Toen de derde nacht kwam, bood de Doge den geleider van de bruid drie laarzen vol dukaten van zuiver goud. Deze geweldige som geld was een te grote verzoeking voor den geleider van de bruid en hij gaf de bruid over aan den Doge, die haar naar zijn eigen tent [100]bracht. Daar verklaarde hij zijn liefde aan het meisje en smeekte haar in hartstochtelijke bewoordingen met hem naar Venetië te vluchten, waar hij haar alles kon aanbieden, wat het hart maar begeerde. Maar het Bulgaarsche meisje wendde zich met tegenzin van hem af. “Om Godswil, o Doge van Venetië!” zei zij, “de aarde onder ons zou zeker splijten om ons te verzwelgen en de hemelen boven ons zouden vaneen scheuren, indien een kooma ontrouw zou zijn aan haar bruidegom.”
Maar de Doge hield aan: “O, wees niet zoo dwaas, mijn lieftallige kooma. Ik heb vele kooma’s gekust en geliefkoosd, maar nooit opende zich de aarde onder ons, of scheurden de hemelen,—kom laat ons elkaar omhelzen!”
Het meisje meende, dat het ’t beste zou zijn zich te houden, alsof zij aan zijn wensch gehoor gaf en daarom antwoordde zij: “O mijn koom, Doge van Venetië! Mijn bejaarde moeder heeft mij gezegd, dat zij mij zou vloeken, indien ik ooit een gebaarden held zou kussen en ik heb er een eed op gedaan, slechts een geschoren ridder lief te hebben, zooals de koninklijke Prins Marko er een is.”
Hierop riep de Doge twee barbiers, een om zijn baard af te scheren en de ander om zijn gelaat schoon te wasschen. Terwijl zij hiermede bezig waren, bukte het meisje zich en raapte ongemerkt den baard van den Doge op en wikkelde dien in de plooien van haar zijden gewaad.
Nu zond de Doge de barbiers weg en beproefde opnieuw de bruid het hof te maken, die preutschheid voorwendde en voorgaf te vreezen, dat zij beiden zeker zouden omkomen, als Marko hoorde, wat er was gebeurd. De Doge bezwoer haar echter niet zoo dwaas te zijn. “Ik heb vijfhonderd volgelingen bij mij!” zoo sprak hij. “Marko’s tent is ver weg. Ziet gij ze niet ginds in de verte? Bovenop is een gouden appel bevestigd. In den appel zijn twee groote diamanten geplaatst, die een licht verspreiden zoo ver in het rond, dat men in de naburige tenten ’s avonds geen licht behoeft op te steken.” [101]