[Inhoud]

Marko vertelt de waarheid.

Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels, suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude documenten open en zei overluid:

“O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O, dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn opvolger benoemd werd!” Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen, op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden:

Op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken

Op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken

“Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet, dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?” [74]Plotseling gingen de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag, dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: “Helaas! Ongelukkige man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik heb mijn zoon Marko gedood!” Maar de geheimzinnige stem in de kerk zei: “Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God gekwetst.” Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij vloekte Marko met deze woorden: “O, Marko, mijn eenige zoon, dat God u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij den Turk als vasal hebt gediend!”

In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: “O, mijn geliefde peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in de divan!6