[Inhoud]

Hoofdstuk I. Historische terugblik.

[Inhoud]

De komst van de Serviërs.

Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië, Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610–641 na Chr.), die niet in staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee broeders Cyrillos en Methodius—de zoogenaamde Slavische apostelen—het Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven dat Evangelie verkondigden.

[Inhoud]

Vroege worstelingen.

Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi [10]van de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan (graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924–931), toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.

Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote verdeeldheid.

In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk, nadat het ’t nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka, waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen Voïslav (1034–1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn leenheer, [11]den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije (Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo, (1053–1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten naar den troon dongen.

[Inhoud]

Onderlinge strijd.

De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest, waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid voortdurend afstuitte—hoe dikwijls door verschillende regenten ook pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken.

In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer dan twee eeuwen (1169–1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan Nemanya (1169–1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het [12]bouwen van een aantal kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils1. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië.

Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus’ jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische aartsbisschop.

Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav (1223–1233), die onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233–1242), welke op zijn beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de Groote (1242–1276).

Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276–1281), die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288–1321). Voor zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder, de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321–1331), die de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd [13]en geheel Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de Ottomaansche horden beide overweldigden.

[Inhoud]

Doushan de Machtige.

Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige (1331–1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich zelf, in overleg met de Vlastela (Vergadering van Edelen), tot tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon Ourosh (1355–1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet, tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen, die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen, die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van den Shar dagh2. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371) verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb) werden bezet door de Turken.

[Inhoud]

De koninklijke Prins Marko.

In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid [14]erkenden hem niet. Zij verkozen in 1371 Knez3 (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko, wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden, hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar 1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken: Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder de eersten zijn, die omkomen!”

Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet stierf, maar zelfs nu nog leeft.

Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering sloot hij een verbond met den Ban4 Tvrtko van Bosnië tegen de Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath, op de hoogte gebracht van Lazarus’ bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen gunstig zou zijn.

[Inhoud]

Het verraad van Brankovitch.

Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch, een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke [15]troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd; de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode5 Milosh Obilitch.

Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch (1389–1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427–1456), streed ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken veroverd.

[Inhoud]

Het eindsucces van de Turken.

Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482.

Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George Kastriotovitch-Skander-Beg (1443–1468) streed met succes en met grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië.

De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals [16]zij het voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs—wien het onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven—en gedeeltelijk door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij, die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te leven als raya (slaven), want de Turksche Spahis (landeigenaren) onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord.

[Inhoud]

De ellende onder het Turksche bestuur.

Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep.

Als de een of ander aktie te krachtig of een toestand acuut wordt, moet er vroeg of laat een reactie als gevolg daarvan intreden.

Toen de Turksche gruwelen hun toppunt bereikten, op het einde van de achttiende eeuw, volgden de Serviërs het voorbeeld van hun broeders in Hongarije en Montenegro en verzamelden zij zich rondom een leider, die als door de Voorzienigheid voorbeschikt scheen om hen te bevrijden van de schandelijke onderdrukking hunner Aziatische heeren. Die leider, een begaafd Serviër, Georg Petrovitch—door de Turken Karageorge (“Zwarte George”) genaamd—verzamelde andere [17]Servische mannen van aanzien om zich heen en een algemeene opstand had plaats in 1804. De Serviërs streden met succes en verwierven de onafhankelijkheid van dat deel van Servië, dat tot de Turksche provincie Belgrado behoorde, benevensdie van nog eenig naburig grondgebied. Dit werd slechts verkregen door groote opofferingen en door den aangeboren moed der Servische krijgslieden. Jammer genoeg scheen het te zijn voorbeschikt, dat dit tijdperk minder dan tien jaren duren zou.

[Inhoud]

Servië weer onder het juk gebracht.

Toen Europa (en meer in het bijzonder Rusland) in oorlog werd gewikkeld tegen Napoleon, vond Turkije gelegenheid, doordat de aandacht der Groote Mogendheden hierdoor in beslag werd genomen, zijn geleden verliezen weer te herstellen; in 1813 werd Servië weer onder het juk gebracht. George Petrovitch en andere Servische leiders verlieten het land om hulp te zoeken, eerst in Oostenrijk en later in Rusland. In hun afwezigheid deed Milosh Obrenovitch, een van de stadhouders van Karageorge-Petrovitch, een nieuwe poging om het Servische volk te bevrijden van het Turksche juk en hij slaagde er in 1815 in de autonomie van de provincie Belgrado te herstellen.

Gedurende den voortgang van zijn krijgsbedrijven keerde George Petrovitch naar Servië terug en werd wreedaardig vermoord op bevel van Milosh, die zich zelf uitriep tot erfelijk vorst en als zoodanig in October 1815 door de Verhevene Porte erkend werd. Milosh was een groot tegenstander van de Russische politiek en hij haalde zich de vijandschap van dat machtige rijk op den hals, tengevolge waarvan hij in 1839 gedwongen werd afstand te doen van den troon ten behoeve van zijn zoon Michael (Servisch: “Mihaylo”). Michael was een uitnemend diplomaat en had reeds zonder een druppel bloed te vergieten verschillende districten aan het onafhankelijke Servië toegevoegd. Hij werd opgevolgd door Alexander Karageorgevitch (1842–1860), een zoon van Karageorge Petrovitch. Onder het beleidvol bestuur van dien vorst werd [18]in Servië een grondwet, die iets op een moderne Constitutie leek, ingevoerd en werd de grond gelegd voor zijn verdere en snelle ontwikkeling. Maar een ongelukkige buitenlandsche politiek, de corruptie onder de hooge staatsambtenaren en voornamelijk het verraad van wie oogenschijnlijk zijn vrienden waren, doch die er inderdaad op uit waren hem den voet te lichten, dwongen dien verlichten prins afstand te doen van den troon en zijn land te verlaten. De Skoupshtina (Nationale Vergadering) herstelde Milosh op den troon, maar in hetzelfde jaar stierf hij en werd nog eens opgevolgd door zijn zoon Michael (1860–1868). Na den moord op dezen vorst kwam zijn jeugdige neef Milan (1868–1889) aan de regeering, gedurende zijn minderjarigeheid onder voogdij van drie regenten, overeenkomstig de Constitutie, die in 1869 werd afgekondigd.

De voornaamste gebeurtenissen gedurende de regeering van Milan waren: de oorlog tegen Turkije (1876–1878) en de annexatie van vier nieuwe districten; de erkenning van Servië’s onafhankelijkheid door het beroemde Congres van Berlijn; Servie’s verheffing tot een koningrijk in 1882; de ongelukkige oorlog tegen Bulgarije, die op aanstoken van Oostenrijk werd begonnen en de totstandkoming van een nieuwe Constitutie, die met geringe wijzigingen nog van kracht is.

Nadat koning Milan afstand van den troon had gedaan, beklom zijn onwaardige zoon Alexander dien. Ondanks de krachtige raadgevingen van zijn vrienden en de strenge vermaningen van zijn persoonlijken vriend M. Chedo Miyatovich trouwde hij zijn maitresse Draga Mashin, onder wier invloed een tijdperk van tirannie begon, dat bijna aan Nero herinnerde. Hij ging zoo ver te beproeven de Constitutie te vernietigen, waardoor hij zich volkomen van zijn volk vervreemde en in de kaart van zijn persoonlijke vijanden speelde, die hem ten slotte vermoordden (1903).

[Inhoud]

Koning Peter I.

De Skoupshtina riep nu den zoon van Alexander Karageorgevitch, den tegenwoordigen Peter I Karageorgevitch tot [19]koning uit. Zijn roemrijke regeering zal met gouden letters in de moderne Servische geschiedenis geschreven staan, want het is aan hem te danken, dat der Christenheid een verdrag geschonken werd, tengevolge waarvan de Turk in 1913 bijna uit Europa werd verdreven. Maar helaas! De Serviërs zijn nog slechts in ongeveer de helft van hun landen een vrij volk; hun broeders in het andere deel zuchten nog steeds onder het vreemde juk.

Hoe beknopt deze terugblik ook is, hij zal voldoende zijn om de omstandigheden en voorwaarden te laten zien, waaronder de Servische nationale poëzie ontstond, waarmede wij ons in de volgende bladzijden meer in ’t bijzonder zullen bezig houden.

De legenden danken haar ontstaan aan de rampen, veroorzaakt zoowel door de zelfzucht der leiders van het Servische volk als door de vreemde onderdrukkers; maar nationale tegenspoeden hebben den hartstochtelijken drang van dit volk naar de vrijheid niet kunnen uitroeien en deze populaire heldenverhalen van den Balkan zijn de uitdrukking van de idealen, die het Servische ras ondanks zijn langdurige onderdrukking en kwelling bewaard heeft; idealen, die dit eenvoudig volk ook verder zullen steunen in de rampen, die het misschien nog zullen treffen, voor het de plaats veroverd heeft onder de groote mogendheden, die het door zijn volharding en opofferingsgezindheid ten slotte zeker zal innemen. [20]


1 Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in Bosnië vestigden. 

2 Zie het gedicht: “Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren.” 

3 De titel komt overeen met dien van prins. 

4 “Ban” is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië. 

5 Voïvode beteekende oorspronkelijk “leider van een leger” of “generaal”. Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche “Duke” dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis bezit.