[Inhoud]

De Droom van de Sultana.

Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man verscheen, zeggende: “In het Servische rijk ligt een uitgestrekte vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een oprecht en groot held.” [77]

De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een firman9 en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van den Moor aan te nemen.

Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou de Sultan hem drie tovars10 ducaten van zuiver goud geven.

Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: “In naam van God, ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester—mijn Vader-in-God—zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud, of drie duizend tovars goud doen?”

De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko, die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was, bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan geschonken; want hij dorst niet. [78]