Op zekeren morgen heel vroeg reed de koninklijke Prins Marko over de vlakte van Kossovo. Toen hij de rivier bereikte, kwam hij een meisje van Kossovo tegen en Marko groette haar op de in Servië gebruikelijke wijze: “Dat God u helpe, o meisje van Kossovo!”
Het meisje boog zeer diep en antwoordde: “Heil u, onbekende ridder!”
Marko sprak, nadat hij haar een poos had aangekeken: “Lieve zuster, gij meisje van Kossovo, gij zijt schoon, ofschoon gij wel wat jonger kondt zijn! Gij zijt slank, sterk en bevallig; uw wangen zien gezond, en gij hebt een aangenaam en waardig voorkomen. Maar helaas, lieve zuster, uw haar is grijs en staat u niet goed. Wie heeft u verdriet veroorzaakt? Zeg het mij. Zijt gij zelf de oorzaak of uw moeder of uw bejaarde vader.”
Het meisje stortte vele bittere tranen en tusschen haar snikken antwoordde zij Marko aldus: “O, lieve broeder, gij onbekende ridder! Ik zelf ben niet de oorzaak van mijn ongeluk en het is noch mijn moeder noch mijn vader, die zooveel verdriet over mij hebben gebracht; maar ik heb alle geluk verloren door de schuld van een Moor, die aan gene zijde van de zee woont. Hij heeft bezit genomen van de geheele vlakte van Kossovo, en heeft behalve andere afpersingen ook een vreeselijke belasting opgelegd van dertig ducaten, die door alle bruiden betaald moet worden en, vier en dertig door alle bruigoms, die huwen willen. Mijn broeders zijn arm en hebben niet het noodige geld om mijn belasting te betalen. Daardoor ben ik niet in staat mijn minnaar te huwen, en zoo is alle geluk van mij geweken. Barmhartige God, zou ik mij zelf niet van het leven benemen?”
Daarop sprak Prins Marko: “Lieve zuster, gij meisje van [85]Kossovo. Speel niet met uw leven;—laat al zulke gedachten varen, anders zult gij zonde op uw ziel laden! Vertel mij, waar het kasteel is, waar de Moorsche heer kan worden gevonden? Ik geloof, dat ik hem iets heb te zeggen!”
Hierop antwoordde het meisje: “O, mijn broeder, gij onbekende ridder! Waarom vraagt gij naar zijn kasteel? Wat wenschte ik, dat het met den grond gelijk werd gemaakt. Misschien hebt gij een meisje naar uw hart gevonden en gaat gij nu de huwelijksbelasting betalen, of zijt gij de eenige zoon van uw lieve moeder? Ik vrees voor u, o broeder, want het kan zijn, dat gij daar omkomt en wat zou uw bedroefde en eenzame moeder dan doen?”
Marko stak zijn hand in zijn zak, nam er een beurs uit en overhandigde die aan het meisje: “O, zuster, neem deze dertig ducaten, ga naar huis en wacht in vrede, totdat uw geluk u roept12, maar wees zoo vriendelijk mij het kasteel van den Moor aan te wijzen, want ik ga hem uw huwelijksbelasting betalen!”
Daarop sprak het meisje overweldigd door haar onverwacht geluk aldus: “Het is geen kasteel, maar het zijn tenten; dat zij alle vervloekt worden! Ziet gij daar niet op de vlakte die zijden vlag wapperen? Daar is het paviljoen van den Moor zelf. Daarom heen is een mooie tuin, dien hij heeft durven versieren met de hoofden van zeven en zeventig Christenhelden, en hij heeft veertig dienstknechten, die dag en nacht de wacht houden.”