[Inhoud]

Marko groet de Prinses.

Marko trad op het meisje toe en sprak haar aldus aan: “O gij ongelukkig Turksch meisje! In welke moeilijkheden bevindt ge u? Wat is het, dat u besluiten deed u zelf te verdrinken?”

Zij antwoordde: “Laat mij met vrede, leelijke dervish,11 waarom vraagt gij mij, als gij mij toch niet kunt helpen?”

Toen deed het meisje het verhaal van haar aanstaand [80]huwelijk met den Moorschen hoofdman, van de boodschappen, die naar Marko waren gezonden en eindelijk vloekte zij Marko in heftige woorden om de ongevoeligheid van zijn hart.

Daarop sprak Marko: “O vloek mij niet, lieve zuster-in-God! Marko is hier en spreekt nu zelf tegen u!”

Bij het hooren van deze woorden wendde het meisje zich tot den beroemden ridder, omhelsde hem en smeekte ernstig:

“Om Gods wil, o, mijn broeder Marko! Laat niet toe, dat de Moor mij trouwt!”

Marko was zeer getroffen en zei; “O, lieve zuster-in-God. Ik zweer, dat ik, zoolang mijn hoofd op mijn schouders blijft, nooit zal toelaten, dat de Moor u bezit. Vertel niet aan anderen, dat gij mij hier hebt gezien, maar verzoek den Sultan en uw moeder van avond een maal eten gereed te laten maken en naar het logement te brengen, en verzoek hun vooral mij overvloedig wijn te zenden. Intusschen zal ik de komst van den Moor in het logement afwachten. Als de Moor aan het paleis komt, moeten uw ouders hem welwillend ontvangen en zij moeten zoover gaan u aan hem over te geven, teneinde twist te voorkomen. Ik ken het eenige middel om u te verlossen, indien het de ware God moge behagen en indien mijn geluk en mijn kracht mij niet in den steek laten.”

De Prins keerde terug naar het logement en het meisje spoedde zich naar het paleis.

Toen de Sultan en de Sultana hoorden, dat Marko gekomen was om hen te helpen, waren zij zeer getroost en lieten onmiddellijk een weelderig maal gereed maken om hem dat te zenden en zij voegden er goeden, rooden wijn in overvloed bij.

Alle winkels waren gesloten in Istamboel en overal heerschte stilte, toen Marko in vrede den heerlijken wijn dronk. De waard van het logement kwam om zijn deuren en vensters te sluiten en toen Marko hem vroeg, waarom al de burgers dien dag zoo vroeg hun woningen sloten, [81]antwoordde hij: “Op mijn woord, gij zijt hier waarlijk wel een vreemdeling! De Moorsche hoofdman heeft de dochter van onzen Sultan ten huwelijk gevraagd, en daar zij, tot onze schande, aan hem zal worden overgegeven, komt hij heden naar het paleis om haar te halen. En bevreesd voor den Moor als wij zijn, sluiten wij allen onze winkels.”

Maar Marko stond niet toe, dat de man de deur van het logement sloot, want hij wilde den Moor en zijn schitterenden stoet voorbij zien komen.