Vroeg in den morgen reden drie Servische ridders Kossovo uit; de een was Prins Marko van Prilip; de tweede was Relya van Bazar en de derde was Milosh van [89]Potzerye. Zij waren op weg naar de zeekust, en hun weg leidde door de wijngaarden van Bogdan, den Bullebak. Relya van Bazar was een vroolijke, jonge ridder en hij joeg zijn paard steigerend door den wijngaard, waarbij hij eenige van de hooge wijnstokken, beladen met heerlijke trossen druiven, brak.
Marko vermaande zijn vriend aldus: “Gij deedt beter dezen wijngaard met rust te laten, Relya! Indien gij slechts wist aan wien hij toebehoort, dan zoudt ge uw paard wel in bedwang houden: want deze bezittingen zijn van Bogdan, den Bullebak. Zelf heb ik eens door deze wijngaarden gereden; ik was toen jong, ook ik deed mijn Sharatz steigeren, zooals gij doet. Maar helaas! Ik werd door Bogdan opgemerkt, die op zijn slanke merrie Bedevia reed. Ik wist, dat ik verkeerd deed en daar de ware God geen schuldige mannen bijstaat, dorst ik hem niet te ontmoeten, maar vluchtte de rotsachtige kust op. Hij vervolgde mij, en indien ik mijn trouwe Sharatz niet had gehad, zou hij mij zeker hebben gegrepen. Dank zij Sharatz kon ik mij ten laatste echter steeds verder van hem verwijderen. Toen Bogdan zag, dat hij mij bij de snelheid waarmede ik voortjoeg, nooit zou kunnen inhalen, wierp hij mij zijn knots achterna en raakte mij precies met het handvat zoodat ik voorover op de ooren van mijn Sharatz viel en slechts met de grootste inspanning mijn plaats weer kon innemen. Hoe het zij, ik ontsnapte hem. Dit gebeurde ongeveer zeven jaar geleden, sinds dien ben ik dezen weg niet meer gegaan.”
Toen Marko dit zei, bemerkten de drie ridders in de verte een stofwolk, te midden waarvan zij Bogdan herkenden met twaalf bedienden te paard. Marko riep uit: “Luistert, mijn beide broeders-in-God! Hier is hij! En zeker zal hij ons alle drie dooden, indien wij niet zorgen te ontkomen.”
Hierop antwoordde Milosh van Potzerye: “O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Het geheele volk gelooft, dat er geen grooter helden zijn dan wij, drie Servische [90]ridders; het zou veel beter voor ons drieën zijn om te komen dan smadelijk te vluchten!”
Toen Marko dit hoorde, zei hij: “Luistert naar mij, mijn broeders-in-God! Indien dit zoo is, laat ons dan den vijand verdeelen. Wilt gij Bogdan alleen te gemoet treden of zijn twaalf ridders?”
Milosh en Relya gaven er de voorkeur aan Bogdan alleen te bestrijden en lieten het aan Marko over zijn twaalf volgelingen tegen te houden. Deze verdeeling was Marko zeer aangenaam en nauwelijks waren zij overeen gekomen, welk aandeel ieder zou hebben in den strijd, of Bogdan naderde aan het hoofd van zijn troep. Hij werd onmiddellijk bezig gehouden door Milosh en Relya, terwijl Marko zijn aandacht schonk aan de twaalf geleiders. Zijn zware knots zwaaiend dreef hij Sharatz op zijn vijanden toe; in zeer korten tijd werden allen op den grond geslingerd. Toen steeg Marko van zijn paard, bond hen de handen op den rug en dreef hen door de wijngaarden.
Hij was nog slechts een klein eind gegaan, toen hij zag, hoe Bogdan zijn twee vrienden voor zich uitdreef, hun armen op gelijke wijze gebonden als die van Bogdans volgelingen. Toen hij dit zag, werd Marko door vrees bevangen en keek rond naar een middel om te ontkomen. Echter herinnerde hij zich op hetzelfde oogenblik, dat de drie broeders-in-God elkaar trouw hadden gezworen en dat zij zich plechtig verbonden hadden elkaar ten alle tijde te helpen. Hij nam de teugels van Sharatz dus steviger in de handen, sloeg het vizier van zijn helm over zijn voorhoofd, trok woedend zijn zwaard uit de scheede en wierp een woesten, donkeren blik op Bogdan.