Op zekeren dag sprak de moeder van Prins Marko aldus tot haar zoon: “O, mijn geliefde zoon, gij koninklijke Prins Marko! Waarom richt gij zooveel kerken en altaren op? Of gij hebt ernstig tegen God gezondigd en doet boete, òf gij hebt ergens een bovenmatigen rijkdom opgestapeld.” Toen antwoordde Marko van Prilip haar: “Mijn geliefde, bejaarde moeder! Ik zal u de waarheid zeggen. Eens, toen ik door het Moorsche land reisde, stond ik vroeg op, om Sharatz aan de bron te verfrisschen. Toen ik daar kwam, vond ik twaalf Mooren, die met hetzelfde doel waren gekomen—en daar ik in mijn trots mijn beurt niet wilde afwachten, stelden de twaalf Mooren zich tegenover mij, omdat zij het eerst waren gekomen. Dadelijk begonnen wij te vechten. Ik hief mijn zware knots op en velde een van de Mooren ter aarde; zijn elf metgezellen vielen mij aan en ik sloeg een tweeden tegen den grond; toen vielen de tien overblijvenden mij aan en ik doodde een derden; nog negen hielden zich met mij bezig en een vierde beet in het stof; de overige acht snelden op mij toe en ik sloeg den vijfden neer; zeven streden met mij en den zesden zond ik naar de eeuwigheid;—maar nu moest ik nog de overige zes het hoofd bieden, die mij overweldigden; zij bonden mijn armen op mijn rug en brachten mij naar hun Sultan, die mij in de gevangenis wierp. Daar vertoefde ik acht jaar, waarin ik van de jaargetijden enkel den winter kon onderscheiden, [103]wanneer de meisjes sneeuwballen door de tralies van mijn kerker wierpen. Een enkelen keer wist ik ook, dat ’t lente was, als de meisjes mij thijm toewierpen.”