Prins Marko en Milosh van Potzerye reden vroeg in den morgen over den schoonen berg Mirotch. Zij droegen hun lansen en lieten hun paarden draven. Zij hadden elkaar zoo hartelijk lief, dat zij elkaar nu en dan omhelsden. Plotseling begon Marko slaperig te worden op zijn Sharatz en beproefde zijn makker over te halen wat te zingen, teneinde hem wakker te houden. Daarop antwoordde Milosh: “O, lieve broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Ik zou graag voor u zingen, maar verleden nacht, toen ik met veela Raviyoyla was, dronk ik veel te veel wijn, en toen dreigde zij mij, dat zij mijn hart en mijn keel zou doorboren met pijlen, als zij mij weer hoorde zingen.”
Maar Marko drong aan: “O zing, lieve broeder! Vrees de veela niet, zoolang ik, Prins Marko, leef; en zoolang ik mijn Sharatz en mijn zeshoekigen knuppel heb!”
Zoo begon Milosh om zijn pobratim genoegen te doen een schoon lied te zingen, waarin verhaald werd van hun dappere en deugdzame voorouders; hoe zij koninkrijken hadden gesticht en geregeerd over het aanzienlijke Macedonische rijk; en hoe elk van deze goede vorsten een altaar of een kerk had opgericht.
Het lied beviel Marko zoo zeer, dat hij onder invloed van Milosh welluidende stem in slaap viel. Maar de veela hoorde het lied eveneens, en met haar zangen wisselde zij die van Milosh telkens af, waarbij zij haar best deed, om hem te toonen, dat zij beter zong dan hij. In werkelijkheid echter zong Milosh beter, want hij had een prachtige [105]stem en dit maakte de veela zeer boos; zij nam twee dunne pijlen, spande haar boog en doorboorde eerst zijn keel en daarna zijn hart.
Milosh slaakte een doordringenden kreet: “Helaas, o, mijn moeder! Helaas, Marko, mijn broeder-in-God! De veela heeft mij met haar boog geschoten! Heb ik u niet gezegd, o pobratim, dat ik niet moest zingen op den berg Mirotch?”