De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: “O, Marko, mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!”
Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: “Dat God steeds met u zij, o, edele heer Marko!”
De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: “Weest welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is alles wel met den doorluchten tsaar en koning?”
De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: “O, edele heer, zeer koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen.”
De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende woorden: “O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel, waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid, noch [72]om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God, opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen, dan te zondigen tegen je ziel!”
Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde, zag koning Voukashin hem en riep uit:
“O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen, dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het overgaat van vader op zoon!”
Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn hoofd niet naar de tent des konings wenden.
Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: “O, hoe gelukkig voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!” Nog steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de richting van de tent van zijn oom.
Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: “O, dat is een geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen, dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was, had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko, gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds gereed u als uw raadsman terzijde te staan!” Marko zei nog steeds geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz.
Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen, waarop hij rustte en riep uit: “Hoera! Ziedaar mijn peetvader Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!” Zij omhelsden elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats, waarvan Ourosh juist was opgestaan. [73]