Wie het heerlijke Baden bezocht en de prachtige natuur van het Schwarzwald genoten heeft, heeft gewis ook te Freiburg vertoefd en met bewondering stil gestaan voor zijn indrukwekkende Kathedraal. Voor hem zal de nevenstaande uitmuntende afbeelding een aangename herinnering geven. Door Koenraad van Zähringen omstreeks 1122 begonnen, heeft men eerst 400 jaar later de laatste hand gelegd aan dit reusachtige, sierlijke kunstwerk, dat een der voortreffelijkste gewrochten is van den gothischen bouwstijl en de zeldzame verdiensten heeft van geheel voltooid en verwonderlijk goed geconserveerd te zijn.
De kathedraal van Freiburg.
Schilderachtig ligt de oude stad Puy-en-Velay, de tegenwoordige hoofdstad van het departement der Haute-Loire, in haar krans van bergen, met hare amphiteatersgewijze oprijzende huizen, gekroond en beheerscht door hare indrukwekkende kathedraal. Deze laatste, waarvan de ommestaande plaat u eene afbeelding te aanschouwen geeft, behoort zeker tot de merkwaardigste kerkgebouwen van Frankrijk. Reeds door hare ligging op eene hooge rots, aan den rand van een afgrond, maakt zij een machtigen indruk: maar vooral ook door haar strengen, ernstigen gevel van witten en gekleurde steen, die onwillekeurig aan noordsche monumenten denken doet. Ook die groote, in schemerdonker gehulde zuilenhal, met haar zonderling, half koepelvormig gewelf, maakt, als ge binnentreedt, een diepen indruk, die nog verhoogd wordt door de soberheid en betrekkelijke armoede van den bouwtrant en het gemis van ornamentatie.
Doch behalve deze eigenaardigheden, die iederen beschouwer treffen, is deze kerk merkwaardig in het oog van alle bouwkundigen en beoefenaars van de geschiedenis der architectuur, door de karakteristieke bijzonderheden en afwijkingen, die zij in haar bouwstijl vertoont. Hoewel door geheel haar aanleg tot den romaanschen stijl behoorende, draagt zij den stempel dier eigenaardige richting in de oud-middeleeuwsche architectuur van zuidelijk Frankrijk, die de school van Perigueux wordt genoemd, en zich onder den invloed van byzantijnsche denkbeelden en kunstregelen heeft ontwikkeld:—een hoogst merkwaardig verschijnsel, wellicht in aard en oorsprong, nog niet voldoende opgehelderd. De kathedraal van Puy vertoont in haar min of meer onbeholpen constructie duidelijk de sporen van een overgangstijdperk, waarin de nieuwe kunst, die straks in de gothiek hare heerlijkste uitdrukking zou vinden, aanving de stroeve vormen der oude romaansche en byzantijnsche architectuur te doordringen en te herscheppen. Ook als historisch monument is zij dus van zeer groot gewicht.
De kathedraal te Puy.
Gezicht op Schaffhausen.
Wat schilderachtig stadsgezichtje, dat oude Schaffhausen met zijne zonderlinge huizen, zoo grillig en fantastisch van bouworde; zoo bont geschakeerd langs de rivier, aan den voet van den heuvel, waarop het kasteel troont. Onwillekeurig roept dit tafreeltjen u de middeleeuwen voor den geest: op den berg de adellijke burcht; daar beneden, de kerk, die haar slanke spits hoog ten hemel heft; en om die beiden gegroept de huizen der eerzame poorters, door zoo menigen band aan burcht en kerk verbonden, in hun leven en streven, hun werken en denken zoo vaak, deels gewillig, deels gedwongen, de leiding volgende, die van beiden uitgaat. En, mits die leiding goed zij, wat steekt daar vernederends of onteerends in? Behoeft de schare geen leidslieden; en is het niet goed dat er zijn, die, door geboorte en levensbestemming en traditie meer dan anderen tot die taak bekwaam, zich daar ook geheel aan wijden kunnen? Heeft, zouden wij bijna vragen, het verbreken van dien natuurlijken, organischen band wel altijd heil aangebracht? Maar wij mogen ons hier niet in zulke vragen verdiepen, en willen dat ook niet doen. Genieten wij alleen het schilderachtig tafreeltjen, zonder al te zeer de bijzonderheden te ontleden, die ons wellicht menige onttoovering zouden berokkenen. En—wie weet?—wellicht dat de tijd, waarvan deze muurwerken getuigen, van te nabij gezien, ook iets zou verliezen van dien onbeschrijfelijk bekoorlijken glans, die hem nu voor ons, van verre staande, omstraalt!
Waterval van Geroldsau.
Drie malen heb ik mij nedergezet onder de koele lommer dier groote boomen, aan den oever dier heldere, murmelende wateren, bij den waterval van Geroldsau.
De eerste maal was ik diep ongelukkig: een zware slag had mij getroffen en mij den lust en het licht mijns levens geroofd.... De eenzaamheid zoekende, vond ik, in eene kleine vallei, tusschen groene heuvelen, die beek, die, rustig voortkabbelende, eensklaps in haar loop gestuit, met groot gerucht in de diepte stort. Ach, was zij geen beeld van mijn leven, ook zoo plotseling verstoord, verbroken, vernield? Was dat klagend geluid, die doordringend weemoedige toon der vallende wateren, niet als een echo mijner eigene ziel? Ik stond stil, en zette mij neder aan den oever, luisterend naar de stemme, die al dieper en dieper in mijn gemoed doordrong. En het was of die stem steeds minder van smart en vertwijfeling, steeds meer van rust en kalmte en ernstig streven sprak, steeds duidelijker getuigde van het blijvende te midden van al wat verandert. En ik zag, hoe de beek, op korten afstand, haar rustigen loop hernam, als hadde niets haar gestoord: en de hoop herleefde, flauwelijk nog, in mijne geschokte ziel.
Toen ik haar wederzag, de schoone cascade, was ik niet ongelukkig, maar langdurige, inspannende, vermoeiende arbeid had mijn geest uitgeput: eene dofheid was over mij gekomen, die mij afleiding in reizen zoeken deed. Weer voerde mijn weg mij naar den waterval bij Baden. En toen ik daar nederzat, en naar die muziek der ruischende wateren hoorde, was het alsof eene stemme mij toeriep; frischheid en leven, ook voor den geest, ze zijn te vinden in de vrije, heerlijke natuur, aan de borst van Gods schoone schepping, vanwaar kracht en bezieling uitgaan. Is het gloeiend hoofd moe gepeinsd, naar buiten dan in het vrije veld, in de lommer der bosschen, aan den oever der wateren, op den top der bergen—daar slaat de geest op nieuw de matte wieken uit, en verheft zich tot hooger sfeer.
En toen ik haar ten derden male weder zag, de cascade van Geroldsau, toen was ik blijde en gelukkig en vol frisschen levenslust: want een ster was opgegaan over mijn pad, en lieve handen strooiden bloemen op mijn weg. En de stem der natuur klonk mij in de ooren als een jubellied, als een triomfzang van het eeuwig bloeiende leven, vol frischheid en jeugd.... Is zij iets anders, de natuur, dan de spiegel onzer eigene indrukken? Of heeft hare stem voor ons zoo wondere kracht, omdat de geest, die uit haar spreekt, ook fluistert in ons eigen hart?