Na drie of vier ontmoetingen had Marko zooveel Magyaren gedood, dat zij, die over waren gebleven, met ontzetting werden vervuld en in wanorde vluchtten. Daarop nam Marko generaal Voutcha op dezelfde wijze gevangen, als hij het zijn zoon had gedaan. Nadat hij zijn handen had gebonden, maakte hij hem aan Sharatz’s zadel vast en bracht hem naar de plek, waar Velimir lag te kreunen. Beiden maakte hij vast aan de merrie van den opperbevelhebber en zoo begaf hij zich op weg naar Prilip, waar hij hun in een kerker wierp.
Eenige dagen later ontving hij een brief van de vrouw van Voutcha, die hem smeekte Velimir en zijn vader niet [95]te dooden en een groote som gelds als losgeld aanbood. Marko zond het volgende antwoord: “Luister, gij getrouwe echtgenoote van generaal Voutcha! Indien gij wenscht, dat ik mijn gevangenen loslaat, dan hebt gij slechts mijn oude vrienden vrij te laten, Milan van Toplitza en Ivan Kosantchitch en aan ieder drie tovars goud te geven als schadeloosstelling voor den tijd, dien zij in gevangenschap hebben doorgebracht en gij moet mij een gelijke som geven, want ik heb van mijn goeden Sharatz te veel moeten eischen. En mijn vriend Milosh van Potzerye is ook nog in uw kasteel, maar ik geef hem volmacht zijn eigen aangelegenheden met u in persoon te regelen, want in wat hij ook eischt, stem ik toe.”
De vrouw van den generaal zond onmiddellijk de verlangde hoeveelheid goud. Daarna nam zij de sleutels van de kerkers en liet de helden vrij. Zij liet eenige barbiers roepen, om hun baard te scheren en hun haar en nagels te verzorgen. Daarna bestelde zij een groote hoeveelheid zeer fijne wijnen en dure schotels, om aan de edele Serviërs voor te zetten en na den feestmaaltijd vertelde zij hun Marko’s wondervolle daden en smeekte Milosh van Potzerye al zijn invloed te gebruiken om Prins Marko over te halen erbarmen te hebben met haar echtgenoot en haar zoon. Daarop beloofde Milosh, dat aan haar wensch voldaan zou worden en dat zij geen vrees behoefde te hebben. Hij verzocht haar alleen, dat hem zou worden gegeven: ten eerste het beste paard uit de stallen van generaal Voutcha, dat, waarop Voutcha eens per jaar in statie naar de kerk Tekiye reed; ten tweede de vergulde koets, getrokken door twaalf Arabische paarden, die door generaal Voutcha werd gebruikt, als hij naar Weenen reisde voor zijn bezoeken aan den Keizer, want in die koets wilde hij den bejaarden held, Milan van Toplitza naar huis rijden. En ten slotte vroeg hij, of zijn vriend Toplitza het fraaie gewaad zou mogen dragen, dat Voutcha op Paaschdag droeg. In dit alles stemde de [96]vrouw van Voutcha toe, en bovendien gaf zij aan elk der der vrienden duizend ducaten, opdat zij op hun reis naar Prilip geen dorst zouden behoeven te lijden.
De Doge schoof hoffelijk het gordijn voor den ingang ter zijde
Marko begroette de ridders op hartelijke, broederlijke wijze en liet toen generaal Voutcha en zijn Velimir vrij en beval, dat een krachtig escorte hen naar Varadin zou geleiden. Toen de edele voïvodes de gastvrijheid van Marko gedurende verscheidene dagen hadden genoten (en gedurende dien tijd een aanzienlijke hoeveelheid van zijn rooden wijn hadden gebruikt) omhelsden zij elkaar en kusten elkaar op de wang; de vrienden kusten de onbedekte hand van Marko. Toen begaf zich ieder in vrede naar zijn eigen domein.