Met Jack in den Dierentuin.

Met Jack in den Dierentuin.

Sentimentaliteit is er niet veel tusschen zoo’n knaap-vrijer en zijn meisje. Zij zijn nog kinderen en ze stoeien en plukharen. Tegen den avond, als ze teruggaan naar het kleine zijstraatje, waar ze wonen, hebben ze misschien hun armen elkaar om den hals geslagen, maar dat is maar grootdoenerij. Zij willen de volwassenen nadoen. Hij vindt, dat de voorbijgaande jongens moeten zien, dat het niet zijn zuster is, maar zijn meisje; en zij is erop gesteld, dat alle vrouwelijke kennissen weten moeten, dat zij groot genoeg is, om een vrijer te hebben.

Bij het voorhekje van de villa in de voorstad staan een paar gelieven afscheid te nemen. Het is het uur, waarop het niet voegzaam is voor de dochters des huizes om buiten te zijn, en het is tijd, om te scheiden. De avondwandeling in de laan in de buurt is voorbij. Ze zijn verloofden. Maar de jonge man weet, dat de broers en zusters van zijn verloofde niet gesteld zijn op de al te drukke visites en de aanwezigheid van een geëngageerd paar, en bovendien heeft hij nog een heel eind voor zich, om thuis bij zijn familie te komen, terwijl hij iederen morgen om acht uur in de City moet zijn. Dus is het tienuursklokje sein tot afscheid nemen, maar het talmen aan het hekje is altijd prettig en moeilijk om mee uit te scheiden.

Nadat zij een eindje den voortuin is binnengegaan, loopt ze niet door langs het paadje naar de huisdeur. Zij leunt even op het hekje en ze kijken nog eens weer in elkanders oogen, genietend van het zwijgen der liefde.

Maar ten laatste verbreekt zij de bekoring. “Ik moet gaan, Frank”, zegt ze. Toen buigt ze haar mooi gezichtje over het hekje en hij bukt zich en hun lippen ontmoeten elkaar. Dan vlug vliegt er een licht kleedje in het halfduister over het paadje. Hij kijkt ernaar, tot het verdwenen is. Dan zegt hij luid tot zichzelven: “Lieveling!” en flink stapt hij op, om zijn anderhalve mijl wandelens af te leggen. En de herinnering aan dien afscheidskus gaat met hem en herschept den stoffigen weg in een pad van rozen.

Het geluid van militaire muziek doet zich hooren in de vroege morgenlucht en er is een druk geloop van vrouwvolk naar de vensters. Het is nog te vroeg, dan dat de gezinnen al op zouden zijn in deze aristocratische buurt, dus gaan de dienstboden staan aan het raam van de eetkamer, en sommigen vliegen de trap op naar hun eigen kamertjes, om een beter gezicht te hebben.

De Life Guards zijn op een morgenrit, en ze gaan uit met muziek. Er is een hoofd te zien aan ieder bovenvenster en eruit kijkt meestal een gezichtje met een wit mutsje erboven.

De meeste soldaten kijken naar boven en glimlachen. Mars is nooit ongevoelig voor den blik der schoonheid, en is geneigd vriendelijk te lachen tegen dames, aan wie hij niet is voorgesteld.

Aan één raam boven is een aardig gezichtje geheel door glimlachjes ingenomen. Jenny, de kamermeid, weet, dat haar beminde, trooper Thomson, bij het regiment is en naar haar zal uitzien. En trooper Thomson weet precies waar Jenny zal wezen; ze heeft het hem verteld, toen ze den vorigen avond in Wellington Road afscheid namen. Thomson is een knappe vent met een mooien knevel, dien Jenny onverbeterlijk vindt. Misschien is hij niet precies zoo verliefd op Jenny, als zij het is op hem, maar hij maakt haar niet jaloersch, door tegen alle andere meiden te lachen, zooals sommigen van zijn kameraden doen. Hij kijkt recht voor zich uit, zonder op de bewonderende blikken te letten, die op hem worden geworpen, tot hij bij Jenny’s huis komt. Dan heft hij zijn hoofd op en lacht en knikt, en Jenny is in den zevenden hemel van verrukking. Zij is verloofd met Thomson en denkt met hem te trouwen. Het moet noodzakelijk een lang engagement zijn; maar dat is niets; zij verdient een goed loon en geeft aan haar soldaat aardige cadeautjes, pijpen en tabakzakjes en sigaren en al die soort van dingen, en Jenny is naar het bal in de kazerne geweest en leefde er in een sprookjesland, want haar mooie beminde in het rood danste iederen dans met haar. En ze telt de uren, wanneer het weer haar uitgaans-Zondag is, dat ze met haar mooien galant kan wandelen en in het park zitten of hem op een music-hallbezoek kan trakteeren.

Wanneer ze, als ze met hem loopt, de meisjes ziet omkijken en zijdelingsche blikken van bewondering op haar held werpen, lacht ze eens schuw en drukt zijn arm een beetje vaster, als om volkomen bezit uit te drukken, en ze denkt, dat ze het gelukkigste meisje in de wereld is. Zij is een braaf meisje en ze zal een hardwerkende, zelfopofferende vrouw worden. Laat ons hopen, dat Thomson de liefde, die hij heeft gewonnen, op prijs stellen zal en dat Jenny nooit berouw zal gevoelen over haar liefde voor een rood pakje.

De glorie van het park

De glorie van het park

Het is een lange wandeling door het Liefdeland, want in het Noorden en het Zuiden, in het Oosten en het Westen vinden we de oude historie weer. Naar het drukke theehuis, waar handige Phylissen van tafeltje tot tafeltje dribbelen, gaat nu en dan de trouwe minnaar en ze wisselen een paar woorden van teedere begroeting, als zij hem zijn broodje of zijn kop thee of koffie brengt. En al de meisjes in de inrichting weten, dat de jonge man de beminde van Phyllis is, en als hij weg is, praten ze vol sympathie tot haar over hem en feliciteeren haar met zijn trouw, dat hij zoo vaak naar haar toe komt. De minnaar van de juffrouw in het buffet kan niet zoo lang blijven in de tegenwoordigheid van zijn meisje, want de caféhouder heeft een scherp oog en moedigt de liefde niet aan, die in den regel het meisje minder spraakzaam en vriendelijk maakt voor de betalende gasten.

Dan zijn er nog de mode-minnaars, die naast elkaar in de Row rijden, en de gewone minnaars uit de werkmansklasse, die een eerlijk, hardwerkend meisje vrijen en trouwen en even trotsch op haar zijn als de niet meer zeer jonge hertog, die de eerste schoonheid van het seizoen naar het altaar leidt.

En dan zijn er de oude paren, die we arm in arm ontmoeten, met gelukkige, glimlachende gezichten onder hun kroon van zilveren haren, mannen en vrouwen, die elkanders lief en leed van der jeugd af hebben gedeeld en die nu op den avond van hun welbesteden levensdag nog geliefden zijn.

En Londen is een plaats, waar verbazend veel getrouwd wordt; in zoo ver is het een heel andere plek dan de hemel, dat er nergens zooveel ten huwelijk gegeven en ten huwelijk genomen wordt, als in Engelands hoofdstad. De huwelijksstatistieken wijzen uit, dat bij alle andere groote steden in de wereld vergeleken, Londen het gunstigst of, uit het oogpunt van den tegenstander van het huwelijk, het ongunstigst staat aangeschreven. Zelfs in de hoofdstad van het land der Sterren en Strepen zijn het aantal en de verscheidenheid der huwelijken niet grooter dan in Londen. In geen enkele europeesche stad kan een huwelijk met zoo weinig kosten worden voltrokken en met zoo weinig omslag als in Londen, en aan de andere zijde met meer pracht en staatsie en tegen grootere financiëele offers.

Elke soort van trouwpartij oefent een wondere bekoring op de menigte in Londen, onverschillig of het geldt een huwelijk in den klassieken tempel van Hymen, St. George’s Hanover Square of een in de nu deftiger St. Paul’s, Knightsbridge; alsook in de prozaïsche omgeving, waarin het burgerlijk huwelijk wordt voltrokken, altijd zijn er kijkers in overvloed. Een werkelijk groot huwelijk, een, waarbij de partijen bekend zijn in de staatkundige of maatschappelijke wereld, brengt duizenden nieuwsgierigen samen, en geduldig zullen ze uren staan buiten de kerk, waar de plechtigheid zal plaats hebben, om straks even een oog te mogen slaan op de blozende bruid en den ridderlijken bruidegom; en weinig mannen en vrouwen, die naar hun dagelijksch werk of naar een plaats van uitspanning op weg zijn, gaan verder, zonder even stil te staan, als ook maar een eenvoudige bruiloft passeert.

Deftige trouwpartij in St. Paul’s Knightsbridge

Deftige trouwpartij in St. Paul’s Knightsbridge

Zooals wij zeiden, is thans St. Paul’s, Knightsbridge, de deftigste kerk; maar die voorname dames, die door gevoel en traditie meer tot de 19de dan tot de 20ste eeuw behooren, geven nog de voorkeur aan St. George’s, Hanover Square, en geen andere kerk in Londen kan een zoo interessant huwelijksregister vertoonen, want daar hadden de meeste der aanzienlijkste huwelijken uit de periode van koningin Victoria plaats. In St. Paul’s werd voor het eerst toestemming gegeven tot de repetities, die nu aan sommige huwelijken in de groote wereld voorafgaan. Velen van diegenen, die de rustige manier bewonderen, waarop niet enkel bruid en bruidegom, maar de geheele bruidspartij de niet weinig ingewikkelde plechtigheid uitvoeren, weten niet, dat elke stap der handeling, met uitzondering van de eigenlijke huwelijksvoltrekking, zorgvuldig gerepeteerd is door het geheele gezelschap.

In de laatste jaren hebben bloemen een steeds grooter aandeel gekregen aan de huwelijken in de groote wereld; sommen, die afwisselen tusschen honderd en duizend pond sterling worden uitgegeven voor de versiering met bloemen van de kerk en het huis, waar de receptie wordt gegeven. Het wordt ook gewoonte, dat bruid en bruidegom een stuk zilverwerk cadeau geven aan de kerk, waar ze trouwen. Nog niet lang geleden was het gebruik, dat er gedurende de plechtigheid een vrij uitvoerig muziekprogramma werd uitgevoerd, maar dat was in de dagen toen deftige huwelijken nog in den morgen werden voltrokken; tegenwoordig is de eigenlijke dienst zoo kort mogelijk.

Bij militaire huwelijken is een aantrekkelijkheid de aanwezigheid in volle uniform van officieren en leden van des bruidegoms regiment. Lange, welgeproportionneerde officieren worden dan gekozen, om langs de zijden in de kerk te staan, en hun vuurroode uniformen zijn een schitterende achtergrond voor den bruidsstoet.

In scherpe tegenstelling tot een huwelijk in het West End van Londen is de plechtigheid, die ten oosten van St. Paul wordt voltrokken in de armere wijken van de groote stad. Zulk een huwelijksvoltrekking van vele paren te zamen geeft een goed denkbeeld van het leven in de armoedige sloppen. Er waren vroeger predikanten, die er zich op lieten voorstaan, dat ze zoo snel veel paren in den echt konden verbinden. Dat deed bijvoorbeeld de bekende Alexander Keith, dominee van St. George’s Chapel, Hyde Park Corner. Bij een bepaalde gelegenheid in Maart 1754 trouwde hij zestig paren, een dagrecord, waarvoor zelfs verbleekt dat van den Reverend Arthur W. Jephson van St. John’s, Walworth, die toch in den loop van zijn ambtsvervulling meer dan 8000 paren heeft vereenigd. De heer Jephson is een hardwerkend predikant en het is zijn ongeluk, niet zijn schuld, dat hij soms niet minder dan vier-en-veertig paren heeft getrouwd met precies dezelfde preek.

Joodsche bruiloft.

Joodsche bruiloft.

Tegenwoordig wordt het trouwen bij groepen minder gedaan, omdat de geestelijken ertegen zijn; maar er was een tijd, toen de stuivershuwelijken, waarbij elk der contracteerende partijen die bescheiden som had te betalen voor het voorrecht, het huwelijksjuk te mogen torsen, druk werden aangemoedigd. Het stuivershuwelijk behoort tot het verleden; zes shillings is nu de laagste prijs, en er worden nog een massa huwelijken van dien aard gesloten, vooral met Kerstmis, Paschen en Pinksteren en op Bank Holiday in Augustus.

Minder interessant, omdat ze minder schilderachtig zijn, maar uit het oogpunt van talrijkheid niet minder belangrijk, zijn de londensche huwelijken, die voor den ambtenaar worden gesloten. Een toenemend aantal menschen, die erop gesteld zijn alles rustig en zonder opzien te doen plaats hebben, en ook begeerig, zich de onkosten te besparen, die met het kerkelijk trouwen samengaan, worden nu door den ambtenaar in het Registrar’s Office getrouwd. Op die kantoren kan men u verhalen doen van tallooze pathetische en grappige tooneelen, die er zijn afgespeeld. Daarbij heeft de ambtenaar het voorrecht, zijn klanten veel meer op hun gemak te zien dan ze tegenover een geestelijke zouden durven te zijn. De bruidegom uit de lagere klassen weet wel, dat als hij tegenover den ambtenaar staat, hij te doen heeft met een betaald persoon, die door den staat bezoldigd wordt en het hindert, naar zijn idee, niet, als hij moeite geeft of last.

Het gebeurt niet zelden, dat een jong werkman om inlichtingen komt en, nadat alle formaliteiten hebben plaats gehad, behalve die van het betalen, er toevallig bijvoegt, dat hij nog niet weet, of hij de toestemming zal krijgen van zijn toekomstige bruid, daar hij haar de gewichtige vraag nog niet heeft gedaan! Zoo komt ook soms de uitverkoren bruid de verlangde stukken brengen en heeft het geld klaar, maar op het laatste oogenblik komt haar bruidegom en ze kan hem niet overhalen, zijn aandeel in het contract te dragen.

De vorm van het huwelijk, bij de Kwakers in gebruik, is bij uitstek eenvoudig; er is geen dienstdoend predikant, want de partijen trouwen feitelijk zichzelven door eenige woorden uit te spreken, die schoon en ernstig klinken en een symbool kunnen zijn van al wat de huwelijksplechtigheid inhoudt.

Het Leger des Heils heeft altijd veel gehecht aan de trouwplechtigheid, en een huwelijk wordt gewoonlijk de aanleiding tot een groot vertoon. De eigenlijke voltrekking duurt lang en heeft met veel omslag plaats, want er zijn zeven huwelijksartikelen, die aan de contracteerende partijen moeten worden voorgelezen, vóór bruid en bruidegom de hen verbindende woorden spreken. In elk dier artikelen wordt melding gemaakt van het Heilsleger, en beide, bruid en bruidegom beloven plechtig, nooit tusschenbeide te komen in het werk, dat de ander voor het Leger doet of iets anders te doen dan hem of haar te helpen bij dat werk. De voltrekker van de verbintenis is gewoonlijk de commandeerende officier van het regiment, waar de partijen toe behooren. Geen grapjes, als het werpen van rijst of iets anders, is bij een huwelijk in het Heilsleger geoorloofd.

Een huwelijksinzegening bij het Leger des Heils.

Een huwelijksinzegening bij het Leger des Heils.

Elke godsdienstige vereeniging heeft natuurlijk haar eigen vormen en plechtigheden voor het huwelijk. Misschien zijn het schilderachtigst en het meest individueel die, welke plaats hebben bij een joodsche bruiloft. De dienst bij een huwelijk in de joodsche kerk verschilt in menig opzicht van dien der Kerk van Engeland. Hij omvat het voorlezen van het huwelijkscontract of de Kethubah, waar de mooie woorden in voorkomen: “Ik wil voor u werken, u eeren, u steunen en voor u zorgen, naar het gebruik onder joodsche mannen, die voor hun vrouwen werken, ze eeren, steunen en voor haar zorgen”. Het costuum van de joodsche bruid is gelijk aan dat van haar christelijke zuster; maar de bruidegom draagt gedurende de gansche plechtigheid zijn hoed, daar de jood geen gebed uitspreekt met ongedekten hoofde. Tijdens de plechtigheid staan de beide partijen onder den troonhemel, die Tsjoepah wordt genoemd, en die troonhemel is soms prachtig versierd met witte bloemen.

De formule, die in woorden wordt vervat, is zeer kort bij Roomsch-Katholieke huwelijken, en in geval van een gemengd huwelijk, dus als een van de partijen protestantsch is, wordt de dienst teruggebracht tot de kortste en vlugst afgeloopen vormen, en er wordt geen muziek gemaakt. Aan den anderen kant is een groot Roomsch-Katholiek huwelijk in een hoofdkerk zeer indrukwekkend, en gaat met meer vormelijkheden en ceremoniën gepaard, terwijl het ook veel langer duurt dan een dergelijke plechtigheid in St. Paul’s, Knightsbridge. Een der schilderachtigste Roomsch-Katholieke huwelijken, dat ooit in Londen plaats had, was het huwelijk per bicycle, dat gevierd werd in Notre Dame de France, Leicester Square. Het gelukkige paar reed naar de kerk van een naburige restauratie op een tandem, die bekoorlijk versierd was met oranjebloesem en wit satijnen linten. Zij werden gevolgd door hun vrienden, gezeten op zestien enkele fietsen en twaalf tandems, en het behoeft nauwelijks gezegd, door een onmetelijke schare toeschouwers. De bruid droeg de ouderwetsche, wit satijnen trouwjapon met tulen sluier, en de bruidegom een rok en hoogen hoed.

Zonder twijfel krijgen wij in den loop van deze eeuw auto-trouwpartijen, en er zullen wel onder ons zijn, die huwelijken per luchtballon beleven. Maar hoe ook de sluiting van het huwelijk plaats hebbe, er is groote kans, dat binnen niet al te langen tijd op de plechtigheid van het trouwen die van het doopen volgt, en ook deze heeft op allerlei verschillende manieren in de groote wereldstad plaats.

De Chapel Royal, St. James’s aanschouwt menige deftige dooppartij, en dat doet ook All Saint’s Church, Knightsbridge. De meest geliefde tijd is kort na den lunch. De gasten gaan dan naar het huis terug, om thee te drinken, bij welke gezellige en onvormelijke bijeenkomst een mooie en lekkere koek wordt opgedischt, waarop in groote letters Baby’s naam en geboortedatum zijn te zien, en waarvan een gevoelige mama wel eens een snede bewaart, om er haar lieveling in later jaren van te laten proeven.

De plechtigheid in de kerk is niet lang en niet erg treffend. De familie en de vrienden groepeeren zich rondom het doopbekken. De peettante geeft de baby, als het tijd is, aan den dienstdoenden geestelijke—een vreeselijk oogenblik voor den jongen curate—en de peetoom geeft antwoord op de vraag naar den naam van het kind. De dominee sprenkelt een paar droppels water op het gezichtje uit een op zilveren voet staande gebeeldhouwde schelp.

De rijtuigen brengen het doopgezelschap terug naar het huis, of als ze uiteengaan, zullen ze elkaar waarschijnlijk terugzien aan een groot diner, gegeven ter eere van den zoon en erfgenaam. Baby is sierlijk uitgedost voor de gelegenheid, en Baby’s cadeaux worden vertoond, terwijl de Nurse, één en al glimlach, geen extra’tje versmaadt, dat bescheiden in haar hand glijdt.

Wat de dooppresenten aangaat, een zilveren kroesje is niet langer het eenige, dat zich voordoet; rijke peten schenken een flinke som geld of maken de bepaling, dat het kind een sommetje als zakgeld zal ontvangen op elken verjaardag tot den 21sten. Een aardig doopcadeau is een gouden medaillonnetje met het teeken van den dierenriem, waaronder het kindje is geboren. Dat draagt het engeltje altijd om den hals aan een fijn kettinkje, en het moet geluk aanbrengen.

Nieuwerwetsche baker

Nieuwerwetsche baker

Er is geen trompetgeschal, als een kindje uit een slop in den boezem der kerk wordt opgenomen. Hij komt aan, opgerold in een oude shawl en met een geleend doopkleed. In sommige gemeenten, als Poplar en Westminster, zijn er avondbijeenkomsten voor doopen, omdat de werkers anders geen tijd hebben. Loop er eens binnen op een Woensdagavond omstreeks half acht; dan treft ge misschien een predikant, twee vrouwen en een baby, die om het doopvont staan in een stille, flauw verlichte kerk. Peten? Wel, Albert Edward heeft ten minste een peettante; maar zijn peetooms zijn afwezig, en daar hij een wijs kind is, slaapt hij rustig door de heele plechtigheid heen.

Zondagnamiddag is zeer in de mode voor doopen in bevolkte wijken. Dan wachten den dienstdoenden dominee soms een half dozijn baby’s, zoo fraai uitgedost als de trotsche moeders kunnen bijbrengen. Een, die geen aardigheid aan de plechtigheid heeft, begint te schreien, de anderen volgen, en des dominee’s stem gaat onder in een koor van geween. Arme stumpertjes, ze voelen denkelijk de hardheid des levens vooruit.

Ouderwetsche baker.

Ouderwetsche baker.

Een lange schotsche predikant treedt ginds een huis binnen, om er een baby te doopen, en de familie en vrienden zitten er al voor in het salon. Ze staan op, als hij binnenkomt in zijn gewone jas, en de korte, eenvoudige plechtigheid begint. Een wit tafellaken is op de tafel uitgespreid, en een familiebowl, een oud zilveren stuk, dient voor heiliger doel dan dat, waar hij oorspronkelijk voor was bestemd. Een moeilijk oogenblik komt voor den vader, als hij staande, terwijl de anderen zitten, een plechtig aanspraakje van den predikant moet aanhooren, waarin hem zijn plichten ten opzichte van het kind worden voorgehouden. Dan legt de moeder Baby in de armen van haar echtgenoot, en hij houdt het den dominee voor.

En om nu nog even naar den top van de ladder terug te keeren, baby’s mogen allen gelijk wezen, zooals een ketterij van mannen beweert, hun doopen is niet gelijk, zooals wij hebben gezien, en zoo is de baby in de hoogstgeplaatste kringen ook niet altijd stil, als dat van hem wordt verlangd. Hij wordt gedragen door een nurse in het wit. Zij draagt het vorstelijk kind, terwijl voor haar uit een gepoederde lakei gaat. Als ze bij de deur van de zaal zijn gekomen, voor de plechtigheid bestemd, is daar reeds een doorluchtig gezelschap bijeen; een dame, die dienst heeft, neemt het kostbare kindje over en de doopdienst begint. Dan biedt zij baby aan de koningin aan, eerste peettante, en Haar Majesteit reikt het kindje op het voorgeschreven moment over aan den aartsbisschop van Canterbury. De vorstentelg wordt gedoopt met water uit de Jordaan, terwijl de doopvont een gouden bowl is van sierlijken vorm en prachtig bewerkt, welke schaal gebruikt wordt voor alle koninklijke kinderen, geboren in het Vereenigd Koninkrijk. Daaromheen staan de peten gegroepeerd naar hun rang. Onnoodig te zeggen, dat de held van den dag altijd gekleed is in de fijnste stoffen, niets is te goed voor hem; maar alles is wit gehouden. Echte kant speelt er een hoofdrol bij. In enkele aanzienlijke familiën wordt een historisch geworden doopkleed gebruikt en altijd met de grootste zorg bewaard.


1 Uit ”Living London”, edited bij George R. Sims. Cassell and Co Limited. London, Berlin, Paris, New York, Melbourne.

Het hedendaagsche Londen.

Enkele plichten en genoegens der “upper ten”.

Een repetitie van de Royal Choral Society in de Albert Hall.

Een repetitie van de Royal Choral Society in de Albert Hall.

Hoe zullen wij onzen namiddag zoek brengen? Dit is een probleem, ’t welk londensche schoonen gaarne met vereende krachten pogen op te lossen; d.w.z. zij zoeken daarbij het gezelschap eener uitverkoren vriendin; minder om eene tegenstelling te vormen met hare eigen bekoorlijkheid, dan wel om deze door harmonische samensmelting te verhoogen. Bijna dagelijks komt Miranda de lieve Virginia bezoeken; vindt natuurlijk de laatste nog niet gereed, en brengt eenigen tijd door voor den spiegel in het boudoir, waar zij zich nog eens bedient uit Virginia’s poederdoos, bromt over het slechte licht, en zorgvuldig elk onderdeel van haar toilet de revue laat passeeren. Als zij ten slotte niet volkomen tevreden is over het effect, dat zij maakt, lucht zij hare verontwaardiging in eenige knorrige opmerkingen over Virginia’s gebrek aan punctualiteit, waaraan deze door hare verschijning al spoedig een einde maakt. Daarop volgt een haastige opsomming van al de dringende plichten, welke beiden nog dien zelfden middag hebben te vervullen.

“Je moet volstrekt met mij naar de B’s, en dan naar de D’s.”—“Dat kan onmogelijk, beste; want ik moet om vier uur bij de C’s zijn.”—“Je mag mij in geen geval in den steek laten; want ik moet mij op vijf plaatsen te gelijk vertoonen van middag, en ik zal het nooit klaarspelen, als je mij niet helpt.”—Dat is wel een der lastigste eigenaardigheden van het gezellig verkeer in de londensche groote wereld, dat men, indien men alle samenkomsten zou willen bijwonen, waar men verwacht wordt, noodzakelijk overal te gelijk zou moeten zijn. Iemand, die zaken deed uit pure liefhebberij, verklaarde eens, dat een werkdag eigenlijk slechts uit drie uren bestond, namelijk van tien tot één. Maar de dames, die eveneens uit liefhebberij haar genoegen najagen, zien haar dag ineenkrimpen tot een tweetal uren, die tusschen vier en zes. En wat zullen ze nu eerst doen, onze vriendinnen Miranda en Virginia, die daar, naar de allerlaatste mode uitgedost, in de elegante, fonkelnieuwe victoria stappen, die wacht, om haar naar de plaats harer bestemming te vervoeren?

“Bond Street”, wordt den knecht toegevoegd, die het portier sluit.—Bond Street, dat Mekka van de vrouwelijke groote wereld. Zou er trouwens wel ééne vrouw in heel Londen zijn, die niet éénmaal in haar leven de woorden heeft gesproken: “Laten we eens in Bond Street gaan kijken?”—En toch denkt niemand er aan, dat Bond Street daardoor evenveel recht heeft verworven op een beroemden naam, als Fleetstreet, dat zijne vermaardheid gedeeltelijk heeft te danken aan het feit, dat Dr. Johnson er gaarne zijne middagwandeling deed.

Virginia en Miranda hebben niet veel tijd noodig, om dat heerlijk oord te bereiken, hoewel eene opeenhooping van rijtuigen op den hoek van Bruton Street een kort oponthoud veroorzaakt. Maar op haar weg erheen wordt plotseling hare aandacht getrokken door de aankondiging van eene schilderijententoonstelling in Piccadilly, waar ze eerst even afstappen, om een ietwat oppervlakkigen blik te slaan op de kunstwerken, die prijken aan de wanden, doch daarentegen hare onverdeelde aandacht te schenken aan de niet minder boeiende gewrochten der natuur, die ze al rondwandelende bewonderen. Of het toeval is, dat Miranda hier juist haar vriend Charles ontmoet? Misschien is het beter, zich daarin niet te verdiepen, noch onbescheiden gissingen te wagen omtrent de reden, die Virginia noopt, plotseling eene boodschap te gaan doen aan den overkant van de straat, waar zij zegt volstrekt eene voile te moeten koopen, hoewel zij toch anders alles van dien aard uit Parijs bestelt. Maar aan den zachten drang der vriendschap geeft zij gaarne gehoor, en zij luistert met voorbeeldig geduld naar de langdradige vertoogen van den onderdanigen en belangstellenden winkelier, die zoo laat in den middag, als er weinig klanten zijn, al den tijd heeft, om elk item van den uitgebreiden voorraad in zijn magazijn uitbundig aan te prijzen, en altoos eindigt met de alles afdoende verzekering, dat dit of dat artikel “veel gedragen wordt.”

Virginia koopt eene voile, die ze niet noodig heeft, bezichtigt stalen van kant, die zij niet van plan is te bestellen, en bekijkt zelfs met gelatenheid de nieuwste modellen van zijden blouses, tot een opgewekt: “Wat heb ik je in lang niet gezien! Mij dunkt, je begint dik te worden!” haar doet opschrikken. De spreekster is een zekere Mevrouw F., wier neiging tot gezetheid ongeveer het eenige onderwerp van hare overdenkingen en gesprekken uitmaakt, en die niet kan nalaten, al hare vrienden en kennissen in gedachten de maat te nemen; eene hebbelijkheid, waarmede die vrienden onbarmhartig den draak steken. Bij de onvermoeide pogingen, door Mevrouw F. aangewend om hare vroegere slankheid te herwinnen, is zij, om zoo te zeggen, beurtelings gekookt en geschroeid, gewreven en geboend; bij tusschenpoozen half verhongerd, en heeft met lijdzaamheid de meest kwellende martelingen doorstaan. Alle apostelen van de eene of andere “schoonheidsleer” hebben haar onder hun aanhang geteld, en hoewel zij met de jaren langzaam maar zeker in omvang blijft toenemen, zij geeft den moed niet op. Elke kwakzalvers-advertentie wordt door haar met ingenomenheid begroet, en zij begunstigt al hare uitverkoren vriendinnen met intieme mededeelingen omtrent de werking der aangeprezen middelen; terwijl zij haar geen grooter genoegen kunnen doen, dan na dergelijke confidenties te verzekeren, dat zij toch werkelijk eer slank is, dan het tegendeel, en die medicijnen in het geheel niet noodig heeft.

Virginia neemt op een papiertje het adres der laatst ontdekte specialiteit voor massage in ontvangst, en keert na een vluchtig afscheid terug naar de schilderijententoonstelling, om te zien, of Miranda hare kunstbeschouwing thans heeft geëindigd.

Om 4 uur ’s middags in Bond-Street.

Om 4 uur ’s middags in Bond-Street.

Charles is waarlijk een allerbeminnelijkst jongmensch, die bij alle beminnelijkheid zijn zin weet door te zetten en de dames bij het afscheid toefluistert: “Die receptie bij Lady E. zal ondragelijk vervelend zijn, als ik er u beiden niet ontmoet!” “Tot over een half uurtje dan!” wordt hem toegeroepen, als het rijtuig wegrijdt van de tentoonstelling, die op de beide vriendinnen geen overstelpend diepen indruk heeft gemaakt. De koetsier legt de zweep over de paarden, en in afwachting van de behandeling, die hare bekoorlijke handjes zullen ondergaan in een der meest bekende salons voor manicure, trekt Miranda haar handschoenen uit, en vindt dat haar rose nageltjes hoognoodig volgens de regelen der kunst moeten worden gefatsoeneerd en verfraaid, terwijl zij tevens het vermoeden te kennen geeft, dat Virginia’s vriend, Guy, omstreeks vijf uur in den bewusten salon zal worden aangetroffen. Zelfs bij zulk eene alledaagsche zaak, als nagels knippen en borstelen, speelt hier waarlijk het gevoel nog eene rol.

In eene geparfumeerde atmosfeer, tusschen zilveren en ivoren instrumenten en geheimzinnige in vloeipapier gewikkelde pakjes, met zachtgekleurde linten omstrikt, wachten keurig gekleede jonge dames op hare schoone clientèle, die zij doen plaats nemen in gemakkelijke rieten stoelen, met vooruitstekende zijschermen, waarachter druk wordt gepraat en geflirt; want het mannelijk element is sterk vertegenwoordigd, en Guy, die de komst der dames blijkbaar met verlangen heeft tegemoet gezien, staat reeds op, om haar te begroeten.

Virginia vindt bij nader bedenken, dat er bij de behandeling zooveel haast niet is; maar zij laat zich toch door eene gedienstige jonge dame overhalen, hare vingertoppen in welriekend water te doopen, en hare nagels een weinig te laten bij kleuren en polijsten, terwijl Guy verhalen doet van paarden, waarop hij had willen wedden, en honden, die volgens hem op een prijs kans hebben, en ten slotte Virginia eene vertrouwelijke mededeeling doet omtrent de reden, waarom eene zekere Mevrouw V., eene gemeenschappelijke kennis, niet op een diner is verschenen, waar zij beiden genoodigd waren. “We zouden wel eens kunnen gaan kijken, of ’t waar is, wat ze van haar vertellen,” zegt hij, “want ze moet van middag deelnemen aan ’t concours in ’t mennen voor dames, in Ranelagh. Zullen we eens gaan zien, of ze daar komt, en met wie? Ik geloof het wel niet, wat er verteld wordt; maar.... mijn motor staat klaar, en we zijn er in een half uurtje, als je wilt.” Virginia vindt ook, dat de menschen zoo akelig kwaadsprekend zijn. ”’t Is eigenlijk niet meer dan onze plicht,” zegt ze, “om ons zelf te gaan overtuigen of die praatjes waar zijn,” en zij stemt dus gaarne in Guy’s voorstel toe.

Intusschen heeft Miranda hier en daar een praatje gehouden, een nieuw reukpoeder voor haar bad en een fleschje alleronschuldigste schoonheidsbalsem gekocht, zich verbaasd over de ijdelheid van haar medeschepselen, en eindelijk ontdekt, dat de tijd niet stilstaat, en Virginia schijnt te vergeten, dat zij nog op de receptie van Lady E. moeten verschijnen.

Bij de manicure.

Bij de manicure.

Op ’t zelfde oogenblik fluistert Virginia haar haastig toe: “Ben je misschien van plan een parfumeriezaak op te zetten? Kom toch gauw mee; ik moet straks nog met Guy naar Ranelagh, en we mogen Berkeley Square niet verzuimen.”—Haast eer Miranda tijd heeft om haar gedachten te verzamelen, staan ze al in het dichte gedrang op de breede trap bij Lady E., die in grijze zijde en echte kant in de deur van haar salon haar gasten ontvangt. “Wat ben je laat,” voegt zij de beide dames toe. “Je hebt mijn mandolinespelers gemist, en ook eene alleraardigste lezing van een Amerikaan, maar je komt nog juist bij tijds, om te hooren, wat kolonel W. over de spijsvertering heeft te zeggen.” Boven het verwarde gerucht van vele damesstemmen hooren ze daarbinnen: “Lady Q. is eene modezaak begonnen, en we gaan bij niemand anders meer koopen dan bij haar. Haar modelkamer is een boudoir, met zijden behangsel, prachtig ingericht, en al de hoeden komen zóó uit Parijs. Virginia, je moet er bepaald eens heengaan; ’t is de moeite waard, een kijkje te nemen.” Virginia maakt de opmerking, dat eene modemaakster uit den hoogeren stand haar heeft verzekerd, dat de klandizie harer vriendinnen haar nog eens zal ruïneeren; want dat al die vriendelijkheid op niets neerkwam dan onbetaalde rekeningen. De eenigszins verlegen stilte, die volgt op deze mededeeling, wordt gelukkig verbroken door de aankondiging van Lady E., dat Herr G. een stuk van Beethoven zal voordragen, waarop het geheele gezelschap, na de eerste zware accoorden, eenparig en nog eens zoo luid aan het babbelen gaat. Miranda is uit haar humeur; zij vindt die uitvoeringen belachelijk, en zij komt om te praten, zooals zij beweert. Haar tong staat dan ook niet stil, zelfs onder het reciteeren van een wonderkind, waarvoor zij diepe minachting schijnt te koesteren. Gelukkig verschijnt weldra haar vriend Charles, die haar meetroont naar den Botanischen tuin, om de hondententoonstelling te zien, waar hij een schipperke heeft ingezonden. Miranda vindt dit eene uitkomst, nu Virginia in gezelschap van Guy haar motortochtje heeft ondernomen, en zij rijdt getroost met Charles naar Regent’s Park, waar zij reeds uit de verte door een oorverdoovend geblaf en gehuil worden begroet. Charles’ schipperke wordt naar behooren gewaardeerd, en stellig een tweeden prijs waardig gekeurd; maar over de Chows geraakt zij in verrukking, “omdat ze zoo sprekend op katten lijken.” Als ze ten slotte naar den optocht gaan kijken van beroemde actrices met hare lievelingshonden, wordt Charles’ aandacht zoo uitsluitend door de dames in beslag genomen, dat Miranda hem vriendelijk verzoekt, “een beetje uit de drukte te gaan en wat langs den vijver te wandelen.”

Intusschen snort de motor naar Ranelagh, waar alles er even feestelijk uitziet, en meer afwisseling heerscht dan op de gewone wedrennen. Hier een wedstrijd in het mennen, daar een polo-match, en overal drommen van belangstellende toeschouwers. “Mevrouw V. is er wel degelijk,” fluistert Virginia opgewonden; “ze heeft een prachtig span paarden, en ik zag haar zooeven praten met haar eigen man! Van die praatjes geloof ik nu niets meer!” Er wordt druk gewed onder de toeschouwers, en een klein meisje, met lang, loshangend haar, dat door haar vader met angstige bezorgdheid wordt nagezien, schijnt bepaald de favorite te zijn. “Dat kleintje heeft veel kans,” verzekert Guy, en waarlijk, zij wint den eersten prijs en wordt met daverende toejuichingen begroet. Virginia amuseert zich uitstekend, en gaat op een gemakkelijken stoel in de schaduw zitten, tot zij zich plotseling herinnert, dat zij beloofd heeft, de hertogin van X. te helpen bij een bazaar, die dien middag in Kensington wordt gehouden, ten voordeele der arme Ieren, en dat Miranda er op rekent, met haar thee te drinken in Kensington Gardens.

De motor doet goede diensten, en weldra ziet Virginia zich bestormd door ijverige verkoopsters, terwijl de hertogin, gewapend met potlood en notitieboek, ieder verachtelijke blikken toewerpt, die niet voor een groot bedrag aan loten neemt in de tombola. Guy offert gewillig zijne sovereigns, en verneemt kort daarna, dat hij de gelukkige bezitter is van eene witte kanten japon. Bij het kraampje met handteekeningen van beroemde mannen hooren ze van de lachende verkoopster, dat de echte Pinero’s zijn uitverkocht; “maar,” voegt zij er guitig bij, “ik ben tòch ’t laatste half uur nog twaalf kwijtgeraakt tegen een sovereign per stuk, voor de goede zaak natuurlijk!” Intusschen komt Lady H. aandragen met eene groote rol flanel, die zij volstrekt wil kwijt raken, eer zij naar huis gaat. Guy is zoo beleefd, haar van dien last, en zijn beurs van eenige overtollige goudstukken te bevrijden, en verstopt zijn aankoop fluks achter in het bloemenkraampje, waaruit hij te voorschijn treedt met een bouquetje in ieder knoopsgat.

Polo in Ranelagh.

Polo in Ranelagh.

Virginia vreest, dat Miranda ongeduldig zal worden, en vindt, als zij eindelijk onder de boomen van Kensington Gardens aankomen, die vrees bewaarheid. De dames begroeten elkaar hartelijk, en hoewel ze beiden “doodmoe” zijn, neemt haar gebabbel geen einde, tot de schaduwen langer worden, de zon een rooden gloed werpt over het groene gras, en de nog steeds druk pratende wandelaars hunne schreden richten naar de wachtende rijtuigen, ”’t Is gezellig geweest,” zegt Miranda bij het afscheid, en haastig wipt ze de stoep op, om zich te gaan kleeden voor het diner en zich verder voor te bereiden op den misschien nog veel drukkeren avond van bals en partijen, die haar wacht. En concerten, niet te vergeten, want als men de muzikaliteit eener plaats moest afmeten naar het aantal concerten dat er te hooren valt, zouden de Londenaars met recht voor de muzikaalste stervelingen ter wereld kunnen worden gehouden. En al heeft Londen sinds de dagen van Purcell, aan de wereld geene groote componisten geschonken, het is een feit, dat Londenaars, van de hoogste kringen tot den eersten besten bewoner eener achterbuurt, buitengewoon veel behagen scheppen in muziek. Nergens worden zulke groote sommen betaald, zelfs door niet zeer vermogende lieden, voor plaatsen in de opera bij een symphonische uitvoering, een oratorium, of een piano-recital.

Onder de verschillende plaatsen, waar men in Londen muzikale genietingen kan smaken, verdient zeker in de eerste plaats het groote operagebouw in Covent Garden te worden genoemd. Leelijk, vuil, somber en zwart berookt, in een doolhof van onoogelijke straten gelegen, wekt het de verwondering van elken vreemdeling, die gewend is aan de ruime, fraaie, op zorgvuldig onderhouden pleinen gelegen operagebouwen van Weenen, Parijs of New-York.

Ook van binnen vertoont de londensche opera geen spoor van kunstzin of verfijnden smaak in uiterlijke inrichting, maar het tooneel, met zijne electrische machines en volmaakte decoraties, kan met de meest beroemde theaters wedijveren. Covent Garden levert in den season werkelijk een schitterend schouwspel op. Buiten strekt zich, eene kwart mijl naar het Westen, eene onafzienbare reeks van rijtuigen uit, waarin men door de ruiten nu en dan juweelen ziet schitteren, of een bekoorlijk gelaat onderscheidt. Binnen is men eenigszins onder den indruk van het feit, dat het de eerste voorstelling van den season is.

De geheele voorname wereld van Londen is daar verzameld, diplomaten, groote bankiers, steunpilaren der City in menigte. In de loges is het één verblindende pracht van schitterende juweelen, en blanke armen en schouders, die de schoonheid dier sieraden doen uitkomen. De orkestdirecteur neemt zijne plaats in, en buigt voor het publiek. Langzaam gaat het gordijn op, en op het tooneel vertoont zich het geheele gezelschap in de costumes, waarin zij dien avond zullen optreden. De prima-donna treedt naar voren; het publiek staat als één man op, en heft eenstemmig “God save the King” aan, waarna eerst de eigenlijke uitvoering begint. Na elk bedrijf worden zoowel de directeur als de artisten, en bij de uitvoering van een nieuw werk natuurlijk ook de componist, wel vier, vijf, tot zesmaal teruggeroepen, met een vuur, dat soms doet twijfelen aan de bewering, dat Engelschen zoo phlegmatisch van aard zouden zijn. In de pauze worden de binocles druk gebruikt en men legt over en weer in de loges bezoeken af. Men is er als in een besloten kring; Covent Garden is weer geopend, en de eigenlijke season is begonnen.

De opera in Covent Garden.

De opera in Covent Garden.

Niet ver van daar, in het eene of andere kleine Variëteitentheater wordt weer op andere wijze genoten. Daar verdringen zich kleine jongens in grooten getale op de galerij, en de begroetingen, tusschen deze jongelui gewisseld, zijn, schoon iets minder vormelijk dan in Covent Garden, niet minder hartelijk gemeend. De aangename geur van gebakken visch, die in papier gewikkeld, wordt medegebracht en in de pauze verorberd, prikkelt uwe reukzenuwen, terwijl uw gehoororgaan wordt vergast op het eigenaardig schel gefluit, waarmee de jeugdige Londenaar zijne afkeuring te kennen geeft, of het doordringend neusgeluid waarmede hij instemt in de geliefkoosde refreinen, waarvan hij de woorden natuurlijk op zijn duimpje kent. In de betere Variëteitentheaters gaat het weer iets deftiger toe; het Palace, Empire en Alhambra zijn dan ook waarlijk eenig in hun soort, en kunnen de vergelijking doorstaan met alle andere inrichtingen van dien aard in Europa.

Thee in de Kensington Gardens.

Thee in de Kensington Gardens.

Wat symphonische uitvoeringen betreft, over gebrek daaraan heeft Londen zich niet te beklagen. De Philharmonic Society, de Richterconcerten, gedirigeerd door Dr. Richter uit Manchester, en de uitvoeringen van de Royal Amateur Orchestral Society, waarbij de leden der koninklijke familie niet zelden verschijnen, van al deze uitstekende muziekuitvoeringen kunnen zij geregeld genieten. Een orkest echter, het Queen’s Hall Orchestra, onder zijn begaafden dirigent Mr. Henry J. Wood, munt boven alle andere orkestvereenigingen uit, en schenkt ook aan de minder vermogende liefhebbers van muziek een goedkoop en onvermengd genot door zijne verrukkelijke promenade-concerten, waarvan men des zomers voor één shilling kan genieten, terwijl zelfs rooken hierbij niet verboden is.

In 1903 heeft Prof. Kruse, van het strijkkwartet van dien naam, de leiding op zich genomen van wat in Londen nooit anders wordt genoemd dan “the Pops”, eene afkorting voor “Popular Concerts”. Voor het groote publiek is de klassieke kamermuziek, welke daar wordt uitgevoerd, niet bestemd; maar de kenners kunnen er van harte genieten. Deftige oude dames met wit haar komen er in gezelschap van hare echtgenooten, die haar ouderwetsche shawls nadragen, om de kalme genoegens te smaken, die het luisteren naar een rustig strijkkwartet haar eer zal verschaffen, dan de overweldigende klank van een vol orkest. In de reusachtige Albert Hall, in Kensington, worden Oratoria uitgevoerd door de leden van de Royal Choral Society; terwijl nog onlangs weer een groot nieuw concertgebouw, the Aeolian, werd geopend, waarin de beroemde Broadwood-concerten worden gegeven. Wat de lengte der programma’s betreft, daarin spannen zeker de Ballad-concerts, van de heeren Chappell en Boosey de kroon; want deze duren soms vier uren achtereen. Wel is waar schijnen zich zoowel de zangers als het publiek al dien tijd uitstekend te vermaken; maar men zou aan de waarheid te kort doen, wanneer men wilde beweren, dat het muzikale gehalte dezer uitvoeringen evenredig was aan het onschuldig genoegen, daar gesmaakt. Nog tot 1904 vertoonden in St. James’ Hall the Mohawk Minstrels, opvolgers van Moore and Burgess’ negerzangers, met zwartgemaakte gezichten hunne origineele dansen, begeleid door gezang. Eene soort van muzikale uiting is er welke het Londensch publiek steeds met ingenomenheid heeft begroet, nl. de komische operette, die door Sir Arthur Sullivan, in zijne voor het Savoy Theatre gecomponeerde stukken tot eene buitengewone hoogte werd opgevoerd.

Wie onder de inwoners van Londen eene muzikale opleiding wenscht te ontvangen, behoeft de gelegenheid daartoe niet ver te zoeken. Aan de drie grootste muziekscholen van Londen, de “Royal Academy of Music”, de “Guildhall School”, en de “Royal College”, studeeren thans met elkaar meer dan 4000 leerlingen. De meesten zullen het misschien niet verder brengen dan tot den nederigen rang van muziekonderwijzer of onderwijzeres; maar er worden aan deze inrichtingen uitlokkende, en niet àl te onbereikbare medailles uitgereikt, en zelfs eerste proeven van jeugdig compositietalent in het publiek uitgevoerd, zoodat het geen wonder mag heeten, als het meisjeskoor van Royal Academy leerlingen, met haar witte jurken en gekleurde zijden ceintures altijd goed bezet is, en onder de leerlingen een opgewekte geest heerscht. Des zomers geven de leerlingen van de Royal Academy en het Royal College eene uitvoering van de eene of andere opera in een der groote theaters van het West-End, waarbij natuurlijk de bewonderende vrienden en verwanten in elken jeugdigen tenor een aanstaanden De Reszke, en in elke lieve sopraan eene toekomstige Melba zien.

De “upper ten” kunnen in den season ook nog genieten van de State Concerts in Buckingham Palace, waar de grootste artisten uit Covent Garden zich laten hooren voor de Koninklijke familie, en van verschillende uitvoeringen ten huize van hun rijke vrienden, die gaarne ter wille van hun gasten eene of andere beroemde prima-donna 200 pond sterling betalen voor het zingen van een paar liederen, of zelfs het dubbele van die som offeren voor het onvergelijkelijke genot van Paderewski te mogen hooren in besloten kring.

Al brengen de Londenaars niet zoo geregeld hun zomeravonden in de buitenlucht door, als de bevolking der andere groote steden van Europa, toch genieten op echt warme zomersche avonden in Hyde Park duizenden gearmde paartjes van de muziek van een of ander Guards’ Regiment, terwijl in andere parken de uitstekend geschoolde muziekkorpsen van de County Council gratis uitvoeringen geven. Op straat halen de ongelukkige “German bands”, bij wie het publiek den wil meest voor de daad moet nemen, toch altijd nog hun pennies op, en het piano-orgel moge al sommigen onzer tot wanhoop drijven, het is en blijft de “Pop” van den armsten Londenaar.

Op Zaterdagavond gevoelen zich dikwijls de bewoners van het East-end of de “Surrey Side” gedrongen, in meer luide dan welluidende tonen hun aangeboren muzikalen zin te uiten. Rijen van mannen en jongens nemen de geheele breedte der straat in beslag, en trekken al zingende verder, de een gewapend met een mondharmonika; de ander met een stuk hout, waarmee hij op een leege, blikken trommel slaat; allen vergenoegd en tevreden, vooral wanneer een koor van schrille meisjesstemmen luidkeels invalt bij hunne muziek. Het wordt intusschen steeds later en een paar schreden verder, op den hoek eener straat, jaagt een knecht uit de herberg het laatste troepje straatmuzikanten uiteen, dat eerst met klokslag twaalf hun versleten instrumenten laat rusten, om er des morgens al vroeg weder op uit te trekken.

Schrille contrasten zijn in Londen aan de orde van den dag, en aan de scherpe tegenstelling tusschen de diepste armoede en de meest verkwistende weelde wordt men er bij elken stap herinnerd. Meer dan ooit is dit het geval, wanneer de koninklijke familie in Londen verblijf houdt, of vreemde vorsten als gasten in de Metropolis ontvangt. Verbazende sommen worden dan verdiend door de winkels tusschen Oxford Street en Pall Mall gelegen; want daar de Londensche juweliers, kunsthandelaars, lederfabrikanten en kleermakers allen in het buitenland hoog worden geroemd, maken zij bij zulk eene gelegenheid de beste zaken.

Zoo brengen ook die openbare plechtigheden, waaraan hunne Koninklijke Hoogheden zich verwaardigen deel te nemen, en de optochten, waarin zij eene plaats bekleeden, den bewoners der buurten, waar de stoet zich vertoonen zal, ongeloofelijke winsten aan. Geen wonder, dat de bevolking van Londen met blijdschap de tijding begroette, dat Koning Edward en Koningin Alexandra voornemens waren veel meer in de hoofdstad te vertoeven, dan Koningin Victoria tijdens haar leven had gedaan. Koning Edward is dan ook in Londen geboren, evenals zijn zoon, de troonopvolger. Van het leven, dat de Koninklijke familie leidt gedurende hun verblijf in de hoofdstad, en hunne dagelijksche bezigheden, buiten de onvermijdelijke plichten, die hun hooge waardigheid medebrengt, is het publiek weinig bekend, hoewel de inrichting der koninklijke paleizen, Marlborough House en Buckingham Palace, meermalen werd beschreven.

De meeste menschen weten wel, dat Koningin Victoria het grootste gedeelte van den dag in de buitenlucht placht door te brengen; maar ook Koning Edward en zijne gemalin scheppen veel behagen in het buitenleven, en in het fraaie châlet in het Park van Buckingham Palace, dat onlangs geheel nieuw is ingericht, brengen zij een groot deel van hun tijd door. Buckingham Palace is prachtig gelegen voor garden-party’s en roeitochten, en de post van “King’s Watermen” is thans geen sinecure meer.

Een groot gedeelte van den dag wijden de leden der Koninklijke familie aan hun correspondentie. Al de kinderen van Koningin Victoria waren gewend, haar dagelijks berichten te zenden, en ook Koningin Alexandra schrijft veel aan haar familie, terwijl hare kinderen haar gedurende hunne afwezigheid geregeld op de hoogte houden van hun wedervaren. Zoowel de Koningin als de Koning hebben hun eigen secretarissen; maar natuurlijk blijven altijd brieven over, die slechts door hen zelf kunnen gelezen en beantwoord worden. Koning Edward wijdt elken morgen twee volle uren aan die taak. Hij gebruikt voor die private correspondentie nog altoos denzelfden ouderwetschen, staanden lessenaar, die zijn vader hem veertig jaren geleden heeft nagelaten. Het slot wordt geopend met een klein gouden sleuteltje, dat de Koning altoos bij zich draagt.

Koningin Victoria was gewend, met groote strengheid zekere regels van étiquette te handhaven, waaraan de leden van haar gezin zich bij bezoeken aan Londen hadden te onderwerpen. Tot nog toe wordt daarvan ook thans niet afgeweken. Zoo mag bijv. geene prinses van den bloede, hoe jong ook, haar lunch of diner gebruiken in eene restauratie, waar het publiek toegang heeft. Dit verbod noodzaakt de leden der Koninklijke familie, als zij eens voor een enkelen dag in de stad komen, de gastvrijheid hunner vrienden of verwanten in te roepen. Zulk een verzoek wordt door hem, die het ontvangt, als een gebod beschouwd. Wanneer de Koning of de Koningin voornemens zijn, een bezoek af te leggen, wordt hiervan tijdig bericht gezonden, zoodat de aanwezigheid van andere bezoekers in ieder geval kan worden vermeden.

Wie in de termen valt, om den Koning eene uitnoodiging te zenden voor een lunch of een diner, kan niet eenvoudig rechtstreeks dien wensch aan Zijne Majesteit te kennen geven. De uitnoodiging geschiedt door een tusschenpersoon, een der hovelingen, en als de Koning haar aanneemt, wordt hem eene lijst voorgelegd van de overige genoodigden, waarin Z.M. soms veranderingen aanbrengt. Ook bij zijne intieme vrienden aan huis wordt de Koning door zijn eigen personeel bediend, evenals toen hij nog Prins van Wales was.

Van vertooning houdt de Koninklijke familie in het geheel niet, en wat den eenvoud en de strikte orde aangaat, die heerscht in de Koninklijke huishouding, mochten vele hunner onderdanen wel aan hen een voorbeeld nemen. De Koninklijke keuken is geheel en al toevertrouwd aan de zorgen van één chef. En elk onderdeel van het menu, ’t zij het er een is voor 10 of 100 personen, wordt in het Paleis zelf gereed gemaakt. Nooit wordt hulp van buitenaf ingeroepen. Niemand anders dan de Prins van Wales in eigen persoon was het, die gedurende de laatste dertig jaren een geheelen omkeer heeft te weeg gebracht in wat men “de londensche wijze van dineeren” zou kunnen noemen. De Koning en de Koningin hadden beiden een afkeer van de lange, vermoeiende gastmalen, die in Koningin Victoria’s dagen in zwang waren, en zij brachten hierin de gewenschte verandering, door vast te stellen dat geen diner ten hunnen huize langer dan een uur mocht duren. Hun voorbeeld vond natuurlijk overal navolging.

Op mooie voorjaars- en zomermiddagen heeft Londen dikwijls gelegenheid hare Majesteit te aanschouwen en te begroeten, als zij, vergezeld van hare dochter, haar rijtoer doet. Het is altoos een merkwaardig schouwspel, die plotselinge stilstand van het verkeer, als het Koninklijk rijtuig zich vertoont, al die opgelichte hoofddeksels en diep buigende hoofden, en de belangstellende gezichten der omstanders, wanneer hun geliefde Koningin zich aan hun blik vertoont.

Als de Koningin echter eene tentoonstelling bezoekt, naar de kerk rijdt, of haar bloedverwanten gaat opzoeken, onderscheidt haar eenvoudig rijtuig zich door geen bijzonder kenteeken van andere équipages.

Hoezeer de Koning ook sedert zijne troonsbeklimming met bezigheden moge zijn overladen, toch vindt hij altoos gelegenheid, wanneer hij in Londen vertoeft, alles te zien en te hooren, wat er merkwaardigs bij te wonen valt. Is er eenig kunstwerk van beteekenis tentoongesteld, dan worden hunne Majesteiten daarvan aanstonds verwittigd; en als hooggeplaatste Indische ambtenaren, of beroemde ontdekkingsreizigers de stad bezoeken, worden zij somtijds geheel onverwacht op Marlborough House ontboden, waar zij gewoonlijk bemerken, dat de Koning niet alleen van hun werk goed op de hoogte is, maar ook zeer goed thuis is in die verre streken, welke het terrein zijn van hun onderzoek.

Als Prins en Prinses van Wales woonden hunne Majesteiten dikwijls de huwelijksvoltrekking bij van oude vrienden, of edellieden van hoogen rang. Thans laten zij zich bij zulke gelegenheden vertegenwoordigen door hun kinderen en familieleden. Zij besteden jaarlijks eene groote som aan huwelijksgeschenken, die met veel zorg worden gekozen en altijd van een paar vriendelijke woorden vergezeld gaan.

De Koning heeft zich tot regel gesteld, nooit eene particuliere begrafenis bij te wonen, en slechts eenmaal is hij van dien regel afgeweken, toen hij zijn en zijner moeder trouwen vriend en dienaar Kolonel Oliver Montagu de laatste eer bewees. Doopplechtigheden wonen de Koning en de Koningin ook nu nog gaarne bij. Zij zijn peetvader en petemoei van zeer vele kleintjes uit de londensche groote wereld, en wanneer deze door hunne Majesteiten in eigen persoon worden ten doop gehouden, heeft de plechtigheid meestal plaats in de Koninklijke kapel van het St. James’ Palace.