[Inhoud]

Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.

Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder hem te zeggen, wat hij besloten was [79]te doen, ging Marko zijn kasteel binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op; daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel.

Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier, maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond, kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje, bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier.

Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer, en zei overluid: God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u, want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!”