[Inhoud]

De Moorsche Prinses.

Toen het achtste jaar aanbrak, was het niet zoo zeer mijn kerker, die mij bedroefde, als een Moorsch meisje, de geliefde dochter van den Sultan. Zij verveelde mij door iederen morgen en iederen avond door mijn kerkerraam te roepen: “Waarom zoudt gij omkomen in dezen kerker, o Marko? Geef mij uw woord, dat gij bereid zijt mij te trouwen en ik zal u vrij laten en uw Sharatz ook. Stapels gouden dukaten zal ik meenemen; zooveel, o, Marko, als gij ooit gewenscht hebt te bezitten.”

Toen maakte zich een diepe wanhoop van mij meester, o mijn moeder, en daarom nam ik mijn muts af, legde die op mijn knie en sprak daar als volgt tegen: “Bij mijn onwankelbaar geloof. Ik zal u nooit verlaten; noch zal ik u ooit vergeten, daarop geef ik u mijn woord! De zon zelf verandert dikwijls; in den winter is zij niet dezelfde als in den zomer, maar mijn belofte zal ik altijd houden!”

Het meisje verkeerde in de zalige dwaling, dat ik haar trouw had gezworen en opende daarom op zekeren avond, toen de schemering inviel, de deuren van mijn gevangenis en bracht mij naar mijn vurigen Sharatz, terwijl zij voor zich zelf een mooi, edel rasdier had laten optuigen. Beide paarden droegen op hun rug zakken gevuld met dukaten. Het Moorsche meisje bracht mij mijn meest geharde zwaard en wij spoedden ons snel door het Moorsche land.

Toen de duisternis inviel, wierp ik mijzelf op den grond om te slapen, de Moorsche prinses deed eveneens, en zie: zij sloeg haar armen om mij heen. En ik keek naar haar, moeder, en ik zag hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar tanden! Ik huiverde van afschuw en nauwelijks wetende wat ik deed, sprong ik op, besteeg mijn Sharatz en galoppeerde als een krankzinnige weg, haar alleen [104]achterlatende. Het meisje riep mij in doodsangst na: “O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Verlaat mij niet zoo!” Maar ik wilde mijn vlucht niet onderbreken. “Toen en daar, o moeder heb ik tegen God gezondigd! Toen was het, dat ik goud in overvloed bezat en daarvan heb ik talloos veel kerken en altaren gebouwd om mijn zonde te boeten!”

Ik zag, hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar handen! Ik huiverde van afschuw

Ik zag, hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar handen! Ik huiverde van afschuw