Toen de Bullebak de ontzettende woede en beslistheid in Marko’s oogen las, trilden zijn beenen onder hem en hij wendde zijn merrie om, daar hij niet van aangezicht tot aangezicht tegenover Marko dorst te treden. Hij kon echter [91]niet hopen aan de wraak van den Prins te ontkomen en daarom riep hij na eene korte wijle:
“Kom, o Marko, laten wij ons met elkaar verzoenen. Wilt gij mijn twaalf volgelingen vrij laten? Indien gij daartoe bereid zijt, dan zal ik op mijn beurt uw ‘broeders-in-God’ vrij laten.”
Hierin stemde Marko toe en sprong van Sharatz af. Hij maakte van zijn zadel een lederen zak met wijn los en allen gingen zitten om zich te verfrisschen met den koelen wijn en zich te goed te doen aan versch geplukte druiven. Toen zij uitgerust waren, stegen de drie vrienden te paard en maakten zich gereed om te vertrekken. Toen zij op het punt stonden weg te rijden, sprak Marko aldus Bogdan aan: “Dat het u met Gods hulp voorspoedig ga, o Bogdan! En dat wij elkaar eens in goede gezondheid weer ontmoeten en weer samen wijn drinken mogen!” Hierop antwoordde Bogdan: “Vaarwel! en dat God u steeds helpe, o, koninklijke Prins Marko! Maar dat mijn oogen u nooit meer aanschouwen! Gij hebt mij heden zoo verschrikt, dat ik niet geloof ooit weer te wenschen u te ontmoeten!”