[Inhoud]

Marko bezoekt den Moor.

Nadat hij dit had vernomen, nam Marko afscheid van het meisje en reed naar de tenten. Hij zette zijn paard zoo krachtig aan, dat onder zijn hoeven levend vuur scheen op te spatten en uit zijn neusgaten blies een helder blauwe vlam. Krankzinnig van toorn reed Marko door het kamp. De tranen stroomden uit zijn oogen, die op de vlakte van Kossovo waren gericht, toen hij uitriep: “Helaas, o vlakte [86]van Kossovo! O, te denken, dat gij dezen dag moest zien! En dat gij na de regeering van onzen grooten Keizer13 getuige moet zijn van de tirannie van een Moor!

Kan ik zulke schande en smart langer dragen? O, dat het een Moor vergund werd u te verwoesten. Nu zal ik òf u wreken, òf omkomen!”

De schildwachten bemerkten de komst van Marko en gingen hun heer waarschuwen: “O, heer, gij Moor! Een vreemd en woest held, die een gevlekt paard berijdt, nadert; en het is ongetwijfeld zijn plan ons aan te vallen.”

Maar de Moor antwoordde onverschillig: “O, mijn kinderen, gij veertig trouwe dienstknechten van mij, die held zal ons niet aanvallen. Hij brengt waarschijnlijk zijn huwelijksbelasting en daar het hem spijt afstand te doen van de som, die hij moet geven, zet hij zijn ros zoo ongeduldig aan. Gij deedt beter hem tegemoet te gaan en te verwelkomen; neemt hem zijn paard en wapenen af en wijst hem den weg naar mijn tent. Ik geef niet om zijn geld, maar ik heb lust zijn hoofd te klieven en zijn strijdros te behouden, dat mij goed aanstaat.”

De dienaren gingen heen om zijn bevel uit te voeren, maar toen zij Marko van nabij zagen, waren zij zoo ontsteld, dat zij hem niet onder de oogen dorsten komen. Zij vluchtten en verborgen zich achter hun hoofdman, terwijl zij hun yataghans bij het zien van Marko onder hun mantels verborgen.

Toen de onstuimige Prins genaderd was, stapte hij voor de opening van de tent van zijn paard en sprak tot zijn getrouw paard: “Loop vrijelijk rond, mijn Sharatz, want ik ga deze tent binnen om den Moor te spreken; ga niet te ver van deze plek, want mogelijk zou ik je noodig kunnen hebben!” Toen ging Marko het paviljoen binnen.

De Moorsche hoofdman zat afgekoelden wijn te drinken, die door een christen vrouw en een meisje ingeschonken werd. De Prins begroette den Moor: “Dat God u bijsta, [87]mijn heer!” De Moorsche hoofdman antwoordde: “Heil u, onbekende ridder! Neem plaats, opdat wij samen wijn kunnen drinken, voordat gij mij vertelt, wat u naar hier heeft geleid!”

Prins Marko antwoordde: “Ik heb geen tijd, om met u te drinken, maar ik ben hier gekomen met de bedoeling u te spreken. Ik heb een meisje naar mijn hart gevonden, mijn gasten wachten met hun paarden op eenigen afstand van hier, terwijl ik u mijn huwelijksbelasting betaal. Ik zal u dadelijk mijn goud geven, opdat niets meer mijn geluk in den weg sta. Zeg mij hoeveel ik moet betalen?”

De Moor antwoordde heel vriendelijk: “Wel, dat hadt gij al lang dienen te weten: het zijn dertig ducaten voor bruiden en vier en dertig voor bruidegoms; maar daar gij een aanzienlijk ridder schijnt te zijn, zou het ons geen van beiden schaden, als gij mij rond honderd ducaten gaaft.” Prins Marko nam drie ducaten uit zijn zak en legde die voor den hooghartigen Moor neer, zeggende: “Geloof mij, ik heb geen geld meer; ik zou dankbaar zijn, indien gij wildet wachten, totdat ik het huis van mijn bruid bereik, want daar zullen wij zeker veel rijke geschenken ontvangen. Ik zal u al de geschenken geven en alleen de bruid voor mijzelf behouden!”