XII.

De oud-geloovigen.

Al deze zonderlinge secten en geheime genootschappen zouden weinig gewicht in de schaal leggen, en hoogstens als merkwaardige uitingen van deels politiek, deels godsdienstig fanatisme de aandacht verdienen, indien zij enkel op zich zelf stonden, en niet veelmeer teekenen waren van een algemeen verspreide kwaal in het groote rijk. Hun aller gemeenschappelijke levensbodem, waarin zij wortelen, is de felle, diep verborgen afkeer van de officiëele orthodoxe kerk.

Buiten Rusland zijn er maar weinig menschen, die kennis dragen van het bestaan eener andere, populaire kerk nevens de officiëele; en nog minder is het bekend dat deze beide kerken in rustelooze vijandschap en bitteren strijd met elkander zijn gewikkeld. Toch mag dit feit geen oogenblik worden voorbijgezien door ieder, die zich rekenschap wil geven van de wezenlijke gesteldheid en de ontwikkeling van het russische rijk.

De aanhangers dezer populaire kerk zijn de zoogenaamde oud-geloovigen, dat wil zeggen: zij, die de voorgewende hervormingen van den patriarch Nikon verwerpen, en de oude, van de vaderen overgeleverde liturgie hebben behouden. „Gij zult in ons land, zeide een priester van het oude geloof tot mij, een kerk van Byzantium en eene kerk van Bethlehem vinden; eene oude leer en eene nieuwe leer; een stelsel van menschelijke inzetting en een van God gegeven Evangelie.”

Niemand heeft tot dusverre het juiste getal opgegeven van hen, die als oud-geloovigen zich van de staatskerk hebben afgescheiden. De regeering heeft somwijlen den schijn aangenomen, als wilde zij hen als dissenters behandelen; maar nooit heeft men den moed gehad, hen officieel onder de ketters en sektarissen te begrijpen. Men heeft hen beurtelings gehaat, gevreesd, gevleid, mishandeld; spionnen hebben hen bespied; de politie heeft hen in de gevangenis geworpen; ministers hebben hen door schitterende aanbiedingen pogen te verlokken; maar nooit heeft men het gewaagd hen te tellen, want de regeering zelve deinsde terug voor de waarheid, die dan onverbiddelijk aan het licht zou komen. Een andere en betere geest heerscht tegenwoordig in het Winterpaleis: men sluit de oogen niet langer voor de werkelijkheid: en deze groote kwestie—verreweg de belangrijkste van alle binnenlandsche kwestiën—wordt, met ernst en ijver, naar alle zijden onderzocht en toegelicht. De regeering is tot de overtuiging gekomen, dat in Rusland niets van wezenlijk belang tot stand kan worden gebracht, zonder de medewerking der oud-geloovigen; en bij elken grooten maatregel treedt, in regeeringskringen, de vraag op den voorgrond: „Wat zullen de oud-geloovigen daarvan zeggen?”

Een russische bisschop, die veel in zijn vaderland gereisd had, verzekerde mij, dat het getal der oud-geloovigen tien à elf millioen beloopt; een minister van staat schatte hun aantal zelfs op zestien of zeventien millioen. Een priester van Kèm ging nog verder. „De helft der bevolking, zeide hij, behoort tot het oude geloof; en zoodra ons eenmaal vrijheid geschonken wordt, zal drie vierde gedeelte van het volk tot ons behooren.” Voor zoover mijne eigen ervaring reikt, ben ik geneigd, dien priester gelijk te geven. Een Duitscher, die dertig jaren in Rusland heeft gewoond en het volk goed kende, maar, als Lutheraan, vreemd is aan de onderlinge twisten der sekten, schrijft mij dienaangaande: „Mijne ondervinding heeft mij geleerd, dat, de bevolking in haar geheel genomen, vier van de vijf menschen òf nu reeds oud-geloovigen zijn, òf zich de volgende week daarbij zouden aansluiten, indien zij slechts de zekerheid hadden dat de regeering hen met vrede zou laten.” Dit houd ik voor overdrijving; maar ik word telkens meer bevestigd in mijne overtuiging, dat de oud-geloovigen het eigenlijke russische volk zijn; terwijl de orthodoxen weinig anders zijn dan eene sekte, waartoe het hof, de adel en de geestelijkheid behooren, en die daarom, voor het oogenblik nog, de macht in handen heeft.

Bijna al de boeren in het noorden zijn oud-geloovigen; bijna al de Kozakken van den Don, de helft der inwoners van Nishny-Nowgorod en van Kazan, de meeste kooplieden van Moskou, zijn aanhangers van het oude geloof. In één woord, de voornaamste handelaars en industriëelen, de aanzienlijkste bankiers, de mannen, die in menig opzicht aan het hoofd der maatschappelijke beweging staan en aan wie ongetwijfeld de naaste toekomst behoort, zijn oud-geloovigen.

Gij wandelt door de straten van Moskou, waar telkens uwe aandacht wordt getrokken door de edele pracht der bijkans vorstelijke woningen. Gij vraagt uwen gids: „Aan wien behoort dit huis?”—„Aan Moronzoff.—„Wie is dat?”—„O, mijnheer, Moronzoff is de rijkste man in Moskou; de grootste industriëel van Rusland. Vijftigduizend man vinden werk in zijne fabrieken. Hij is een oud-geloovige.”

„En wie woont hier?”—„Soldatenkoff”.—„Wie is dat?”—„Een schatrijk koopman en een groot industriëel: een van de invloedrijkste mannen in Rusland. Hij is een oud-geloovige.”

„En van wien is dat paleis daar?”—„Dat behoort aan jonkvrouw Rokhmanoff. Zij is onze miss Burdett Coutts; misschien niet zoo rijk, maar vooral niet minder ijverig om goed te doen. Zoo als ge ziet, bewoont zij een prachtig huis; men vindt er niet minder dan dertig receptiekamers, voor de ontvangst van gasten. Ook zij is een oud-geloovige.”

En zoo gaat het voort, van den morgen tot den avond. Gij gaat naar de bazars:—de meeste en fraaiste winkels zijn van oud-geloovigen; naar de universiteit:—de meeste beurzen zijn door oud-geloovigen gesticht; naar de hospitalen:—zij worden grootendeels door oud-geloovigen onderhouden. De oud-russische deugden—en ook de oud-russische ondeugden—gij zult ze vinden bij deze oud-geloovigen: niet bij de maar al te zeer overbeschaafde en ontzenuwde aanhangers der officiëele eeredienst.—„In Rusland, zeide mij eens een scherpzinnig opmerker, zijn er verschillende vormen van eeredienst: een ritus voor het paleis, voor het klooster, voor het kamp; een prachtige en schitterende ritus, misschien geschikt voor keizers en vorsten, maar zeker niet voor de arme visschers langs de kusten der IJszee.”

Een dorpsmuziekant.

Een dorpsmuziekant.

De oud-geloovige is zoowel in zijne godsdienstoefening als in het dagelijksch leven, hoogst eenvoudig en een voorstander van het oude: echt conservatief, zoowel in den goeden als in den kwaden zin. Hij heeft een afkeer van alles wat nieuw is, en omdat het nieuw is: zoowel van eene synode van monniken, als van eene op vreemden grond gestichte hoofdstad. Zijne vaderen gebruikten geen suiker in hunne thee: hij dus ook niet; zij kenden geen gas: de nieuwerwetsche verlichting is ook hem een gruwel. Het is voor hem voldoende, dat het een of ander in vroeger tijd aan zijne voorvaderen onbekend was, om het nu ook onvoorwaardelijk te verwerpen. Deze oud-geloovigen zijn niet minder vijandig gezind jegens het tegenwoordig regeeringsstelsel dan jegens de officiëele kerk. De getrouwe Rus behoort voor den regeerenden monarch te bidden als voor een goed keizer en een goed christen; maar velen van deze oud-geloovigen willen voor den regeerenden monarch in het geheel niet bidden. Sommigen willen wel voor hem bidden als tsaar, maar niet als keizer; doch niemand zal voor hem bidden als voor een christen. Zij houden zijn recht op de kroon voor minstens twijfelachtig. Het woord keizer, zeggen zij, beteekent vorst der duisternis; de dubbele arend is een symbool van den boozen geest; de autocratische regeering is het rijk van den antichrist.

De oorsprong dezer groote, diepgaande scheuring in het maatschappelijk en zedelijk leven des russischen volks valt omstreeks de helft der zeventiende eeuw, in de dagen van den patriarch Nikon: een man, die misschien een niet minder beslissenden invloed op het toekomstig lot van Rusland heeft uitgeoefend, dan de groote tsaar zelf, die, naar het zeggen der oud-geloovigen, zijn natuurlijke zoon was.

In de eerste helft der zeventiende eeuw alzoo, landde een man van middelbaren leeftijd en van een streng somber uiterlijk, aan het klooster te Solowetsk, om op het graf van den heiligen Filippus te bidden en een schuilplaats bij de monniken te vragen. Naar zijn zeggen, was hij de zoon van een boerenarbeider uit een dorp nabij Nishny-Nowgorod, zelf ook landbouwer en gehuwd. In zijne jeugd had hij eenigen tijd in een klooster doorgebracht; en na tien jaren in den echtelijken staat te hebben geleefd, had hij zijne vrouw overgehaald, den sluier te nemen en de bruid des Heeren te worden. Hij had haar in het klooster van Sint-Alexis te Moskou achtergelaten, en zelf zijne schreden gericht naar het onherbergzame, ijzige noorden.

Op het eiland Anzersk, waar tegenwoordig de hoeve staat, leefden destijds eenige kluizenaars, die den vreemden pelgrim in hun midden opnamen. Daar trok hij het monnikskleed aan, en veranderde zijn wereldlijken naam in dien van Nikon; maar hij was zoo onhandelbaar van aard, dat hij weldra met zijn superieur overhoop lag, als vroeger met zijne vrouw. Eleazar, de stichter van deze kluis, wenschte zijne eenvoudige kerk van dennenstammen door eene steenen kerk te vervangen, en toog met Nikon naar Moskou om daarvoor de noodige gelden bijeen te brengen. Zij twistten met elkander onder weg; zij twistten na hunne terugkomst. Eindelijk joegen de monniken den lastigen gast weg; zij zetten hem in eene schuit, gaven hem brood en water mede, en lieten hem vrij om te gaan werwaarts hij wilde, mits hij slechts nooit terugkwam. De stroom wierp hem op een rots, in de baai van Onega; Nikon richtte daar een kruis op, en legde de gelofte af dat hij daar eene kerk zou bouwen, indien de heilige-maagd hem wilde helpen om zijne fortuin te maken.

Een koopman te Moskou.

Een koopman te Moskou.

Op het vasteland aangekomen, werd hij weldra het hoofd van een gezelschap kluizenaars, die zich aan de oevers van het meer Kodjeozersk, in de provincie Olonetz, hadden gevestigd. Daar opende zich voor hem de weg naar macht en aanzien: eene toevallige omstandigheid bracht hem in aanraking met Tsaar Alexis: en hij maakte een zoo overweldigenden indruk op dien niet zeer scherpzinnigen vorst, dat hij binnen weinige jaren alle rangen der kerkelijke hiërarchie doorliep, en achtervolgens tot archimandriet, bisschop, metropolitaan en eindelijk tot patriarch werd verheven.

Nikon, in wien een ondragelijke hoogmoed met sluwe geslepenheid gepaard ging, nam zich voor, het bestuur der kerk met vaster hand te voeren, dan zijne zwakke en onbeteekenende voorgangers hadden gedaan. Met zijne plompe gestalte, zijn grof opgezet gelaat, zijn rooden neus, zijn doffen blik, had Nikon meer weg van een frieschen boer, dan van een russischen monnik; maar toch was hij een hartstochtelijk minnaar van praal en vertooning, en zwol zijn hart van grenzenloozen trots als hij, in de kathedraal, nevens den tsaar op zijn troon zat. De half-barbaarsche glans en pracht, die de byzantijnsche geestelijkheid, zelfs onder de turksche heerschappij, bleef tentoonspreiden, bekoorde zijn oog en hart; en het werd zijn ijverigst streven, den statigen en omslachtigen byzantijnschen ritus ook in zijne kerk in te voeren, zonder te bedenken dat hij, aldus tot de dagen van het oostersche rijk teruggaande, zich de Grieken in hun smadelijkst verval ten voorbeeld nam. Zijne eerste maatregelen waren niet ondoordacht. Hij zond eenige schrijvers naar den berg Athos, die vandaar afschriften medebrachten van de echte exemplaren der oudste gewijde boeken; deze liet hij in het slavonisch vertalen, en met de liturgische boeken, die toen in gebruik waren, vergelijken. Het bleek daarbij, dat in den aangenomen tekst fouten waren ingeslopen: waarom hij zijn schrijvers opdroeg, voor hem eene nieuwe uitgave van de Schrift en van de formulieren te bewerken, waarin de betere lezingen zouden worden opgenomen. Maar verder reikt zijne verdienste ook niet. Nikon verstond geen grieksch; dit belette hem evenwel niet, toen de nieuwe bewerking, over welker verdiensten hij natuurlijk niet oordeelen kon, voltooid was, dit boek met gezag aan de kerk op te leggen. De kerk opperde bedenkingen: Nikon riep de hulp van den tsaar in. De priesters verzetten zich tegen deze inmenging van het wereldlijk gezag: Nikon leverde de weerspannige geestelijkheid over in handen van de politie. Alexis stond hem met al zijne macht bij, om zijn plan te helpen verwezenlijken. Toch stuitte men op een fellen tegenstand, niet alleen in de steden en op het platte land, maar ook in den regeeringsraad, in de kloosters, in de kerk. De boeren en de popen waren al even weinig ingenomen met de veranderingen, die hij wilde maken. De formulieren waren oud en eerwaardig; hunne taal klonk als muziek in aller oor; de woorden zelf schenen bijna goddelijk; sinds onheugelijke tijden waren deze boeken bij de heilige dienst gebruikt; twintig geslachten waren volgens deze liturgie gedoopt, gehuwd en teraardebesteld... Waarom moesten deze heilige boeken nu eensklaps worden weggeworpen, en door anderen, van vreemd maaksel bovendien, vervangen? Nikon beweerde wel dat de nieuwe beter waren: maar hoe kon hij dat weten? De patriarch was nu juist geen kritikus; velen betwistten hem zelfs den naam van een geleerd man. In plaats van nu langzamerhand, door overreding en zachte middelen, de lieden voor zijne hervormingsplannen te winnen, voerde hij al deze nieuwigheden plotseling en met geweld in. Zelfs bleef het nog niet bij zulke tekstveranderingen: hij veranderde ook den ouden vorm van het kruis; hij raakte aan de sacramenten; hij voerde eene nieuwe wijze van zegening in en wijzigde de teekenen op het gewijde brood. Op bevel van den tsaar, die de ver strekkende gevolgen van deze maatregelen niet kon overzien, werden nu deze nieuwe formulieren, deze nieuwe liturgie en geheel deze nieuwe ritus in alle kerken en kloosters van het gansche land ingevoerd. De kerk van Nikon was van nu voortaan de officiëele Staatskerk.

De meerderheid des volks en der geestelijkheid bleef evenwel aan de overgeleverde liturgie getrouw, en verzette zich standvastig tegen alle nieuwigheden. Dit was vooral het geval op het platte land, en met name in de noordelijke provinciën, waar de invloed van het hof zich maar weinig deed gelden. Ook de kloosters boden aanvankelijk tegenstand, en vooral het groote klooster in de Witte-zee. Toen de nieuwe formulieren van Nikon te Solowetsk bekend werden, waren de broederen eenstemmig in hun besluit om ze te verwerpen. De archimandriet alleen, die zich door zijn officiëel karakter gebonden achtte, koos partij voor den patriarch en den tsaar; maar de broeders zetten hun onwilligen archimandriet in eene boot, en voerden hem naar Kèm. Daarop riepen zij het kapittel te zamen, en kozen twee uit hun midden, Azaria en Gerontius, wien zij de leiding van de huishoudelijke aangelegenheden des kloosters opdroegen. Al de Kozakken in het fort voegden zich bij hen; en bijgestaan door de bewoners der nabijgelegen kust, die met hen eenstemmig dachten, volhardden de monniken van Solowetsk, gedurende meer dan tien jaren, in hun gewapend verzet tegen de officiëele kerk. Alleen het verraad bracht hen eindelijk ten onder. De orthodoxe schrijvers, die deze gebeurtenissen verhalen, verzekeren dat de belegeraars, toen zij zich eindelijk van Solowetsk meester maakten, stiptelijk de wetten van den oorlog in acht nemen. Alleen diegenen, die met de wapens in de hand gegrepen werden, werden terdoodgebracht; de anderen werden in vergelegen kloosters overgeplaatst, waar zij bleven, tot zij zich aan het wettig gezag onderworpen hadden. Maar de visschers en landlieden langs de kusten der IJszee bezitten nog oude boeken, waarin de zaak eenigszins anders wordt voorgesteld. Een oude landman haalde eens zulk een boek uit een verborgen put onder den vloer zijner keuken te voorschijn, en wees mij een passage in rooden en zwarten inkt, waar te lezen stond dat al de monniken in het weerspannige klooster tot den laatsten man om het leven werden gebracht.

De zegepraal der belegeraars was voor de natie een groot verlies. Deze overwinning verdeelde de russische kerk in twee vijandige partijen, en de treurige triomf van Nikon heeft waarschijnlijk nog niet al zijne vruchten gedragen. Sinds dien noodlottigen dag staat de eene helft van het volk in vijandschap tegenover de andere; de staatsgodsdienst is in de oogen van millioenen eene gruwelijke ketterij, en de gemeenschappelijke souverein het opperhoofd eener vervolgzieke synode van monniken. Ook in andere opzichten droeg Nikons werk zeer wrange vruchten. De russische kerk werd van hare vrijheid, en daarmede van hare levenskracht, beroofd; al zeer spoedig loste zij zich op in den staat, en verving het wereldlijk gezag de plaats der kerkelijke overheid. Nauwelijks was Nikon ten grave gedaald, of het patriarchaat werd afgeschaft; de keizer trad op als het wettig hoofd der kerk, die welhaast niets meer was dan eene staatsinstelling, een deel der regeeringsmachinerie. Het ideaal, waarnaar het absolutisme altijd heeft gestreefd, en waarnaar het in onze dagen met vernieuwden ijver streeft: de vereeniging van geestelijk en wereldlijk gezag in ééne hand, de volstrekte onderwerping der kerk aan den staat, onder welke schoonschijnende, huichelachtige leuzen ook aanvankelijk vermomd;—dit ideaal werd in Rusland bijna bereikt. Met welk gevolg, weet ieder, die de russische maatschappij van nabij heeft gadegeslagen; en wij zouden wel wenschen, dat zij die zich in oprechtheid vrienden der vrijheid wanen, en, de beteekenis van den strijd onzer dagen niet doorziende, partij kiezen voor den staat tegen de kerk, een weinig meer acht gaven op de les, die hier zoo duidelijk voor ieder spreekt.

De orthodoxe kerk is sedert eene staatskerk, in den slechtsten zin des woords, geworden: zij heerscht over de gewetens, breidt hare grenzen uit en verdrukt de dissidenten, bij dit alles geholpen en gesteund door den wereldlijken arm. Heerschzuchtig en onverdraagzaam, verbiedt zij de lezing van den bijbel, het zelfstandig onderzoek, de vrijheid der gedachte, zonder zelf eenig teeken van leven of ontwikkeling te geven. De oud-geloovigen op hun beurt ondervinden evenzeer de nadeelige gevolgen der afscheiding: niet enkel door de vervolgingen, waaraan hunne „onbekeerlijkheid” hen steeds blootstelt, maar nog meer door de afzondering, waarin zij noodwendig geplaatst zijn. Door dit isolement toch werden zij er van zelf toe gebracht, hunne goede eigenschappen te overdrijven, en een buitensporig gewicht te hechten aan oude gebruiken en oude formulieren. Zij leven in eene eigenaardige verouderde wereld, vreemd aan de begrippen, de denkbeelden en behoeften van den nieuweren tijd, dien zij niet begrijpen, en daarom ook niet waardeeren of liefhebben. Volgens hunne strenge eenzijdige begrippen, begon de heerschappij van den antichrist met Nikon: sedert dien tijd draagt alles wat in het land geschiedt den stempel van onwaarheid en ontrouw.

Evenals de jood en de muzelman, zoo is ook de oud-geloovige, althans een van de strenge richting, dadelijk op het eerste gezicht kenbaar. Ik stond eens met een mijner russische bekenden op de binnenplaats van een posthuis, waar eenige pelgrims bezig waren met eten en drinken. „Zie dien man daar” zeide mijn vriend, „dat is een oud-geloovige.”

„Waaraan ziet ge dat?”

„Zie maar, hoe hij met verachtelijk schouderophalen de aardappelen uit zijn schotel wegwerpt. Dat is een teeken. Ook gebruikt hij geen suiker bij zijn thee; een tweede teeken. Hoogstwaarschijnlijk zal hij ook niet rooken.”

„Zijn dat dan alle kenmerken van een oud-geloovige?”

„Ja; althans in deze noordelijke streken. Te Moskou, Nishny en Kazan is men minder nauwgezet—vooral wat het drinken en rooken betreft; de kozakken van den Don zijn op die punten nog ruimer van geweten.”

„Zijn die kozakken ook oud-geloovigen?”

„Bijna allen; maar onder de regeering van Nicolaas werden geen pogingen gespaard om hen te bekeeren; en aangezien deze kozakken aan de krijgswet onderworpen zijn, stonden hun officieren allerlei middelen ten dienste om hen te dwingen zich aan den wil des keizers te onderwerpen. De hetmans schikten zich naar het geloof van den tsaar; van de minderen lieten er velen zich overhalen om eene officiëele mis bij te wonen. Maar de meerderheid bleef onverzettelijk, en menige fiksche jonkman uit het land aan den Don is naar den Kaukasus uitgeweken, liever dan zijn voorvaderlijk geloof te verloochenen. Ook bij de kozakken moet ge u niet, door den schijn laten bedriegen: want ondanks de ijverige pogingen van popen en politiedienaren, is de grootste helft der kozakken aan hunne oude liturgie getrouw gebleven; en de vrees van hen, door te sterke pressie, tot verzet te prikkelen, heeft in den laatsten tijd de regeering bewogen, meer verdraagzaamheid in acht te nemen.”