De Moor, die schrijlings op zijn Bedevia zat, zwenkte en sprak Marko aldus aan: “Het ongeluk heeft u dezen dag ingehaald, o vreemdeling! Gij moet door Satan hier heen gedreven zijn, om mijn gasten te verontrusten en zelfs mijn dever en tweeden getuige te dooden; gij moet òf een dwaas zijn, die niets weet van wat heden gebeurt, òf gij moet krankzinnig zijn geworden; maar misschien zijt gij het leven alleen moe! Op mijn woord, ik zal de teugels van mijn Bedevia inhouden, en zevenmaal over uw lichaam springen, daarna zal ik uw hoofd afslaan!” [83]
Daarop antwoordde Marko:
“Houd op met deze leugentaal, o Moor! Indien God en mijn gewoon geluk mij nu slechts getrouw blijven, dan zult gij zelfs niet in staat zijn mij te naderen; dat gij uw voornemen ten uitvoer zoudt brengen en over mijn lichaam springen, kan ik mij zelfs niet voorstellen!”
Maar ziet! De Moor hield zijn Bedevia in, gaf haar toen heftig de sporen, en werkelijk zou hij over Marko zijn gesprongen, indien Sharatz niet de goed getrainde vechter was, die hij was; onmiddellijk steigerde hij, waardoor zijn tegenstander tegen zijn voorpooten stiet en hij in staat was vlug het rechteroor van Bedevia af te bijten, zoodat het bloed over haar nek en borst gutste. Op deze wijze streden Marko en de Moor gedurende vier uur. Geen van beiden wilde toegeven en toen de Moor eindelijk zag, dat Marko hem zou overweldigen, wendde hij zijn paard, Bedevia, om en vluchtte langs de hoofdstraat van Istamboel weg. Marko joeg hem achterna. Maar Bedevia van den Moor was vlug als een veela van het woud en zou Sharatz zeker ontsnapt zijn, indien Marko zich niet plotseling zijn knots had herinnerd, die hij naar zijn tegenstander wierp, en waarmee hij hem tusschen de schouders raakte. De Moor viel van zijn paard en de Prins hieuw hem het hoofd van het lichaam. Daarna greep hij Bedevia, keerde naar de straat terug, waar hij de bruid had gelaten en vond haar tot zijn verbazing met haar twaalf tovars geschenken alleen op hem wachtende, want al de bruiloftsgasten en het gevolg van den Moorschen hoofdman waren in galop weggevlucht. Marko geleidde de Prinses terug naar den Sultan en wierp het hoofd van den Moorschen hoofdman voor zijn voeten.
De held nam nu afscheid en begaf zich dadelijk op de terugreis naar Prilip. Den volgenden morgen ontving hij de zeven tovars goud, die hem beloofd waren, de vele kostbare geschenken, die de Prinses had opgesomd en eindelijk nog een dankbetuiging voor zijn bewonderingswaardige [84]daden, waarin gezegd werd dat de rijke schatten aan goud, die zijn vader-in-God, den Sultan toebehoorden, steeds tot zijne beschikking stonden.