HOOFDSTUK I.

Na een langen marsch.

“En is er geen Amerikaansche Congo?” vroeg Max Huber.

“Amerika heeft zelf land genoeg”, antwoordde John Cort, “er valt nog genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeft waarlijk niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen.”

“En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen, Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen, Spanjaarden, Belgen?”

“De Amerikanen hebben er niets te doen”, hernam John Cort, “evenmin als de Russen, en om dezelfde reden.”

“En die is?”

“Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn bereik heeft.”

“Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaansche taart!” antwoordde Max Huber, “er is nu reeds een Fransch Congo, een Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een Onafhankelijke Congostaat, en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen....”

“Als touristen, Max, niet als veroveraars!”

“Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten.”

“Onder die afschuwelijk brandende zon”, voegde John Cort er bij, terwijl hij zijn voorhoofd afwischte.

“Ba, daar let ik niet meer op!” riep Max Huber, “ik ben reeds aan het klimaat gewend en bijna een neger geworden!”

“Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan. Maar toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in de factorijen wat van onzen drie-maandschen tocht te bekomen.”

“En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht had.”

“Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moeten gebruiken tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowel als op den Lybischen panter, wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden toetsen kunnen gemaakt worden voor alle piano’s ter wereld, en nog ben je niet tevreden?”

“Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Lees maar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant, du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson, Cameron, Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten.”

“En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?” vroeg John Cort.

“Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams.”

“Nu, de reis is nog niet achter den rug”, hernam de Amerikaan; “het zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Libreville zijn.”

“Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!”

Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrekte vlakte.

Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou de nacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke wolken pakten zich aan den hemel samen.

De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer der reizigers en dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel met vier breede wielen en werd door zes ossen getrokken. Door een schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste, bestemd voor de twee jongelieden John Cort en Max Huber, zooals wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het voorgedeelte in gebruik bij een Portugeesch koopman, Urdax genaamd, en den “voorlooper” Khamis. Deze voorlooper—de man, die steeds aan het hoofd van de karavaan gaat—was een neger van Kameroen en volkomen geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi.

Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken. In Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamste rechter zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier.

Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven. Zij kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvan de bewoners onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen het Nijlbekken en de Congo, menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten deze kannibalen kinderen, die in deze streek zoo weinig in tel zijn, dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste neger is dan ook hij, die de meeste kinderen heeft!

En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af en toe ontmoetingen met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op eenigen afstand konden gehouden worden.

Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kind te redden van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen en kralen van de kannibalen afgekocht.

Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, uit wiens oogen schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid aan den dag legde. De arme jongen, die aan zijn ouders en aan zijn stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen kind van Max Huber en John Cort in de factorijen van Libreville, waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren.

Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder.

Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last van John Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement ingericht. Van droge takken werden twee groote vuren aangelegd en voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede maaltijd gehouden worden, zonder dat groot gevaar te duchten was, want, zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik der drie blanken een flink getal uitstekende vuurwapenen en ammunitie.

Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zouden waken, hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als tweebeenige aanvallers.

Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man van omstreeks vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd was, en in den voorlooper Khamis, een vijf en dertigjarige neger, zeer vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp.

Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebracht werd en onder het eten werd de verdere tocht besproken.

“Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan”, zei Urdax.

“Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben.”

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

“Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud”, beaamde de Portugees; “wilden wij het Oostelijk omtrekken, dan zouden daartoe maanden noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de stroomversnellingen van de Congo.”

“Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud trokken?” vroeg Max Huber.

“Ja, het zou een paar weken uitsparen.”

“En waarom doen wij dat dan niet?”

“Omdat het woud ondoordringbaar is.”

“Kom, dat geloof ik niet!” riep de jonge Franschman.

“Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers”, hernam de Portugees, “hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maar voor wagens is het zeker ondoenlijk.”

“En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?”

“Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een onderneming afraden.—Het is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou kunnen maken en nu spreek ik nog niet eens van de reusachtige doode boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen.”

“Onoverkomelijk Urdax!” spotte de ongeloovige Max.

“Komaan Max”, zei John Cort, “denk toch niet aan zoo iets onzinnigs en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken. Ik heb geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!”

“Wie weet wat er in verborgen is!”

“En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negers met drie beenen?”

“Best mogelijk”, antwoordde Max Huber onverstoorbaar.

“Hoe het zij”, hernam Urdax, “ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!”

Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden de twee vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte.

Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij wilden zich overtuigen, dat de ossen goed gekluisterd en de wakers op hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje zou het droge gras en doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de wagen te slapen.

De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook? Omstreeks tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van het groote woud, maar niemand kwam dit aan de leiders der karavaan mededeelen.

HOOFDSTUK II.

De bewegende vuren.

De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg omstreeks twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo fel, dat men wel haast moest aannemen, dat daar een kamp van negers was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel uit elkander.

Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid te verraden.

Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was dan ook een groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich niet, daar, aan den rand van het woud, scheen licht!

Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker en wees met den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon.

Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen eensklaps: “Urdax!”

“Wat is er?” vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was.

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

“Kijk eens!”

Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van het dreigend gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden opgepast, te berispen.

Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige vlammen op, thans soms wel vijftig tegelijk.

“Een kamp van inboorlingen”, zei Urdax. “Waarschijnlijk Boudjos, die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen.”

“Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden”, merkte John Cort op.

“Maar dan moesten wij die menschen zien”, antwoordde Max Huber.

“Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn”, verklaarde Khamis.

“Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats terug”, hernam Max Huber.

“De plaats waar het kamp is”, meende de voorlooper.

“En wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.

“Dat wij aangevallen zullen worden”, antwoordde de Portugees, “en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken.”

“Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid eerst zoo duidelijk te verraden?”

“Negers zijn geen blanken”, hernam Urdax, “maar zij zijn daarom niet minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst.”

De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen van de Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, van de Hebriden en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in het binnenland der door hen bewoonde streken vindt men uitsluitend kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd zijn deze negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante, te gevaarlijker, omdat zij op volwassen leeftijd nog zelfs niet het verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij deze negers verre van zeldzaam, menig zendeling heeft er tegen wil en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf van hunnen meester en het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden, zooals reeds gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden voeden zich met geen ander vleesch.

Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met hunne assegaaien af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend dan de kooplieden, maar zij winnen het van deze verre in aantal en tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers niet veel.

De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht komt bij zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar de zendelingen tot dusver niet doorgedrongen zijn.

Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar ver gelaten van alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen veilig te geschieden. Als men Westelijk het groote woud zou omgetrokken zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier zou men voorttrekken tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de gevaarlijke stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde streken van Darfoer verdrongen.

Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24).

Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24).

En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd, nog de prooi moeten worden van die roofzieke benden? Er bestond alle vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds overgeven en op aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de verdediging gereed te maken.

Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, de patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele dragers, op wier trouw men vast kon rekenen.

Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen de pijlen, wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand scheen nog niet dichter bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en deden een geelachtigen rook opstijgen.

“Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben ons aan te vallen!” zei Max Huber.

“En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen hebben”, antwoordde John Cort.

Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste stammen van de Boven-Oebanghi?

Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de vlakte werkelijk volkomen eenzaam.

Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: “Het gaat zoo niet langer, wij moeten den vijand verkennen!”

“Zou dat niet onvoorzichtig zijn?” vroeg John Cort. “Laten wij liever eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt.”

“Nog langer wachten?” hernam Max Huber, “nog zes uren minstens hier staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten weten waaraan wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben, dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels liggen, waar ik straks zoo heerlijk sliep!”

“Wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.

“Het denkbeeld is niet slecht”, antwoordde deze, “maar de grootste voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden.”

“Ik zelf zal gaan”, hernam Max Huber, “en ik zal voorzichtig zijn.”

“En ik ga mee”, zei de voorlooper.

“En ik”, zei John Cort.

“Neen, twee is genoeg”, hernam Max, “wij gaan bovendien niet verder dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, zullen wij onmiddellijk terugkeren om dat te melden.”

“Zijn uwe wapens goed in orde?”

“Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is, dat wij ons niet laten zien.”

“Juist”, zei Urdax.

Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het vrije veld was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd schreden zou toch geen mensch te onderscheiden zijn.

Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord te spreken was de negerknaap hen gevolgd.

“Hoe durft gij?” vroeg Max Huber vertoornd; “ga onmiddellijk terug!”

“O mijnheer, laat mij bij u blijven”, smeekte Llanga

“En uw vriend John dan, die daar ginds is?”

“Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!” antwoordde de negerknaap zeer ter snede.

“Maar wij hebben je niet noodig”, zei Khamis barsch.

“Kom, laat hem maar meegaan”, hernam Max Huber. “Hij zal ons niet hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, wat wij niet kunnen zien.”

“Ja, ik zal goed uitkijken!” verzekerde Llanga.

“Goed, blijf dan dicht bij mij!”

Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde afstand hen nog van den zoom van het groote woud.

De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder, maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke veldkijker van Max Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden, zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien niet eens plan, dit te doen.

Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe diende dan die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke plechtigheid vieren?

“Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd”, zei Max Huber.

“Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag”, antwoordde de voorlooper.

“Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis.”

Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets verdachts te bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich.

“Zullen wij nog verder gaan?” vroeg Max Huber.

“Waartoe?” hernam Khamis; “het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij kunnen van nacht nog wegtrekken.”

Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper plotseling fluisterde:

“Pas op, geen stap verder!”

Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, maar daar lichtten eensklaps weder een twintigtal vuren op.

“Te drommel, het is een vreemde historie”, mompelde Max Huber.

En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond!

Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna op de hoogere en lagere takken der boomen?

“Het zijn toch geen dwaallichtjes”, mompelde Max.

“Wij moeten terug”, raadde de voorlooper, “ik geloof niet dat ons kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust gaan stellen.”

“Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn.”

“Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. Misschien ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden.”

“Roofdieren!” riep Max Huber, “panters en hyena’s, of zelfs wilde buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid dat ik hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten....”

En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga.

De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen kon laten, besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een verregaande roekeloosheid vond.

Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet meer, zij waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis om hen heen.

Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend geluid als van een naderenden stormwind....

“Wat is dat, Khamis?” riep Max Huber.

“Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te verliezen! Terug!”

HOOFDSTUK III.

Verstrooid.

Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, te doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, hen misschien achtervolgden—-

Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen moed en tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige.

“Een kudde olifanten!” riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe.

“Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben”, antwoordde deze.

“Wij moeten naar het woud”, meende John Cort.

“Dat zal hen niet tegenhouden!” zei Khamis.

“En de inboorlingen?”

“Wij hebben er geen gezien”, antwoordde Max Huber.

“En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken.”

“Neen, dat zeker niet.”

Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel vervulde de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk een snerpend geluid, als een schril trompetten.

Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat, hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over het slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder de pooten van die honderden olifanten!

De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het wagen den olifant door een schot, dat precies tusschen het oog en het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk.

En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood, die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is, zal er op Afrika’s bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen.

De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel woester en gevaarlijker van aard.

In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar!

Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop!

“Wij moeten vluchten!” riep de voorlooper.

“Vluchten?” herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en gevaren verworven had.

“En waarheen moeten wij vluchten?” vroeg Max Huber.

Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27).

Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27).

“Naar het woud.”

“En de negers?”

“Daar is minder gevaar dan hier”, hernam Khamis.

Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te zoeken in het bosch.

Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd!

Urdax stond besluiteloos.

“Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen”, zei hij ten laatste, “misschien zijn wij daar veilig.”

“Te laat”, merkte de voorlooper op.

“Doe wat ik je zeg”, herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig.

“Maar hoe kan ik dat?” herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als vliegen zouden vertrappen.

Toen Urdax dit zag riep hij:

“Alle dragers, hier!”

“De dragers”, herhaalde Khamis, “die vluchten ook!”

“De lafaards!” riep John Cort.

En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven verlieten zij hunnen meester!

Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, John Cort en de negerjongen Llanga.

“De wagen! De wagen!” bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste.

Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen andere schuilplaats over dan de boomen.

Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als wapen gaven.

“Het zal ons wat baten”, mompelde Max Huber zenuwachtig, “alleen kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!”

Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte, wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet.

En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan.

Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten kunnen weerstaan?

De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn “sjamboks”. Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren allen weldra tusschen de takken verscholen.

“Wel Max, zijt gij nu tevreden?” vroeg John Cort spottend.

“Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders.”

“Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel uit dit avontuur terugkomen”, hernam de Amerikaan.

Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)

Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)

Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een stuk kinderspeelgoed!

Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max, John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld.

Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep?

Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen.

Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en toen was alles stil.

“De ongelukkige!” riep John Cort.

“Aanstonds onze beurt!” antwoordde Khamis.

Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen, niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren!

De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, zonder met een geweldigen slag neer te komen.

De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen.

“Moed, moed, volhouden!” hijgde John Cort.

Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar wonnen maar toen waren zij ook uitgeput.

Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen.

Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder!

HOOFDSTUK IV.

Geen keuze!

Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst!

“Wij moeten wakker blijven”, fluisterde Khamis, zoodra hij wat op adem gekomen was.

“Ja”, antwoordde John Cort, even zacht, “wij moeten ons gereed houden op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk, daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!”

“Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn”, hernam de onbezorgde Max Huber, “maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!”

John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een vreeselijk einde gevonden had.

Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (Zie pag. 39).

Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (Zie pag. 39).

“Hij had het hoofd verloren!” zei de voorlooper, “nu hij zag hoe die lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!”

“Arme kerel!” zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden, want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit en was weldra in diepen slaap.

Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen.


Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond.

John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed aan den dag gelegd.

Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig en dapper, maar altijd verlangend naar iets “bizonders”, zoodat hij zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest.

Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849 op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal, een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen gevestigd zijn.

En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in ivoor, oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten.

Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige zou ontmoeten.

En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd mijlen van Libreville verwijderd waren!

Hoe dikwijls had Urdax hen niet over “het groote bosch” gesproken, dat woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken, bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk in Europa minder oppervlakte heeft!

Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd, die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch Siberië en in Midden-Afrika.

Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M.

Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte.

Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn reusachtige pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten.

Het vierde eindelijk—waarover wij het in deze bladzijden meer bepaaldelijk hebben—strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor genoemden nog overtreft.

Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen, maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen?

Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk vervoermiddel verstoken waren!

Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen, maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet het woud dwars door te trekken?

Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen direct bespraken.

Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen grooten nachtvogel.

Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had hij Khamis gevraagd:

“En de inboorlingen?”

“En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?”

“Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John.”

“Laten wij dan gaan zien.”

Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot aan den rand van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor.

“Zij zijn weg”, zei John Cort.

“Ten minste voor het oogenblik”, antwoordde Khamis, “maar anderen zijn er nog: de olifanten.”

Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond gelijk gemaakt was.

“Wij moeten ons schuil houden”, zei Max, “dan zullen de olifanten ten laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie.”

“En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke begrafenis geven”, voegde John Cort er bij.

“Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te denken”, zei Khamis, “en van de bagage zal bovendien wel alles in gruizelementen zijn.”

Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen.

Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels, met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga, die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon.

Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden hebben bereikt.

Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij ernstig wat thans te doen.

“Khamis”, zei John Cort tot den voorlooper, “tot dusver was Urdax onze aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen wat gij zegt.”

“Mijnheer John,” antwoordde de voorlooper bescheiden, “gij kunt op mij vertrouwen.”

“Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en het bosch omtrekken?”

“Neen, wij moeten er dwars doorheen,” antwoordde de voorlooper zonder aarzelen. “Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben, ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.—Te voet, zonder wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden, en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat wij de Oebanghi bereiken.”

De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn, hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een bijl, maar de andere slechts een zakmes zouden hebben.

Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren, daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers—en zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben—een soort instinct, om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste richting te vinden.

“Bedenk echter,” zei Max Huber, “dat westelijk van ons kamp een stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot kunnen maken...

“Je gaat weer fantaseeren, Max,” zei de Amerikaan.

“Toch heeft mijnheer Max gelijk,” hernam de voorlooper, “er is inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen....”

“En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels onbevaarbaar zal zijn,” zei John Cort.

“Gij ziet ook niets dan moeilijkheden,” merkte Max Huber op.

“Beter vooraf, dan te laat!” antwoordde zijn vriend zeer terecht.

“Nu goed, op weg dan!” riep de Franschman, en inwendig had hij heel veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar hij altijd zoo verlangd had!

HOOFDSTUK V.

De eerste dagen in het woud.

Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in Zuidwestelijke richting begon.

Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen.