XIV.

De wegen.—In het woud.—Russische dorpen.

Hij, die gewoon is op reis niet meer dan het volstrekt noodige mede te nemen, zal op zijne tochten door Rusland dikwijls in verlegenheid geraken, vooral als zijn weg hem door de wouden of de steppen voert. De toebereidselen voor een reis zijn hier een zaak van groot gewicht en van veel overleg. De reiziger heeft te zorgen voor allerlei dingen, waaraan hij in andere landen niet behoeft te denken: kaarsen en kussens, messen en vorken en honderd andere zaken. Twee artikelen bovenal kan hij niet ontberen—een bed en een samovar (trekpot).

Mijn weg van de IJszee tot de zuidelijke hellingen van den Oeral, en van de straat van Jenikale tot de golf van Riga, loopt over land en meer, over heuvel en heide, door het woud en de steppen. Ik moet mij daarbij afwisselend bedienen van alle middelen van vervoer, die in het land in gebruik zijn: droshkis, wagens, schuiten, tarantassen, stoombooten, sleden en spoorwegen. Van Solowetsk voer ik naar Archangel met de boot, die de benoodigdheden voor het klooster haalt. Vader Johannes was zelf aan boord; het was fraai weder; de overtocht werd in den bepaalden tijd volbracht. Van Archangel naar Wietegra, een afstand van achthonderd wersten, heb ik vijf á zes dagen en nachten met postpaarden te rijden door een onmetelijk woud van beuken en dennen. Hier beginnen mijne tribulatiën. Eerst, gehaspel met de politie over mijn podorodjna, een soort van pas, door de politie afgegeven, en waarbij den reiziger het recht wordt toegekend om, tegen een bepaalden prijs, aan de posthuizen paarden te vorderen. Men begrijpt niet, waarom ik niet, als iedereen, met een boot de Dwina opvaar, in plaats van door een land te trekken, waar haast geen wegen zijn. Mijn antwoord, dat ik het dorp Kholmogory, de geboorteplaats van den dichter Lomonosoff, wil bezoeken, bevredigt de politie maar half. Wat is daaraan te zien? Eindelijk echter geeft zij toe: de pordorodjna wordt geteekend. Nu komt de tweede vraag—die van het voertuig: een wagen, een kar of een slede? Er zijn geen diligences: niets dan een karretje, juist groot genoeg om een brievenzak en een knaap te bergen, en dat tweemaal in de week naar de hoofdstad vertrekt. Niemand anders dan de postillon kan daarvan gebruik maken; de vreemdeling moet dus zelf voor een vervoermiddel zorgen: en zijne keus is beperkt tot een kar, eene tarantasse of een slede, welke laatste natuurlijk alleen in den winter bruikbaar is. Ik kies de tarantasse.

Een tarantasse is een beter soort kar, voorzien van een slijkbord, een kap en een trede. Zij heeft geen veeren; want veeren zijn onderhevig aan breken: en wanneer dit ongeval u overkwam in een streek, waar ge mijlen en mijlen in den omtrek geen enkele menschelijke woning vindt, zou de ramp onherstelbaar wezen. De eenvoudige bak rust op balken, ruwe pijnstammen, van de takken en bladeren beroofd, met de bijl gehouwen, en bevestigd aan de assen van twee paar wielen, die negen of tien voet van elkander verwijderd zijn. Een lederen huif en kap beschermen eenigszins tegen den regen: niet veel echter, want de snijdende windvlagen en geweldige stortbuien dringen overal door. Het aartsvaderlijke voertuig is licht en luchtig; noch voor de vervaardiging, noch voor de herstelling wordt bijzondere kunstvaardigheid vereischt. Het kan wel gebeuren, dat, bij het voortdurend hossen en stooten, een der balken breekt; geen nood: gij houdt even aan den boschrand stil; de voerman hakt een denneboom om, stroopt er de takken en bladeren af—en ziedaar, de zaak is weêr in orde! Binnen een half uur is de schade hersteld.

Ik wenschte de tarantasse tot Petersburg, of althans tot Wietegra, te huren: maar de eigenaar was daartoe niet te bewegen. Ik moest dan het rijtuig koopen: maar dit ging niet, want wat zou ik, eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, met de tarantasse uitvoeren? De engelsche consul redde mij uit de verlegenheid: hij gaf mij zijn bediende Dimitri mede, die het rijtuig weder terug zou brengen. De eigenaar nam daarmede genoegen.

De tarantasse staat voor de deur: een ledige bak, waarin onze bagage geborgen wordt; eerst de grootere stukken, hoedendoos, geweerkist, koffer; dan bossen hooi, om de ledig gebleven ruimten en openingen op te vullen, gevlochten koorden van stroo, om den boel bijeen te houden, over dit alles ons bed, onze mantels en pelzen. In de hoeken en openingen vinden vervolgens een houthakkersbijl, een kabeltouw, een kluwen garen, een zak met spijkers, een pot met vet, een korf met brood en wijn, een stuk gebraden vleesch, een trekpot en een sigarenkoker, eene meer of minder geschikte plaats.

Wij vertrekken met de eerste schemering, ten einde bij het aanbreken van den dag aan het veer over de Dwina te zijn; onder de hoeven onzer paarden spat het slijk naar alle kanten, en kraakt het houten plaveisel der straten van Archangel.—„Vaarwel! Pas op de wolven en op de roovers! Vaarwel! goede reis!” klinkt het uit een dozijn monden:—en de vriendelijke, half bevrozen stad ligt achter ons.

Den ganschen nacht rijden wij, onder een donkeren hemel, nu en dan flauwelijk door een enkele ster verlicht, langs een doodschen akelig-eentonigen weg: dennen ter rechterzijde, dennen ter linkerzijde, dennen voor ons, dennen overal. Wij hotsen door een dorp, en wekken eenige rondzwervende honden uit hun slaap; wij komen aan het veer, en steken de rivier over op een vlot; wij rijden over steenen en door zand; wij waden door poelen en moerassen; nachten, dagen achtereen; altijd door onze weg vervolgende te midden der sombere bosschen, waar nu de verdorde bladeren bij hopen den grond bedekken, en ronddwarrelen bij iederen windvlaag, die huilende door het woud vaart. De eene dag van dezen tocht is volkomen gelijk aan den anderen. Zoo ver wij zien kunnen, strekt zich een open baan, ongeveer dertig ellen breed, voor ons uit. De dennen en beuken gelijken allen op elkander; de dorpen zijn nog meer aan elkaar gelijk dan de boomen. De eenige verandering is in de gesteldheid van den weg: afwisselend zand of moeras, gras of boomstammen. Op een afstand van duizend wersten, zijn er honderd met boomstammen geplaveid; tweehonderd wersten zijn zand; driehonderd gras; vierhonderd slijk en moeras. Wij spotten met de Russen, die spoorwegen aanleggen in streken, waar geen straatweg en zelfs geen gewoon pad te vinden is. Ten onrechte: een ijzeren baan is juist de meest natuurlijke weg in deze wouden, waar steenen uiterst zeldzaam zijn.

Is het rijden door het zand al erg genoeg, dit is niets bij hetgeen u te wachten staat, als ge aan de boomstammen komt. Op zekeren nacht kon ik het niet langer uithouden; ik troostte mij met de gedachte, dat onze bagage slecht was ingepakt, en dat eene andere schikking ons meer gemak zou bezorgen. Mijn koffer vooral eischt dringend eene andere plaats. Daar hij mij bij dag voor bank, en de nachts voor bed dient, speelt hij een voorname rol in onze kleine komedie; maar geene verschikking van de andere voorwerpen, geen opvullen met hooi of stroo, geen overdekken met mantels en pelzen, kan dien oproerigen koffer tot rust brengen. Hij glijdt en schudt en woelt onder mij, en springt op bij elken schok. Wij beproeven hem vast te binden met koorden en touwen en riemen: niets helpt—hij blijft even onrustig. Wat mijn rug en mijn lenden daarbij te lijden hadden, zal ik maar niet pogen te schetsen!

Goddank!—wij zijn eindelijk te Kholmogory! Op een hoogte langs de rivier gebouwd, vroolijk en vriendelijk met zijn gouden kruis, zijn grasrijke paden, zijn witte en rooskleurige huizen, zijn booten aan den oever, zijn zandige vlakten in het verschiet, ligt daar het fraaie dorp, ruim en luchtig. Hier ziet ge een kerk, ginds een klooster, schitterend van kleuren en verguldsels; de huizen zien er netter en welvarender uit, dan doorgaans in zulke vlekken het geval is. Zooals, het daar voor u oprijst, met dien donkeren gordel van dennen- en beukenwouden, is Kholmogory inderdaad waardig de geboorteplaats te zijn van een volksdichter als Lomonosoff.

Het Kremlin te Moskou.

Het Kremlin te Moskou.

Tusschen Kholmogory en Kargopol, tusschen Kargopol en Wietegra, vindt men niets dan dorpen: op dezen ganschen langen weg van minstens vierhonderd mijlen lengte, ontmoet ge geene enkele verzameling van huizen, waaraan ge met eenigen schijn van waarheid den naam van stad zoudt kunnen geven. De heirbaan loopt maar altijd voort: nu eens langs de oevers der rivier, dan weder zich verliezende in de diepten van het woud; doch steeds onafgebroken, als een smal lint, voortgaande van het noorden naar het zuiden. Niets stuit dien eentonigen weg: hij steekt de rivieren over, hij vervolgt zijn loop over steenen, moerassen en veengronden; hij kruipt voort over gebroken rotsen; hij bestijgt de lage heuvelen, en daalt af in de vochtige valleien. De voerman, trotsch op zijn vier paarden, met touwen en kettingen naast elkander voor de tarantasse gespannen, jaagt rusteloos voort, als gold het een helschen wedloop met den booze, in de hoop, dat hij daarvoor een extra kop thee verdienen zal. Dit harde rijden is trouwens eene vaste gewoonte bij de russische koetsiers, die er zich op beroemen, dat zij het iemand, voor tien kopekken, groen en geel voor de oogen kunnen doen worden. Dag aan dag, van den vroegen morgen tot den laten avond, rennen wij voort door moerassen en dennenwouden. Nergens is een sloot, een dijk, een haag, een omheining te bespeuren: geen enkel teeken dat de grond aan iemand toebehoort. In vliegende vaart hollen wij voorbij een groot houtvuur, waar omheen een groep armelijk gekleede lieden zitten, die ons op onvriendelijken toon groeten, terwijl sommigen opstaan om ons na te oogen.

„Wat zijn dat voor lieden, Dimitri?”

„Landloopers. Waarschijnlijk zijn het vluchtelingen.”

„Vluchtelingen? Waarvoor vluchten zij dan?”

„Ja, dat zijn zonderlinge lui, die niet werken willen, zich aan wet noch gebod storen, en zich nergens willen vestigen. Gij kunt ze hier overal in de bosschen vinden: het zijn ware wilden. Te Kargopol zult gij er wel meer van hooren.”

In deze stad, aan de rivier de Onega, in het gouvernement Olonetz gelegen, vernam ik meer bijzonderheden omtrent deze landloopers, die inderdaad een lastig en gevaarlijk slag van menschen zijn. Ook in Nowgorod en in Kazan hoor ik van deze zwervende bevolking spreken, die in een groot deel des rijks verspreid is: een verschijnsel, op zich zelf reeds een kwaad, maar als teeken van den maatschappelijken toestand nog veel bedenkelijker. In de gouvernementen, Jaroslaw, Archangel, Wologda, Nowgorod, Kostroma en Perm, zwerven gansche benden dezer onrustige, weerspannige vagebonden rond. Zij zijn nomaden, in den waren zin des woords. Zij verlaten hunne huizen en landerijen, doen afstand van hunne rechten als boeren of burgers, kleeden zich in lompen, nemen den pelgrimsstaf ter hand, verbreken alle banden der familie, trekken zich in het diepst van het woud terug, en wonen in moerassen en zandwoestijnen, in openbare vijandschap met de maatschappij, de kerk en den staat. Sommigen doen inderdaad geen kwaad: zij brengen hunne dagen door in sluimering en hunne nachten in gebed, terwijl de boeren hen van spijs en drank voorzien; maar ook al bepaalt zich hun verzet tegen de gevestigde orde van zaken alleen tot zulk een lijdelijken wederstand, dan nog is dit een bedenkelijk verschijnsel. Deze lieden willen niet arbeiden voor de spijze, die vergaat; zij weigeren zich te onderwerpen aan de bevelen der overheid; zij erkennen de wet niet, waaronder zij leven. Zij beweren dat het tegenwoordige regeeringsstelsel een werk des duivels is; de tsaar is voor hen de vorst der duisternis; zijn raadslieden en de heeren van zijn hof zijn valsche getuigen en gevallen heiligen. Zij zelf willen niets gemeens hebben met de booze wereld, waarvan zij vlieden, zooals Abraham vlood van de ten ondergang gedoemde steden der vlakte.

Naar het schijnt hebben deze nomaden, althans in sommige provinciën, eene eigene organisatie, met opperhoofden aan wie zij gehoorzamen, als ook bepaalde plaatsen van bijeenkomst en gemeenschappelijke Godsvereering. Doorgaans vinden zij steun en hulp bij de boeren, hetzij dan uit werkelijke sympathie, hetzij uit vrees voor wraakoefening. Zeer zelden vinden zij de deur der hoeve voor zich gesloten; en bijna nooit wordt een aanklacht tegen hen bij de politie ingediend. Zelfs in die streken, waar zij, naar men zegt, nu en dan plunderen en gewelddadigheden plegen, valt het uiterst moeilijk iets omtrent hen te vernemen, en vindt vooral de politie niet de minste medewerking.

Niemand zal ontkennen dat, vooral in de ernstige crisis waarin de russische maatschappij thans verkeert, zulk een staat van zaken een wezenlijk gevaar oplevert. De geest, die deze benden avonturiers bezielt, en hen drijft zich aldus vijandig tegenover de maatschappij en hare inzettingen te plaatsen, en feitelijk tot den chaos der barbaarschheid terug te keeren, is zekerlijk een der moeilijkste hinderpalen, die eene waarlijk vrijzinnige en hervormingsgezinde regeering op haar weg ontmoeten kan. Tegenover dit onrustbarend verschijnsel rijzen ernstige vragen op. Is de russische boer inderdaad rijp voor vrijheid en zelfbestuur, alleen door de gehoorzaamheid aan de wet beperkt? Indien de ondervinding mocht bewijzen, dat een aanzienlijk deel der landelijke bevolking in Rusland zich over dezen hartstocht voor een zwervend nomadenleven laat vervoeren,—zooals sommigen hopen en velen vreezen—dan is de proeve van emancipatie, door den tegenwoordigen tsaar genomen, mislukt, en is de burgerlijke vrijheid misschien voor meer dan honderd jaren verloren. De keizer heeft eene bijzondere commissie benoemd, om de door de regeering ingewonnen berichten en rapporten betreffende deze zaak te onderzoeken. Dat onderzoek is nog niet afgeloopen; naar het schijnt heeft de commissie nog tot geen besluit kunnen komen, en geen middel aan de hand weten te doen om het voortwoekerend kwaad te stuiten.

Inmiddels gaat ons het eene dorp na het andere voorbij!

Deze russische dorpen gelijken zoozeer op elkander, dat wie er een gezien heeft, er honderden heeft gezien; hebt ge er twee verschillende gezien, dan kent gij ze allen. Het doet er weinig toe, of het model groot of klein is, van hout of van leem gebouwd, in het woud verscholen of te midden der naakte steppen geplaatst: gij zult overal dezelfde vormen en dezelfde groepeering van woningen vinden, duizende malen herhaald. Er zijn slechts twee verschillende typen van dorpen: die van Groot- en die van Klein-Rusland; van de eerste vindt ge de beste voorbeelden in de omstreken van Moskou; van de laatste in den omtrek van Kiew.

Een groot-russisch dorp bestaat uit twee rijen hutten, door eene breede en vuile straat gescheiden. Elk huis staat op zich zelf; het getal dezer woningen wisselt af van tien tot honderd. Van geheel gelijkvormige dennestammen opgetrokken, die op dezelfde wijze gehouwen en saamgevoegd zijn, zijn de huizen onderling volkomen gelijk, alleen behoudens het verschil in grootte. De woning van het dorpshoofd is grooter dan de anderen; daarop volgt die van den slijter, de brandewijnkroeg. Vier ruwe wanden, waarvan de gaten en spleten met mos zijn toegestopt, en waarin een paar deuren en eenige vensters zijn uitgehouwen; een schuin oploopend, vooruitstekend dak—ziedaar het uiterlijke. Van binnen geen andere vloer dan de naakte bodem; de zoldering bestaat uit dennen balken en planken. Verf is eene onbekende weelde; het duurt dan ook niet lang, of de wanden en de gevel zien bijna geheel zwart door den regen en den rook. De ruimte tusschen de huizen ligt geheel open: een vuile modderpoel, waarin de varkens zich welbehagelijk rondwentelen, en de nijdige wolfshonden grommen en vechten. De zoogenaamde straat is met planken bevloerd. Hier en daar prijkt eene enkele woning met een soort van balkon, een koestal, en zelfs met eene bovenverdieping. Nabij het dorp verrijst een kapel, eveneens van boomstammen gebouwd en met planken gedekt; maar hier vindt ge, zoo al niet verguldsel, dan ten minste eene mengeling van kleuren. De wanden der kapel zijn wit geschilderd, het dak is groen; en misschien heeft een of andere rijke boer, voor zijne rekening, het kruis laten vergulden.

Rondom deze akelige woningen strekken zich de weinig minder akelige velden en akkers uit, die de dorpelingen met hun zweet besproeien. Vlak, laag, zonder hagen of eenige afsluiting, missen die akkers, in hunne naakte eentonigheid, schier alle poëzie; nergens een welriekende rozenheg, nergens een boomgaard, niets dat aan een thuis, eene eigene woning, herinnert. De moestuinen hebben niets van tuinen: zij zijn niets meer dan regelmatig afgedeelde stukken grond, waarop groenten geteeld worden. Geen enkel bloempje verkwikt in deze wildernis uw oog.

In Klein-Rusland, in de oude poolsche provinciën van het westen en het zuiden, vindt ge een andere type van dorpen. In plaats van de vuile, berookte boomstammen, eene schilderachtige mengeling van groen en wit; in plaats van de regelmatig op eene rij gezette blokhuizen, eene groep woningen, te midden van het geboomte verspreid. De huizen zijn meest van aarde en biezen gebouwd; het dak is met stroo gedekt; de wanden zijn met kalk bestreken; een haag van biezen en doornen omgeeft die gansche groep. Is elk huis op zich zelf ook klein, het heeft toch zijn voorplaats en zijn tuin. Er zijn geen straten in het dorp; de haag heeft slechts twee openingen, eene ten noorden, en eene ten zuiden; en zoo ge van de eene opening naar de andere wilt gaan, moet ge een aantal paden of stegen doorkruisen, met doornen hagen en biezen omzoomd, en bevolkt door nijdige, gevaarlijke honden. Het schijnt wel, dat ieder hier volle vrijheid had om zijn huis te bouwen, waar hij wilde, alleen zorg dragende dat zijn erf binnen de algemeene omwalling bleef. Zulke dorpen, zonder eenig plan gebouwd, en waarin ieder huis door een tuin is omringd, beslaan natuurlijk eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds; sommige dorpen der Kozakken doen in omvang voor geen matige stad onder. Natuurlijk heeft ieder dorp zijn kerk, wier rijke kleurenpracht en eigenaardige bouworde de bekoorlijkheid van het landschap verhoogen.

In de wijde landstreek tusschen Kiew aan de Dnjeper en Kalatsh aan den Don, behooren al de dorpen tot deze tweede type. Het verschil met de groot-russische dorpen ligt zoowel in het huis als in den tuin; en dit verschil wijst op eene andere opvoeding, misschien wel op een ander ras. De Groot-Russen zijn schroomvallig, zachtaardig en meegaand van karakter; zij sluiten zich gaarne aaneen, en trachten zooveel mogelijk bij elkander te blijven en in eene soort van gemeenschap van goederen te leven. De Klein-Russen daarentegen zijn levendig, prikkelbaar, ondernemend van aard; zij zijn gaarne hun eigen meester en heer, en staan liefst op zich zelf, ten einde gelegenheid te hebben om al hunne krachten en talenten te kunnen ontplooien. Een inwoner van Groot-Rusland voert zijne bruid naar de ouderlijke woning; een inwoner van Klein-Rusland geleidt haar liefst zijn eigen huis binnen.

Het woud duikt achter ons weg in eindeloos verschiet, en wordt dunner en dunner. Wij ontmoeten eene vrouw, alleen in haar eenvoudige kar gezeten; straks komt ons een wagen tegemoet, door soldaten te voet begeleid, en waarmede gevangenen, die deels geboeid zijn, onder opzicht van eene oude vrouw worden vervoerd. De zorg voor de dienst langs de wegen is, bij wijze van heeredienst, aan de dorpen opgelegd; wanneer een reisgezelschap in een dorp aankomt, moet de oudste of hoofdman zorgen voor het noodige—wagens, paarden, voerlieden—zooals in de podorodjna staat geschreven. Maar zeer dikwijls gebeurt het, dat er in het dorp geen andere mannen te vinden zijn dan knapen of grijsaards. De volwassen mannen zijn verre, verre weg: zij zwerven als visschers door de Poolzee; zij hakken hout in de wouden rondom Kargopol; zij zijn op de bever- en vossenjacht in het Oeralgebergte, en laten hunne vrouwen maanden lang alleen achter.

De groote klok en de toren van Iwan Wilikoï te Moskou.

De groote klok en de toren van Iwan Wilikoï te Moskou.

Dorpen, dorpen en nog eens dorpen! Wij ontmoeten nogmaals een boerewagen, door soldaten begeleid en waarin een gevangene geboeid ligt; uit het kreupelhout gluurt ons een wolf aan; een pelgrim gaat ons voorbij, op weg naar Solowetsk; wij rennen langs een troep spelende jongens, wier kleederen op dit oogenblik in de wasch schijnen te zijn; daar staat, half omvergevallen, een gebroken wagen; straks doet het woeste geblaf van eenige honden ons opschrikken; en dan gaat het weer, uren achtereen, door het stille zwijgende woud. Toch komt een straal van liefelijkheid en poëzie ook deze eenzame streken verhelderen en bezielen. Een geurige, frissche koelte doet de bladeren zachtkens ritselen; de lucht is helder; en zijn de lijnen ook bijna allen vlak en effen, de hemel is blauw, en de zon giet haar gouden stralen over het landschap uit. Dikwerf prijken de oude boomstammen met de fraaiste kleurschakeeringen, en de zwevende koeltjes ruischen als muziek door de hooge dennen. Hier en daar groet u van verre, in het lommer verscholen, een schilderachtig klooster. Daar ginds is een boschbrand uitgebarsten; de bleekroode vlammen verheffen zich hoog in de lucht, half gehuld in dikke wolken van purperkleurigen rook. Een open plek, getuige van een vroegeren brand, straalt in al de kleurenpracht der liefelijkste herfstbloemen. Een aanvallig kind, met blonde krullen en zachte blauwe oogen, staat langs den weg, en groet ons met bijna oostersche bevalligheid. Daar ritselt en klatert een beek dwars door de afgevallen bladeren. Nieuwe groepen: eene vrouw, met eene kom melk in de hand; meisjes, die in het heldere riviertje haar linnengoed spoelen, onder het oog van het Onze-Lieve-Vrouwenbeeld. Overal zijn de lieden wel is waar eenigszins plomp en ruw, maar inderdaad godsdienstig en wellevend; in hunne donkere wouden richten zij kruisen en kapellen op, en maken alzoo de sombere vervelende wegen tot lichtende sporen, die de gedachten ten hemel heffen.

Wij houden stil in een dorp, aan den oever van een klein donker meer.