verdeelde kuif. De oostkust dan Brazilië is zijn vaderland.


In de tweede onderfamilie van de Breedneuzen vereenigen wij de Slapstaarten (Pithecidae), voor ’t meerendeel kleine of middelmatig groote Apen, welke van die der vorige onder-familie verschillen door hun slappen, geheel en al behaarden, voor ’t grijpen ongeschikten staart, welks wervels van voren naar achteren gestadig in dikte afnemen.

De Pluimstaartapen (Pithecia) hebben ineengedrongen lichaamsbouw, die door de lange en losse beharing nog plomper schijnt, dan hij werkelijk is, betrekkelijk krachtige ledematen en een dikken, ruigen staart, die naar den spits toe meestal met langere haren bezet is. Het haar van ’t bovenste deel van den kop is mutsvormig gescheiden, dat van de wangen en van de kin vormt een meer of minder langen, dichten volbaard.

Het verbreidingsgebied van de weinig talrijke soorten van dit geslacht is tot de noordelijke gedeelten van Zuid-Amerika beperkt. Hier bewonen zij hooge, droge wouden zonder kreupelhout en vermijden de nabuurschap van andere Apen. Volgens Tschudi zijn zij schemeringdieren, welker werkzaamheid eerst na zonsondergang begint, en tot het opgaan van de zon voortduurt; overdag slapen zij, en zijn dan moeilijk op te jagen, omdat zij hun tegenwoordigheid door geen gedruisch verraden, en zich alleen, als zij vervolgd worden, vlugger bewegen. Hoewel gemakkelijk te temmen, blijven zij toch in de gevangenschap dikwijls knorrig en verdrietig, en als zij overdag waken, toonen zij zich traag of treurig. „Overal, waar de boomkronen aan den oever dicht bebladerd zijn,” schrijft Schomburgk, „vond ik troepen van Apen in de takken, en wel het meest de werkelijk lieve Pluimstaartapen. Het fraai gescheiden, lange hoofdhaar, de weelderig ontwikkelde baard aan kin en wang, de lang behaarde staart, welke aan dien van een Vos herinnert, verschaffen aan deze dieren, die zoo helder en verstandig kijken, een ongemeen lieftallig, maar tevens een zeer grappig voorkomen.”

In de groote bosschen langs den bovenloop van den Maranon en den Orinoko wordt de meest algemeen verbreide soort van dit geslacht zeer veelvuldig aangetroffen. Deze is de Satan-aap, de Kuxio van de Indianen (Pithecia satanas), een dier van 55 cM. lichaamslengte met een bijna even langen staart. De nagenoeg volkomen ronde kop is gekenmerkt door een soort van muts, die uit niet zeer lange, dicht aanliggende haren bestaat, welk van een gemeenschappelijke kruin aan het hoogste gedeelte van het achterhoofd uitstralen en op het voorste gedeelte van den kop een scheiding vertoonen. De wangen en de kin zijn omgeven door een dikken, zwarten baard. Geen dandy zou baard en haar beter in orde kunnen houden dan dit schoone dier, zegt Kappler. De beharing van het bovenlijf is dicht, maar niet lang, die van de onderzijde daarentegen dun; de staart is zeer ruig. De volwassen mannetjes en wijfjes hebben een zwarte, aan den rug roetkleurig-vaalgele, de jongen een bruinachtig-grijze kleur. Velerlei afwijkingen komen veelvuldig voor. Volgens Kappler wordt dit dier in Guyana Xiu (Schiu) genoemd; het dier is hier niet veelvuldig, leeft in kleine familiën van 4 à 6 individuën en verdraagt de gevangenschap zelden goed.

Een tweede soort van dit geslacht, de Witkop-aap (Pithecia leucocephala), vertoont vele van ouderdom en sekse afhangende afwijkingen, en draagt daarom verschillende namen. Hij bewoont Guyana en de landen [51]langs den Amazonenrivier, leeft meer in het struikgewas dan op hooge boomen, is vereenigd tot gezelschappen, die in den regel uit minstens 6 en hoogstens 10 individuën bestaan, en schijnt een vrij traag dier te zijn. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit bessen en andere vruchten benevens honigraten. De wijfjes brengen één jong ter wereld en dragen dit langen tijd op den rug. Kappler bevestigt deze berichten, en voegt er bij, dat deze Aap gemakkelijk getemd kan worden, maar altijd vreesachtig en droefgeestig blijft.

Ook van het leven van den zwartkoppigen Pluimstaartaap (Pithecia melanocephala) is nog niet veel bekend, hoewel hij zich vaak aan de inboorlingen vertoont, naar men uit het groot aantal namen die hij draagt, kan afleiden. De inboorlingen noemen hem Cacajao, Chucuto, Chucuzo en Caruiri. Mono-feo of „leelijke Aap” en Mono-Rabon of „Kortstaart.” De laatstgenoemde naam heeft sedert eenigen tijd de voorkeur verworven; want men heeft den Cacajao (met eenige andere op hem gelijkende soorten, die zich door hun korten, behaarden staart aanmerkelijk van alle overige Apen van de Nieuwe Wereld onderscheiden) tot een afzonderlijke groep vereenigd en deze Kortstaarten (Brachyurus) genoemd.

De Cacajao is ongeveer 45 (met den staart echter 60) cM. lang. Zijn dichte, gladde vacht heeft aan de schouder en de zijden langere haren, maar is aan ’t onderlijf zeer dun. In den nek komt een haarkruin voor; van waar de haren naar den kop gericht zijn. De baardgroei is aan de wangen niet weelderig. De dunne, korte staart draagt een dikken, aan ’t einde afgeknotten haarkwast. De vingers zijn zeer lang en sterk. Het dier is op den rug grijsgeel, van achteren roestkleurig rood, aan ’t onderbeen en de voeten zwart. De haren van den kop en van de voorarmen zijn glanzig zwart, evenals de onbehaarde huid van het aangezicht. De in gevangenschap levende dieren zijn vraatzuchtig en stompzinnig, evenwel niet boosaardig, maar vreesachtig en onderworpen. Het zien van een Krokodil of van een Slang veroorzaakt hun zulk een vrees, dat zij over al hunne leden sidderen.

Witkop-aap (Pithecia leucocephala). ½ v.d. ware grootte.

Witkop-aap (Pithecia leucocephala). ½ v.d. ware grootte.

Het vaderland van dezen Aap is het noordwesten van Brazilië ten noorden van den Amazonen-stroom, doch vooral de bosschen langs de oevers van de rivieren van Nieuw-Granada en Ecuador; naar men zegt, komt hij echter nergens veelvuldig voor. Hij is slechts éénmaal levend naar Europa gebracht.

*

Een slank lichaam met slanke ledematen en een zeer langen, dunnen en slappen staart, een ronde kop met baardeloos gelaat en korten snuit, heldere oogen en groote ooren, vijfteenige handen en voeten kenmerken een kleine groep van Amerikaansche Apen, die, wegens hunne vlugge bewegingen, Springapen (Callithrix) genoemd worden.

De Springapen leven, tot kleine gezelschappen vereenigd, in de stille wouden van Zuid-Amerika en trekken hier door hun luide stem zeer de aandacht. Deze stem, welke na die van de Brulapen, de krachtigste en verst hoorbare is, welke bij de daar inheemsche Apen voorkomt, verraadt hun aanwezigheid reeds van verre aan den jager, die ze wegens hun malsch en lekker vleesch ijverig vervolgt. Zij zijn buitengewoon zachtaardig van natuur, en worden in de hoogste mate tam en aanhankelijk. [52]

Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de Weduwen-aap (Callithrix lugens). Zijne lengte bedraagt 90 cM., waarvan 50 cM. voor den staart gerekend moeten worden. „Dit kleine dier,” zegt Alexander von Humboldt, „heeft fijn, glanzig, fraai zwart haar; op zijn aangezicht bevindt zich een witachtige, in ’t blauwe spelende, onbehaarde plek, waarin oogen, neus en mond staan; zijn klein, goed gevormd, bijna onbehaard oor heeft een omgebogen rand. Voor aan den hals ziet men een witte streep, die ongeveer 2½ cM. breed is, en een halsband vormt; de voeten zijn zwart, evenals het overige lichaam, de handen echter van buiten wit en van binnen glanzig zwart. Deze witte lichaamsdeelen worden door de zendelingen vergeleken met den sluier, den halsdoek en de handschoenen van een weduwe in rouwgewaad.”

Deze in ’t zuiden van Venezuela inheemsche Aap gaat alleen als hij eet, op de achterste ledematen staan. Zijn gemoedsaard is anders dan zijn uiterlijk zou doen vermoeden. Schijnbaar is hij schuchter en zachtaardig. Wanneer hij echter vrij is in zijne bewegingen, zal hij bij ’t zien van een Vogel zeer opgewonden worden, met verbazende behendigheid klimmend en loopend dit dier besluipen, het als een Kat bespringen, en elke prooi dooden die hij grijpen kan.

*

Als overgangsvormen tusschen de Breedneuzen met slingerstaart en die met slappen staart kan men de Saimiri’s (Chrysothrix) beschouwen. Deze Apen zijn slank gebouwd; zij hebben lange ledematen en een zeer grooten, sterk verlengden, vooral van achteren ontwikkelden kop met hoog voorhoofd, kort aangezicht, groote, dicht bij elkander geplaatste oogen en eenvoudige, groote oorschelpen. De vacht bestaat uit haren, die met verschillend gekleurde ringen geteekend zijn en is niet zeer gevuld.

De meest bekende soort is het Doodshoofd-aapje, ook wel Titi genaamd (Chrysothrix sciurea); het onderscheidt zich door zijn bevallige gedaante en fraaie, aangename kleur en evenzeer door de sierlijkheid zijner bewegingen en door zijn vroolijkheid. Het is een der schoonste Apen van de Nieuwe Wereld. Zijn eenigszins afschrikwekkende volksnaam zou een zeer verkeerd denkbeeld kunnen geven van de uitdrukking van zijn gelaat; het dier dankt dien alleen aan een hoogst oppervlakkige en bij nauwkeuriger beschouwing dadelijk verdwijnende overeenkomst. Het zeer slank gebouwde Doodshoofd-aapje heeft een zeer langen staart; zijn fijne vacht is aan de bovenzijde roodachtig zwart (bij zeer oude exemplaren echter helder oranjegeel), aan de ledematen grijs gesprenkeld en aan de onderzijde wit. Bij sommige exemplaren heeft de grijze kleur de overhand; bij andere is de kop koolzwart, het lichaam kanariegeel met zwart doorsprenkeld, de ledematen goudgeel. De totale lengte bedraagt ongeveer 80 cM., de staart is 50 cM. lang.

Dit lieve diertje heeft hoofdzakelijk Guyana tot vaderland; het bewoont vooral de rivieroevers van dit rijk gezegende gebied. Het leeft daar tot groote gezelschappen vereenigd. Volgens Schomburgk is het in dit land een der meest verbreide Aap-soorten. Evenals de daar voorkomende Kapucijner-apen bevolkt hij in talrijke groepen, uit honderd en meer stuks bestaande, niet het hoogstammige woud, maar het struikgewas van den woudzoom, zoowel aan de kust als in heuvelachtige gewesten tot op 600 M. hoogte boven den zeespiegel. Niet zelden komen zij te midden van Kapucijner-apen voor. Overdag vindt men ze voortdurend in beweging. Den nacht brengen zij in de kronen der palmen door, die hun de veiligste schuilplaats bieden. Dit dier is zeer schuw en vreesachtig: des nachts durft het zich niet te bewegen; overdag neemt het onmiddellijk de vlucht, zoodra het eenig gevaar, hoe gering ook, opmerkt. Dan ziet men de bende in lange reeksen over de boomkronen wegtrekken. De leidsman, die de geheele optocht regelt, brengt zijne onderhoorigen, dank zij hunne vlugge bewegingen, zeer spoedig in veiligheid.

Kappler heeft in Guyana gedurende 26 jaren altijd drie van deze Aapjes gehouden, en als er een van stierf, steeds het getal weder aangevuld. Volgens hem worden zij Akalimas en Kaboeanamas genoemd. „Zij zijn zeer wakker en altijd in beweging, hoewel zij ook over dag een slaapje doen; zij zijn echter zeer gevoelig voor koude. Ik kreeg ze altijd zeer jong, en kon ze spoedig aan melk, brood en rijpe bananen gewennen. In den eersten tijd liet ik ze vrij in de kamer rondloopen, waar zij dan uren achtereen als kleine kinderen op hun duim zogen. Wegens hun aardig, wit gezichtje, met het scherp begrensde kophaar, den zwarten mond, de groote, heldere oogen, en wegens hun opgewekten, vertrouwelijken aard waren zij ieders lievelingen. De valschheid, die aan vele Apen eigen is, komt bij hen niet voor; wel wordt hun toorn licht opgewekt, maar even spoedig herkrijgen zij hun goed humeur. Zonder aanleiding trachten zij nooit te bijten; bij goede behandeling zijn zij de onschuldigste, vroolijkste diertjes, die men zich denken kan. Dikwijls, als zij vrij rondliepen, gingen zij op de Zwijnen zitten, en lieten zich door de savannahs ronddragen. Iederen avond om 5 uur, nadat de luiken der besten vertrekken gesloten waren, werden zij los gelaten. Dan begon een dol jagen en stoeien op den broodvruchtenboom en de kokospalmen achter het huis; dit duurde, totdat het donker was, dan kwamen zij uit zich zelf terug, om in hun huisje opgesloten te worden. Ofschoon zij Insecten eten, kunnen zij, naar het schijnt, de vergiftige niet van de andere onderscheiden; drie van mijne dieren stierven, omdat zij de Vlinders van de Kokosrups opgegeten hadden. Leerzaam zijn zij niet; hun verstand is veel geringer dan dat van den Kapucijner-aap. Als zij zich prettig gevoelen, spinnen zij als jonge Katten; bij schrik laten zij een kort afgebroken gehemeltegeluid hooren, bij toorn schreeuwen zij als Eksters. De meeste werden mij van ’t zeestrand gebracht, waar zij vlug op de awarra-palmen rondspringen, ofschoon deze over en over met 8 cM. lange, naaldscherpe stekels bezet zijn. De Indianen schieten de moeders, als zij hunne jongen nog op den rug hebben, of schudden de jongen van de boomen af, wanneer zij daar door de moeders neergezet zijn, Zelden krijgt men een mannetje in handen; bijna alle exemplaren, die mij gebracht werden, waren wijfjes.”

*

De Nachtapen zijn vertegenwoordigers van een geslacht (Nyctipithecus). Aan Azara danken wij de eerste berichten over dit geslacht, een der merkwaardigste van de geheele Apen-orde. Kort na hem werd het door Humboldt, later door Rengger en Schomburgk, eindelijk ook door Bates beschreven. Deze dieren vormen in zekeren zin den overgang van de Eigenlijke Apen tot de Half-Apen, die evenals zij een nachtelijke levenswijze hebben en ook in andere opzichten op hen gelijken. Aan den kop en de uitdrukking van het gelaat zijn zij dadelijk te onderscheiden van alle tot dusver genoemde Apen; deze eigenaardigheden [53]karakteriseeren hen zeer goed. De kleine rondachtige kop heeft groote oogen, welke aan die van Uilen herinneren; de snuit steekt weinig vooruit en is breed en groot; de neusgaten zijn benedenwaarts gericht, de ooren klein. Hun romp is langgerekt, zacht en los behaard; de eenigszins ruige staart is langer dan het lichaam. De nagels zijn samengedrukt en gebogen.

Het schrale lichaam van den Mirikina (Nyctipithecus trivirgatus) is 35 cM., de staart 50 cM. lang. De kleur van de vacht is aan de bovendeelen grijs-bruin, meer of min roestkleurig; de staart heeft een zwarte spits. Op de kruin komen drie even breede, zwarte, onderling evenwijdige streepen voor; van den nek tot aan het begin van den staart strekt zich een breede, helder geelachtig bruine streep uit.

Het verbreidingsgebied van den Mirikina omvat het oosten van tropisch Zuid-Amerika, waar hij echter slechts in enkele gewesten voorkomt. Rengger beweert, dat dit dier in Paraguay alleen aan den rechteroever van den stroom (en daar niet verder zuidwaarts dan 25° Z.B.) gevonden wordt, zich aan den linker oever echter niet ophoudt. Van zijn leven in vrijen toestand is slechts weinig bekend. Hij brengt zijn leven op en in de boomen door, gaat gedurende den nacht voedsel zoeken, en verschuilt zich des morgens in een gat van een boom om hier overdag te slapen. Bij het brandhout inzamelen vonden de lieden van onzen natuuronderzoeker eens een paartje van de Apen, die in een hollen boom sliepen. De uit hun slaap opgeschrikte dieren trachtten dadelijk te ontvluchten, waren echter door het zonlicht zoozeer verblind, dat zij geen juisten sprong maken en ook niet goed klimmen konden. Zij werden daarom zonder moeite gevangen, ofschoon zij zich met hunne scherpe tanden zochten te verdedigen. Het leger bestond uit bladen, belegd met een soort van mos, dat op de boomen groeit; hieruit schijnt te blijken, dat deze dieren op een bepaalde plaats leven en geregeld in hetzelfde leger gaan rusten. Rengger beweert, dat men altijd slechts één paar van deze dieren vindt, dat zij nooit grootere gezelschappen vormen; Bates bericht echter, dat dit wel gebeurt.

De jonge Mirikina laat zich licht temmen, de oude daarentegen blijft altijd wild en bijtlustig. Met zorg behandeld, verdraagt hij de gevangenschap goed; bij onzindelijke verzorging leeft hij echter niet lang. Men houdt hem in een ruim hok of in de kamer; men laat hem vrij rondloopen, daar hij licht in het touw verward raakt, wanneer men hem vastlegt. Gedurende den geheelen dag blijft hij in den donkersten hoek van zijn verblijfplaats zitten slapen. Hij zit met opgetrokken pooten en sterk voorover gebogen rug en verbergt het gelaat tusschen de over elkander gekruiste armen. Als men hem wekt, en niet door aaien of dergelijke liefkoozingen wakker houdt, slaapt hij onmiddellijk weer in. Op heldere dagen kan hij geen voorwerp onderscheiden; zijn pupil is dan nauwelijks zichtbaar. Als men hem uit de duisternis plotseling in ’t licht brengt, toonen zijne gebaren en klagende geluiden, dat het licht bij hem een pijnlijke gewaarwording teweeg brengt. Zoodra echter de avond valt, wordt hij wakker; zijn pupil vergroot zich al meer en meer, naarmate de duisternis toeneemt, en wordt ten slotte zoo groot, dat men het regenboogvlies nauwelijks meer waarneemt. Zijn oog licht in ’t donker, evenals dat van de Katten en Nachtuilen. Als de schemering aanvangt, begint hij zijn hok rond te gaan en naar voedsel uit te zien. Hij beweegt zich gemakkelijk, hoewel hij op den vlakken bodem niet zeer behendig is, omdat zijne achterste ledematen langer zijn dan de voorste. In ’t klimmen is hij zeer bekwaam; het springen van den eenen boom op den anderen verstaat hij meesterlijk. Rengger liet zijn gevangen Mirikina soms bij helder sterren- of maanlicht in een met sinaasappelboomen bezetten, maar aan alle zijden ingesloten hof vrij rondloopen. Dan ging hij vroolijk van den eenen boom op den anderen en het was onmogelijk het dier ’s nachts weder op te vangen. Eerst des morgens kon men hem grijpen, als hij, door ’t zonlicht verblindt, rustig in de dichtste gedeelten van de boomkroon zat. Gedurende zijne nachtelijke zwerftochten maakte hij bijna elken keer een op de boomen slapenden Vogel buit. Andere Nachtapen, die door Rengger nagegaan zijn, toonden een buitengewone geschiktheid tot het vangen van Insecten. Des nachts hoorde men dikwijls een sterk dof geluid van den Mirikina; hij herhaalde dit altijd verscheidene malen achtereen. Door sommige reizigers werd dit geluid vergeleken met het gebrul van den Jaguar in de verte. Zijn toorn geeft hij te kennen door herhaaldelijk „Grr, grr,” te roepen.

Van alle zintuigen is waarschijnlijk dat van ’t gehoor het volkomenst ontwikkeld. Het geringste gedruisch trekt onmiddelijk zijn aandacht. Des nachts, bij ’t licht der sterren is zijn gezichtsvermogen het scherpst. Zijne geestvermogens schijnen gering te zijn. Nooit leert dit dier zijn meester kennen, het volgt diens roep niet en is onverschillig voor zijne liefkoozingen.

Dat er een groote genegenheid tusschen mannetjes en wijfjes bestaat, werd door Rengger opgemerkt. Als van een gevangen paar er een sterft, kniest de andere zich dood. De vrijheid gaat bij deze dieren boven alles; van iedere zich aanbiedende gelegenheid om te ontsnappen maken zij gebruik, zelfs wanneer zij jong gevangen zijn en reeds jaren in gevangenschap geleefd hebben.


Enkele natuuronderzoekers brengen de dieren, die wij hier tot een afzonderlijke familie vereenigen, nog tot de vorige afdeeling; de punten van verschil tusschen hen en de vroeger behandelde Apen zijn echter belangrijk genoeg, om een scheiding, zooals die, welke wij voorstaan, te rechtvaardigen.

De Klauwapen of Eekhoornapen (Arctopitheci) onderscheiden zich van alle tot dusver genoemde leden der Apen-orde hoofdzakelijk hierdoor, dat zij aan alle vingers en teenen, met uitzondering van den duim of binnenteen van den voet, smalle klauwen, aan den bedoelden duim echter een dakpanvormigen, platten nagel hebben. Andere kenmerken van deze dieren zijn: de rondachtige kop, met kort, plat aangezicht, kleine oogen en groote, dikwijls in een haarkwast eindigende ooren, de slanke romp, de korte ledematen; de staart is lang en ruig, de beharing zijdeachtig zacht. De handen gelijken op de voorvoeten van andere Zoogdieren, daar de duim niet van de overige vingers verwijderd staat en ook niet aan deze tegenovergesteld kan worden, terwijl dit met den duim van de achterhand wel kan geschieden. De handen zijn dus bij hen voorvoeten geworden; alleen de eigenlijke voeten hebben nog een soortgelijk maaksel als die der overige Apen.

Het verbreidingsgebied van de Klauwapen omvat alle noordelijke landen vau Zuid-Amerika, en strekt zich noordwaarts tot Mexico uit, terwijl het in zuidelijke richting ternauwernood voorbij Brazilië reikt. Het laatstgenoemde rijk, benevens Guyana en Peru bevatten de meeste soorten; in Mexico komen er, voor [54]zoover men thans weet, slechts twee voor. Hoe ver zij zich in ’t gebergte omhoog begeven, is tot nu toe niet met zekerheid uitgemaakt; Schomburgk ontmoette ze nog op een hoogte van 500 M. boven de oppervlakte der zee; in de Andes komen zij echter ongetwijfeld op nog grootere hoogte voor.

Alle Klauwapen zijn boomdieren in den eigenlijken zin van ’t woord. In de uitgestrekte bosschen van de landen waar zij inheemsch zijn, komen zij in grooten overvloed voor; niet alleen in de hoogstammige, vochtige bosschen langs de kust of van de vlakten, maar ook in de lagere, minder welige wouden van het binnenland. Wat aard en gewoonten betreft, gelijken zij minstens evenveel op Eekhoorntjes als op de eigenlijke Apen. Een opgerichte houding zooals bij deze komt bij hen niet voor: zij rusten op handen en voeten, of liggen zelfs plat op den buik, in welk geval de lange, dicht behaarde staart recht naar beneden hangt; ook houden zij er niet van om zich, evenals hunne verwanten—de bekwaamste klimmers die ons bekend zijn—te midden van de dunne twijgen te bewegen, maar blijven liever op de dikken takken; zij gedragen zich hier geheel op de wijze van de Eekhoorntjes en gebruiken hunne lange klauwen als deze Knaagdieren. Altijd laten zij de geheele zool op den grond rusten. Nooit ziet men ze op twee voeten gaan; evenwel richten zij, als zij iets naar den mond willen brengen, bij uitzondering het voorste deel van ’t lichaam omhoog: de houding, die zij dan aannemen, komt trouwens ook bij de Eekhoorntjes voor.

Ook in andere opzichten gelijken zij veel op Eekhoorntjes; zij zijn even ongedurig en rusteloos, even schuw en vreesachtig als deze. Zij houden hun kopje geen oogenblik stil; de donkere oogen richten zich nu eens naar het eene dan weer naar een ander voorwerp, altijd echter met een zekere haast; naar het mij voorkomt, heeft de werkzaamheid van hun geest niet veel te beteekenen, terwijl zij hunne blikken van de eene plaats naar de andere laten zwerven, hoewel het den schijn heeft, dat zij intusschen nu eens aan de eene, dan weer aan de andere zaak denken. Ik geloof niet, dat men aan de Klauwapen een diep nadenken mag toeschrijven; integendeel, volgens mijn overtuiging staan zij wat hunne geestvermogens betreft, beneden alle overige Apen; het zijn zeer bekrompen wezens, welker verstand waarschijnlijk niet grooter is dan dat van de Knaagdieren van gelijke grootte. Vreesachtig, wantrouwend, terughoudend, kleingeestig en vergeetachtig van aard, handelt de Klauwaap als ’t ware zonder zelfbewustzijn, laat zich, zonder dat zijn wil invloed schijnt te oefenen op zijne daden, door de indrukken van het oogenblik beheerschen, let niet meer op hetgeen hij zooeven heeft nagejaagd, zoodra een andere prikkel, van welken aard dan ook, op hem werkt. Hij bezit alle eigenschappen van een lafaard: de klagende stem, de duidelijk merkbare ongeschiktheid of onwil om te berusten in iets, wat hij niet keeren kan, de neiging om alle gebeurtenissen van de ongunstigste zijde te beschouwen, de ziekelijke zucht om iedere handeling van een ander aan te merken als tegen hem gericht, het vurig verlangen om te schitteren, gepaard met de neiging om zich op den achtergrond te houden, de veranderlijkheid van de uitdrukking van ’t gelaat zoowel als van de houding van ’t lichaam, de onstandvastigheid in ’t willen zoowel als in ’t volbrengen.

Allerlei vruchten, zaden, jonge bladen, bloemen vormen de hoofdbestanddeelen van het voedsel onzer aapjes; bovendien echter maken zij met den grootsten ijver jacht op allerlei kleine dieren; aan Insecten, Spinnen enz. geven zij stellig de voorkeur boven kleine Gewervelde Dieren, die zij echter ook niet versmaden. In allen gevalle zijn zij meer dan alle overige Apen roofdieren, d.w.z. zij eten meer dan de overige leden hunner orde dierlijk voedsel naast het plantaardige.

In de familie der Klauwapen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden, die alle tot één geslacht (Hapale) behooren: de Leeuwaapjes, die nevens het naakte gelaat ook onbehaarde ooren hebben, daarentegen manen op den kop, die zich soms ook over den hals en de schouders uitstrekken, een in een haarkwast eindigenden staart, die zoo lang is als het overige lichaam: de Tamarins—in onze afbeelding op p. 55 vertegenwoordigd door het Zilveraapje (Hapale argentata)—, die zich van de eerstgenoemde alleen onderscheiden door den langeren staart en het meestal ontbreken van de manen, en de Zijdeaapjes met een haarkwastje aan de ooren.

Van de laatstgenoemde groep komt, naar het schijnt, het Sahoei-aapje, de Sagoeïen, Oeïstiti of Marmoset (Hapale jacchus) het veelvuldigst voor; dit is een middelmatig groot, sierlijk gebouwd Klauwaapje van 22 à 27 cM. lichaams- en 30 à 35 cM. staartlengte. De kleur van de lange en zachte vacht is over ’t algemeen een mengeling van zwart, wit en roestgeel. Zij wordt veroorzaakt door de eigenaardige afwisseling van kleuren op ieder haar afzonderlijk beschouwd: aan den voet is het zwartachtig, verderop roestkleurig, nog hooger zwart en aan den top witachtig. Op het voorste deel van den rug zweemt de kleur naar roestgeel, verder achterwaarts wisselen smalle, zwarte en witte, golvende dwarsstrepen met elkander af. Aan het onderlijf en aan de ledematen zijn alle haarspitsen witachtig grijs en heeft deze kleur dus de overhand. De staart is zwart met ongeveer 20 smalle, witachtige ringen en een witten top. Een witachtige, driehoekige voorhoofdsvlek en een schitterend wit oorkwastje steken vroolijk af bij de donkerbruine kleur van den kop. Het aangezicht is donker vleeschkleurig en spaarzaam begroeid met witachtige haartjes.

Oeïstitis komen vaker levend naar Europa dan eenige andere soort van de familie der Klauwapen. Men kent ze reeds sedert de ontdekking van Amerika, en is al spoedig begonnen ze te temmen. Men kan ze met vruchten, groenten, Insecten, Slakken en vleesch zeer goed voederen; ook hechten zij zich in den regel zeer spoedig aan de menschen, doch slechts aan die, welke hen bestendig verzorgen. Tegenover vreemden toonen zij zich wantrouwig en prikkelbaar; over ’t algemeen zijn zij zeer eigenzinnig en gedragen zich als stoute kinderen. Hun misnoegen geven zij door fluitende toonen te kennen. Alles wat hun vreemd voorkomt, brengt bij hen ontroering teweeg: zij zijn zoo vreesachtig, dat het zien van een voorbijvliegende Wesp hun grooten angst inboezemt. Die, welke al oud waren, toen zij gevangen werden, zijn in den beginne nog al wild en schreeuwen reeds bij de geringste toenadering; het duurt vrij lang, voordat zij dulden, dat men ze aanraakt. Als zij eenmaal getemd zijn, sluiten zij niet alleen met de menschen vriendschap, maar ook met de huisdieren, vooral met de Katten, waarmede zij spelen en in welker nabijheid zij zich gaarne te slapen leggen, waarschijnlijk ter wille van de warmte. Voortdurend trachten zij zich zorgvuldig tegen de koude te beschutten; zij dragen het katoen, de lompen, de vlokjes wol enz., die men hun geeft [55]naar een hoek van hun hok, maken zich daarvan een leger, en hullen zich in, zoo goed zij kunnen. Het is een aardig schouwspel, het diertje zijn sierlijk kopje uit zijn bedje te zien steken, zoodra bekenden hem met lekkernijen naderen.

1) Oeïstiti (Hapale jacchus).—2) Zilveraapje (Hapale argentata).—3) Penseelaapje (Hapala penicillata). ¼ v.d. ware grootte.

1) Oeïstiti (Hapale jacchus).—2) Zilveraapje (Hapale argentata).—3) Penseelaapje (Hapala penicillata). ¼ v.d. ware grootte.

De Oeïstiti heeft in Europa reeds meermalen jongen geworpen, eenmaal in Petersburg, en hier zelfs in zeer ongunstige omstandigheden. Men hield daar deze dieren zelfs gedurende vrij ruwe herfst- en lentedagen in een vertrek, waar niet gestookt werd, en gaf hun volstrekt geen vrijheid; toch brachten zij er in twee jaren drie maal jongen ter wereld. In weerwil van de geringe zorg, die aan deze dieren besteed werd, groeiden de jongen voorspoedig op. Deze mededeeling danken wij aan den natuuronderzoeker Pallas, die tevens van de levenswijze van de bedoelde dieren een zeer uitvoerige beschrijving geeft, waaraan het volgende ontleend is: „Even als alle langstaartige, kleine, op Meerkatten gelijkende Apen Van de Nieuwe Wereld is ook de Oeïstiti bij wijze van spreken veel minder „Aap” dan de grootere soorten van deze diergroep. Wel springt en klimt hij zeer behendig, wanneer hij dit wil; hij is echter niet, evenals de andere Apen, voortdurend in beweging, maar toont, vooral wanneer hij verzadigd is en zich in de zon wil koesteren, een groote traagheid; uren lang blijft hij dan stil in gezelschap van zijne stamverwanten aan de draden van zijn kooi hangen. Hij klimt op allerlei wijzen, dikwijls met den kop naar beneden; altijd zijn zijne bewegingen vrij phlegmatisch: soms laat hij zich met den kop naar beneden hangen, terwijl hij zich alleen met de achterpooten vasthoudt, of rekt zich als een lui mensch uit, terwijl hij aan de voorpooten hangt. Bij warm, zonnig weder reinigen deze dieren elkander op de wijze der Apen met de voorpooten en de tanden; soms doen zij dit, terwijl zij nevens elkander aan het traliewerk hangen, soms terwijl zij op den bodem rusten, waarbij dan de eene lang uitgestrekt op den rug ligt. Daarbij laten zij een zacht getjilp en een kirrend geluid hooren. Gewoonlijk kruipen zij met hetzelfde gekir des avonds bijna altijd op klokslag van zessen in een van hunne alleen met stroo gevoerde slaapplaatsen, die aan de zijde van het hok aangebracht zijn; zij vertoonen zich vóór ’s morgens 6 of 7 uur niet weder: in den tusschentijd hoort men geen geluid van hen. Zelden kwam het voor, dat een van hen gedurende den voor ’t slapen bestemden tijd zijn leger verliet, om aan een natuurlijke behoefte te voldoen; toch bevuilen zij nooit hun nest. Gedurende de overige 11 of 12 uren waren zij steeds wakker, en buiten de nesten bezig; soms maakten zij veel, soms minder beweging, in den regel kon men ze duidelijk hooren. Behalve hun gewoon gekir, vernam men van hen, vooral als hun aandacht op het voedsel gevestigd werd, een sterker geluid, dat door hun naam „oeïstitie” vrij goed nagebootst wordt; dit riepen zij dikwijls meermalen achtereen. Als zij verzadigd waren en uitrustten, of zich in de zon koesterden, lieten de oudste dieren soms met wijd opengesperden bek een langdurig, eentonig gefluit hooren. Door ze op te jagen of toe te roepen, kon men dit geluid, dat buitengewoon doordringend was, zoodat de ooren er zeer van deden, niet doen ophouden. Als zij iets ongewoons zagen, b.v. Honden, Kraaien enz., vernam men van hen een gesnater, dat bijna als dat van den Ekster klonk; daarbij bewogen zij het bovendeel van het lichaam met den teruggetrokken kop telkens heen en weer, evenals een mensch die loerend naar iets kijkt en het juiste gezichtspunt zoekt. Een soms knarsend, soms knorrend gekijf hoorde men van de oude mannetjes, als zij geplaagd werden, b.v. door hun van verre iets aan te bieden en het dan niet te [56]geven. Daarbij rekten zij hun gelaat uit, zooals de andere Apen doen, als zij toornig worden, stotterden op ongewone wijze en zochten den plaaggeest met de voorpooten te grijpen en te krabben; zij werden echter zeer angstig, als de poot intusschen door iemand buiten het hok gegrepen en vastgehouden werd.

„Omdat zij in Zuid-Amerika thuis behooren, had men mogen verwachten, dat de Oeïstitis veel kouwelijker zouden zijn, dan werkelijk het geval is. Gedurende de koude herfstdagen, waarop ik ze bij mij had, verdroegen zij in het niet verwarmde vertrek, voor welks venster zij zich ophielden, een temperatuur, die steeds dicht bij het vriespunt gelegen was. Wel zochten zij er den zonneschijn op, of kropen zoo dicht mogelijk bij den vuurpot, die naast het hok geplaatst was; uren lang warmden zij zich hieraan, terwijl zij aan het traliewerk van hun hok hingen. Zeer vreemd is het, dat zij de groote hitte van den zomer hier in Petersburg niet aangenaam vonden. Hun meester verzekerde, dat hij ze op heete zomerdagen dikwijls met krampachtige stuiptrekkingen had zien neervallen, hetgeen in andere tijden zelden gebeurde. Roerend was het te zien, hoe ijverig de gezonde dieren zich oogenblikkelijk met hun op deze wijze ziek geworden kameraad bezig hielden, en hoe zij trachten hem hulp te bieden”.

Het Penseelaapje of Witbandaapje (Hapale penicillata, vergelijk de afbeelding 3 op p. 55), komt bijna even veelvuldig voor als de Oeïstiti, en is ongeveer even groot als deze; ook de kleur verschilt niet veel.

De tot de Tamarins behoorende Pinche (Hapale oedipus) wordt zeer zelden naar Europa gebracht, en verdraagt de gevangenschap nog minder lang dan zijne geslachtsgenooten. Deze kleine, fraai geteekende diertjes zijn vooral merkwaardig door hun stem, welke bedriegelijk gelijkt op die van een Vogel en nu eens uit zuivere, langgerekte, fluitende toonen, dan weer uit trillers bestaat.