[Inhoud]

Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.

Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: “O, mijn Koula!7 Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en [75]de dochter van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan.” En de daad bij het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel8 van den volgenden inhoud:

“O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan, dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!”

De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder, die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit naar Istamboel terug.

Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand, want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen.

De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe.

Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op, stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap, een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee vaten roode wijn en een mooi meisje. [76]Elk meisje verkocht hij voor veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner boosheid nog niet volgemeten.