Luistert! Is het de donder of is het een aardbeving? Geen van beide, maar kanonnen bulderen van het fort Varadin: de generaal viert een overwinningsfeest, want hij heeft drie Servische helden gevangen genomen; de eerste is Milosh van Potzerye, de tweede is Milan van Toplitza, en de derde is Ivan Kosantchitch. De opperbevelhebber heeft hen in de diepste kerkers van zijn kasteel geworpen, ongezonde holen, waar het stilstaande water tot aan de knieën reikt en de beenderen van krijgslieden zoo hoog opgestapeld liggen, dat zij tot de schouders van een held reiken.
Milosh van Potzerye is van adellijke geboorte; hij is niet gewoon aan ontbering en lijden en hij bejammert en betreurt bitter zijn lot, terwijl hij verlangend door het [92]traliewerk van de massieve deur in de donkere gang naar buiten ziet, vanwaar alleen hulp kan komen. En werkelijk na drie dagen ziet hij een boodschapper, tot wien hij roept: “O, mijn broeder-in-God! Breng mij iets, waarop ik een bericht kan schrijven!”
De man voelde zich gevleid, broeder-in-God genoemd te worden door zulk een beroemd held en bracht Milosh snel een rol, waarop hij de volgende woorden schreef: “Aan den koninklijken Prins Marko van Prilip: o broeder-in-God, gij vorstelijke Marko! Of gij verlangt niet meer van mij te hooren, of gij hebt opgehouden mij genegen te zijn! Het lot is hard geweest en ik ben gevallen; uw broeder is in de handen van een vijand. De Magyaar Voutcha heeft mij gevangen genomen, mij en mijn twee wapenbroeders. Wij zijn gedurende drie geheele dagen opgesloten in dezen afschuwelijken kerker en het is onmogelijk dat wij er over drie dagen nog levend zouden uitkomen. Daarom, indien gij ons wilt terug zien, red ons dan, o broeder, hetzij door een heldhaftige daad of door een losgeld!” Milosh krabde zijn wang open en zegelde het bericht met zijn bloed; daarna overhandigde hij het aan den man met twaalf ducaten en smeekte hem er zich mede naar Prilip te spoeden. De boodschapper reed zoo snel als hij kon en bereikte de stad Prilip op Zondagmorgen. Prins Marko kwam juist uit de kerk, toen de koerier op hem toe snelde. Toen de Prins las in welk een ontzettenden toestand zijn vrienden zich bevonden, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij deed er een eed op, dat hij zijn edele broeders-in-God zou redden.
Hier somt de bard op, welke toebereidselen Marko trof, bijna dezelfde als in de ballade: “Prins Marko en de Moorsche hoofdman.” Daarna beschrijft hij de reis van Prilip naar Varadin, maar zonder, dat spreekt van zelf, de wonderbaarlijke vlugheid van Sharatz te overdrijven, die bij deze gelegenheid over de Donau zwom. [93]