Op zekeren avond, toen Prins Marko aan den maaltijd zat met zijn bejaarde moeder, verzocht deze hem een meisje naar zijn hart te zoeken, opdat zij het gezelschap en den steun mocht hebben van een schoondochter. Daarop antwoordde Marko: “God is mijn getuige, o lieve moeder. Ik heb door negen koninkrijken en door het geheele Turksche rijk gereisd en telkens, als ik een meisje vond, dat ik tot mijn bruid wenschte te maken, kwam ik tot de ontdekking, dat u van een andere meening waart dan ik. Soms was het, dat u niet vriendelijk gezind waart jegens de familie; en als ik een familie vond, die u wel aanstond, dan telde zij weer geen meisje, dat genade in uw oogen kon vinden! Echter, toen ik door Bulgarije reisde, hield ik mijn Sharatz eens in bij een bron, en zie! daar zag ik een meisje, zoo mooi en zoo lief, dat het mij plotseling toescheen, alsof het gras waarop ik stond om mij heen draaide. Later vernam ik, dat dit meisje de dochter was van koning Shishman van Bulgarije. Dit zou ongetwijfeld een passende bruid voor mij zijn en daarbij behoort zij tot een familie, waarop weinig valt aan te merken! [97]Indien u er dus in toestemt, zal ik dadelijk gaan en haar ten huwelijk vragen.”
Marko’s moeder, die overgelukkig was met de keus van haar zoon, haastte zich nog dienzelfden avond de gebruikelijke geschenken gereed te maken, want zij vreesde, dat haar zoon nog voor den morgen van inzicht mocht veranderen. Maar den volgenden morgen beval Marko, dat Sharatz gezadeld zou worden en nadat hij den onontbeerlijken leeren wijnzak aan de eene zijde van zijn zadel had gehangen en zijn oorlogsknots aan de andere, nam hij afscheid van zijn moeder en reed recht toe recht aan naar het kasteel van koning Shishman. De Bulgaarsche vorst zag Marko, toen hij nog een heel eind weg was en ging hem tegemoet, om hem te begroeten. Toen hij vlak bij was, stapte Marko van Sharatz, strekte zijn armen uit en de twee omhelsden elkaar en vroegen naar elkaars gezondheid. De koning geleidde Marko binnen het kasteel, terwijl Sharatz door de stalknechts naar de koninklijke stallen werd gebracht.
Even later, onder den schitterenden maaltijd, die onmiddellijk ter eere van den vorstelijken gast was aangericht, sprong Marko op, boog diep voor den koning en vroeg zijn dochter ten huwelijk. De koning was zoo verheugd zulk een edelen en dapperen schoonzoon te krijgen, dat hij zonder aarzelen toestemde. Marko besteedde drie tovars goud voor den ring, dien zijn toekomstige bruid zou dragen en voor de trouwjapon en de andere geschenken. Daarna vroeg hij, of hij terug mocht gaan naar Prilip om zijn bruiloftsgasten en vrienden te verzamelen en toen hij op het punt was het paleis te verlaten, raadde de koningin den prins aan, om als geleider van de bruid niet iemand te kiezen, dien hij niet onvoorwaardelijk zou kunnen vertrouwen, maar liever zijn eigen broer te kiezen of althans een neef. Want, meende zij, een vreemde zou een mededinger kunnen blijken, zoo bekoorlijk en schoon was haar dochter.
Toen Marko Prilip naderde, kwam zijn moeder hem [98]tegemoet, om hem te begroeten en na hem hartelijk op beide wangen gekust en hem haar mooie handen toegestoken te hebben om te kussen, vroeg zij, of hij een voorspoedige reis had gehad en met de prinses verloofd was. Marko vertelde alles, wat er gebeurd was en vergat niet de woorden te herhalen, die de koningin bij het afscheid nemen had gesproken. Hij beklaagde zich erover, dat zijn broeders gestorven waren, en dat hij ook geen neef had. Zijn moeder, die zeer blij was, raadde Marko aan daarover niet te jammeren, maar dadelijk een boodschap te zenden aan den Doge van Venetië, en hem uit te noodigen met een gezelschap van vijfhonderd te komen, en als koom op te treden. Eveneens moest hij een uitnoodiging zenden aan Styepan Zemlyitch om zich met vijfhonderd volgelingen bij den bruiloftsstoet te voegen en de geleider van de bruid te zijn. Deze raad kwam Marko zeer verstandig voor en dadelijk zond hij couriers weg, zooals zijn moeder had bevolen. De Doge verscheen spoedig met zijn vijfhonderd ruiters en Styepan Zemlyitch eveneens. Marko heette hen hartelijk en gastvrij welkom en er was geen gebrek aan goeden wijn.
Het gezelschap begaf zich nu opweg naar het hof van den Bulgaarschen koning, die hen allerhartelijkst ontving en hen gedurende drie dagen onthaalde. Op den vierden dag maakte het bruiloftsgezelschap zich gereed terug te keeren, want het was duidelijk dat, indien zij nog drie dagen bleven, den koning geen druppel wijn meer over zou blijven.
Shisman gaf allen vorstelijke geschenken: eenigen gaf hij zijden hemden, anderen gouden schalen en borden; aan den geleider van de bruid werd een bijzonder kostbaar, met goud geborduurd hemd geschonken.
Toen de bruid opgestegen was, gaf haar koninklijken vader haar aan den geleider van de bruid over met deze woorden:
“Hiermee vertrouw ik aan uw zorgen de bruid en haar [99]paard toe, totdat gij aan het kasteel van Marko komt; eenmaal daar, moet gij de bruid aan Marko overgeven maar haar rijpaard moogt ge zelf behouden!”