XXI.

Alexander.

De Krimoorlog heeft aan het russische volk zijn eigen nationaal leven teruggegeven. „Sebastopol!” zeide mij een hoofdofficier, „Sebastopol is gevallen, opdat ons land vrij zou zijn.” Het tartaarsche rijk, door Iwan den Verschrikkelijke gegrondvest, door Peter den Groote hervormd, bleef in het wezen der zaak bestaan, ondanks europeesche namen en vormen, tot op het oogenblik dat de verbonden legers in de Krim landden. Geslagen aan de Alma en te Balaklava, streed dat rijk zijn laatsten kamp op de hoogten van Inkermann; naar tartaarsche wijze, zond daar het oude Rusland zijne laatste „groote horde” in die vallei van Baidar, waar in de holen en rotskloven nog enkele overblijfselen der stamgenooten van Batoe-Khan en Timoer huisvestten. Die laatste, wanhopige worsteling was beslissend; wat na Inkermann volgde, was betrekkelijk bijzaak. Het aziatische Rusland ging op dien bloedigen winterdag te gronde; het europeesche Rusland trad in het leven.

Hoewel nu en dan, door vreemde invloeden, verzacht en gekleurd, nu eens door fraai klinkende woorden, dan weder door een zeker mystiek patriotismus, bleef het oude tartaarsche stelsel van kracht tot op de tegenwoordige regeering. In dit stelsel was de monarch alles, het volk niets; het leger was een horde, de adel eene verzameling van ambtenaren en officiëele personen, de kerk een afdeeling van het departement van politie, de massa des volks een troep slaven.

Nikolaas was aan dat stelsel gehecht, en met zijn vast karakter en doortastende energie paste hij het toe, in eene mate en met eene volharding als sinds de dagen van Peter den Groote niet was gezien. Maar hierin verschilde hij van zijn voorganger, dat hij geen voorliefde gevoelde voor de kunsten en wetenschappen der westersche beschaving; hij had een hekel aan spoorwegen, en gevoelde een diepe minachting voor de dagbladpers. Zijn hof geleek op een kamp; hij wilde dat de studenten een uniform zouden dragen; de opvoeding was in zijne oogen niet anders dan eene militaire africhtingsmethode. Hij zelf, hij alleen, was de staat, de kerk, het leger, alles te zamen. Daar hij zijn rijk wilde afsluiten, zooals de Khans van Khiwa en Bokhara hunne staten afsluiten, had hij langs zijne grenzen een cordon van troepen en wachters getrokken, die het den vreemdeling bijna even moeielijk maakten in Rusland te komen, als den inboorling om daaruit te ontsnappen; en zoolang hij regeerde, was zijn rijk voor het overige der beschaafde wereld bijna een onbekend land, in geheimzinnige nevelen gehuld. Die onbekendheid kweekte wantrouwen: want men is steeds geneigd te vreezen hetgeen men niet kent; en Europa stond tot dezen monarch bijna in dezelfde verhouding, als weleer Moskou stond tegenover Timoer-Beg. Het russische regeeringsstelsel was mongoolsch, niet slavisch; en de machtige autokraat, die dit stelsel handhaafde en er mede te gronde ging, zal later in de geschiedenis bekend staan als de laatste aziatische keizer en de laatste europeesche Khan.

In welken toestand verkeerde het rijk, toen Alexander II den troon beklom? Zijne macht was gebroken; de geallieerde legers stonden in zijn land; zijne havens waren gesloten; zijne vloten waren in de diepte der zee verzonken; zijne legers keer op keer geslagen. Van de Newa tot den Theems zag hij geen enkelen vriend of bondgenoot, van wien hij hulp en krachtige ondersteuning kon verwachten. Rusland had toch een millioen soldaten onder de wapenen. Waarom kon deze ontzaglijke krijgsmacht den vaderlandschen bodem niet beschermen? Zij waren in hun eigen land, dat zij kenden, aan welks klimaat en eigenaardige luchtsgesteldheid zij gewend waren. Zij vochten bovendien voor hetgeen den mensch boven alles dierbaar pleegt te zijn. Vanwaar dan, dat zij onvermogend waren zich te handhaven tegenover den minder talrijken vijand, die op vreemden bodem streed, en wiens soldaten door geen andere motieven dan de soldij en roemzucht gedreven werden?

Keizer Nikolaas bekende, eer hij stierf, de waarheid: zij verscheen hem in onmiskenbare trekken, bij het schijnsel zijner brandende steden, bij zijne vluchtende legers, zijn machteloos kanonvuur. Hij begreep dat hij niet enkel met vijandelijke soldaten te doen had; dat de publieke opinie in geheel Europa tegen hem was, en dat het volk van lijfeigenen, hetwelk hij met zoo strenge hand regeerde, niet vóór hem was. Rusland was niet met hem. Hier lag de geheime oorzaak zijner ongeneeslijke zwakheid. De lijfeigenen, de Oud-geloovigen, al de sectarissen van wat naam ook, waren al te gader tegen hem; in hunne oogen was zijn regeeringsstelsel iets anti-nationaals, ja bijna iets demonisch; en nacht en dag rees hun gebed dat het uur der verlossing van deze booze macht weldra mocht slaan. De ontdekking dat het volk hem, in zijn strijd tegen de westersche mogendheden, met zijn leger alleen liet staan, brak zijn hart. Toen zijn trots gebroken was, heeft Nikolaas, naar men zegt, aan Alexander de oorzaken van zijn nederlaag, zooals die zich voor hem ontsluierden, aangewezen, en heeft de stervende keizer zijn opvolger vermaand een anderen en meer vrijzinnigen weg in te slaan. Wie zal zeggen of dit verhaal waarheid behelst? Wie zal de geheimen van dat sombere, tragische sterfbed openbaren?

Wat hiervan zij, het is zeker dat de nieuwe souverein handelt alsof hij zulk eene waarschuwing ontvangen heeft. Hij begon zijne regeering met eene daad van barmhartigheid: de poorten van honderden kerkers werden geopend; duizenden ballingen werd de terugkeer vergund. Met de westersche mogendheden werd een eervolle vrede gesloten, en het droombeeld van de inneming van Konstantinopel terzijdegesteld. Een rijk van zeventig millioen inwoners mocht ook zonder dat sterk genoeg geacht worden, om zijne positie te handhaven.

Na aldus zich met het buitenland te hebben verzoend, keerde Alexander zich naar het volk, aan zijne hoede toevertrouwd. De groote meerderheid zijner onderdanen bestond uit lijfeigenen; nauwelijks een van de tien kon lezen; nauwelijks een van de vijftig zijn naam teekenen. Een zeer groot aantal hield zich buiten alle gemeenschap met de officiëele kerk. De lijfeigenen werden verdrukt door de edelen; de Oud-geloovigen werden geplaagd en vervolgd door de monniken: en toch vormden deze twee klassen de eigenlijke kern en kracht des lands, toch waren zij de natie zelve. Indien hij buiten het leger en buiten de officiëele wereld, die den ondergang van het oude stelsel niet hadden kunnen keeren, een steunpunt zocht, waar elders kon de keizer het vinden dan bij de lijfeigenen ten platten lande, bij de Oud-geloovigen in de steden? Maar hoe zou hij deze millioenen, verbitterd door lijden en verdrukking, bezield door godsdiensthaat, met het rijk verzoenen, en hunne sympathie voor zich winnen?

De keizer wilde zelf en van nabij het volk leeren kennen, over hetwelk hij geroepen was te regeeren; hij bezocht hunne steden en hunne dorpen; hij mengde zich onder hen, en trok van de IJszee naar de Kaspische-zee, van de Weichsel naar den Oeral; hij knielde nevens hen te Solowetsk en te Troïtza; hij onderhield zich met hen op de openbare wegen en aan de oevers der meren; hij sloeg hen gade in de wouden en mijnen: tot hij zich overtuigd had dat hij beter bekend was met het russische land en het russische volk dan een enkele zijner staatsdienaars. Met de aldus verkregen kennis toegerust, ondernam hij de oplossing van het groote vraagstuk der lijfeigenschap, en bracht die groote hervorming tot stand, in spijt van de tegenwerking zijner ministers en raadslieden.

Terzelfder tijd ondernam Alexander de hervorming van het leger. Hij schafte den knoet af, en verbood het toedienen van stokslagen; hij richtte scholen in de kazernen op, stelde ook voor niet-adellijken ruimere gelegenheid tot bevordering open, en deed wat hij kon, om, zoowel in een physiek als in een moreel opzicht, den soldaat te verheffen.

Ook de universiteiten ondergingen eene herschepping: de studenten legden hunne zwaarden en uniformen af, en de bijzondere privilegiën, aan hun korps toegekend, werden afgeschaft. Het universitair onderwijs verloor den stempel der militaire dressuur; de leerstoelen werden ingenomen door burgerlijke hoogleeraren; en de jonge lieden die de colleges volgden, werden geheel gelijkgesteld met hunne medeburgers, onderworpen aan dezelfde overheid en aan dezelfde wet. De hoogescholen werden vrij, en de studenten werden niet langer gevreesd als „dienaars van den tsaar.”

Deze hervorming werd gevolgd door eene andere, van nog veel grooter gewicht voor het algemeen en dieper ingrijpende in het nationale leven: die van het rechtswezen. De rechtspraak werd aan de politie ontnomen, en uitsluitend aan de rechtbanken toegekend, die voortaan alleen bevoegd zouden zijn, van alle overtredingen en misdaden kennis te nemen en de schuldigen te vonnissen. In plaats van de willekeur van een dikwijls omkoopbaren beambte, vond de aangeklaagde nu de onpartijdigheid van een jury, bijgestaan door een met de wet vertrouwden, wel onderwezen rechter.

Ter zelfder tijd werden die plaatselijke parlementen ingesteld, districts-vergaderingen en provinciale vergaderingen: die uitmuntende leerscholen, waar de burgers leeren denken en spreken; de gronden voor en tegen eene zaak overwegen en dienovereenkomstig beslissen; waar vooral ook de groote kunst onderwezen wordt om afwijkende meeningen te eerbiedigen en te waardeeren, en zich te oefenen in die eigenaardige deugden van matiging en zelfbeheersching en praktischen zin, die voor een gezond openbaar leven onmisbaar zijn.

Eene groote, alles beheerschende vraag, meer dan eenige andere het harte des volks rakende, bleef nog over. De bij uitnemendheid teedere kerkelijke kwestie moest nog worden opgelost: de verhouding tusschen de zwarte of reguliere en de witte of wereldlijke geestelijkheid; de betrekking van de orthodoxe kerk met de Oud-geloovigen; van de Heilige-Synode met de dissenters, en tevens de invloed, dien de kerk rechtmatig over het onderwijs en de opvoeding behoort uit te oefenen, en de verhouding van de kanonieke wet tot de burgerlijke.

Men zou meenen dat in een land als Rusland elk dezer hervormingen op zichzelf meer dan voldoende zou zijn om geheel een menschenleven te vorderen; toch werden zij door dezen kloekmoedigen en edeldenkenden monarch allen te zamen ter hand genomen. Ondanks den tegenstand van de drie machtigste partijen in het rijk—de zwarte geestelijkheid, die het gezag aan hare handen voelt ontglippen; de oude legerhoofden, die vasthouden aan het denkbeeld dat de soldaten met den stok moeten worden geregeerd; de spilzieke edelen, die aan het verblijf te Homburg of te Parijs de voorkeur geven boven het eentonige leven op hunne goederen;—ondanks dien tegenstand, zet de keizer, met onbezweken volharding, zijne groote taak voort. Wat wonder dat hij aangebeden wordt door de boeren, de burgers, de lagere geestelijkheid, door allen, in één woord, die in vrede wenschen te leven, hun akker te bebouwen, hunne zaken te behartigen en hunne gebeden op te zeggen.

Inmiddels gaat de keizerlijke hervormer ongestoord zijn weg, alleen, door zorgen gedrukt, door huiselijke rampen gebogen, in zijn openbaar leven met allerlei tegenwerking kampende.


Op een somberen Decemberdag, omstreeks den avond, stappen twee vreemdelingen in eene boot aan de kaai der Newa, en varen snel, tusschen de drijvende ijsschotsen door, naar de dreigende citadel van Sint-Petrus-en-Sint-Paulus, waar behoudens eene enkele uitzondering, al de keizers en keizerinnen, die na Peter den Groote over Rusland geregeerd hebben onder de marmeren zerken en gouden kruisen rusten. Eensklaps laten de roeiers hunne riemen rusten en nemen hunne mutsen af; opziende, ontwaren de vreemdelingen den keizerlijken gondel, door twintig roeiers gevoerd, dicht in hunne nabijheid. De keizer zit in die boot: slechts een enkel officier staat nevens hem. Bij het voorbijvaren beantwoordt hij den groet der reizigers, springt aan land, wikkelt zich in zijn wijden grijzen mantel, en richt zich met haastige schreden naar de kerk. Niemand vergezelt hem. De zes of acht voorbijgangers, die hij ontmoet, ontblooten hun hoofd, en treden eerbiedig ter zijde om hem voorbij te laten gaan. De hoofdingang der sombere kerk is gesloten; met zekere overhaasting richt de tsaar zich naar eene zijdeur, waar hij een kerkbewaarder in burgerkleeding ziet, dien hij wenkt naderbij te komen. De deur wordt haastig ontsloten, en de onbeperkte gebieder over meer dan zeventig millioenen menschen treedt in de kerk, waar ook hij eenmaal rusten zal. De vreemde bezoekers zijn inmiddels naderbij gekomen. „Wacht een oogenblik,” zegt de bewaarder; „de keizer is daar binnen.” Dan voegt hij er bij: „Gij kunt wel in het portaal gaan; zijne majesteit zal u niet lang ophouden.”—Dat portaal is slechts door glazen deuren van de kerk gescheiden, zoodat de reizigers het inwendige van het gebouw kunnen overzien. Zij zien statige zuilenrijen, die de breede schepen van elkander scheiden. Langs de wanden hangen vaandels en banieren: de zegeteekenen, op honderd slagvelden, aan Zweden en Franschen, Polen, Perzen en Turken ontnomen: hier en daar brandt een zilveren lamp voor het portret van een heilige. Tusschen de zuilen verheffen zich de witte keizerlijke tomben: eene lange rij, fantastisch verlicht door het rosse licht dier wemelende lampen.

Alleen, de muts diep over het voorhoofd getrokken, in zijn grijzen mantel gewikkeld, gaat de keizer van de eene tombe naar de andere; nu een oogenblik stilstaande, als om het opschrift op den steen te lezen; dan, in gebogen, peinzende houding, het schip doorgaande; hier voor een poos in de diepe schemering verloren, elders als eene schaduw voortglijdende langs de sombere zijbeuken. Hij is te midden der dooden: Peter, Catharina, Paul, ruwe krijgslieden, teedere vrouwen, onschuldige kinderen, en daar boven zijn hoofd hangen de verkleurde zegeteekenen van honderd oorlogen.—Wat voert, in dezen kouden winteravond, den tsaar hierheen? Drukt hem de last des levens? Verlangt hij naar den dood? Zie, hij staat stil, ontbloot het hoofd, knielt voor een graf:—dat zijner moeder! Een weinig verder, staat hij nogmaals stil en buigt wederom de knieën; langen tijd blijft hij geknield, in gebed verzonken; dan, opstaande, drukt hij een kus op het gouden kruis. Daar rust zijn oudste zoon!

Een oogenblik later is hij vertrokken.