Amouradh, de groot-vizier, trok eens uit met een jachtgezelschap van twaalf Turksche krijgslieden, waarbij hij ook Prins Marko had uitgenoodigd. Zij joegen drie dagen, zonder in het woud op de hellingen van het gebergte op [107]wild te stooten. Maar zie, daar zagen zij eensklaps een groen meer, waarop een vlucht wilde eenden zwom! De vizier liet zijn valk los en beval hem neer te schieten op een goudgevleugelden eend. De valk was echter niet eens in de gelegenheid den eend te zien, zoo snel vloog deze naar de wolken; wat de valk betrof, die streek op de takken van een pijnboom neer.
Toen sprak Prins Marko tot den vizier: “Is het mij vergund, o vizier Amouradh, mijn valk los te laten en te beproeven den goudgevleugelden eend te vangen?” “Zeker moogt gij dat, Prins Marko,” antwoordde de vizier.
Toen liet de koninklijke Prins Marko zijn valk los en de vogel steeg omhoog naar de wolken, viel daar de prooi met gouden vleugels aan en droeg haar omlaag naar den voet van den groenen pijnboom.
Toen de valk van Amouradh dit zag, werd hij zeer opgewonden, en zijn natuur getrouw, trachtte hij den buit van den anderen te grijpen; hij wendde zich met een heftige beweging naar zijn mededinger en beproefde den eend uit zijn klauwen te trekken. Maar de valk van Marko was buitengewoon dapper, ook in dit opzicht zijn meester waardig en wilde zijn welverdiend zegeteeken aan niemand afstaan dan aan zijn meester. Daarom verzette hij zich vinnig tegen den valk van Amouradh en trok heftig aan diens trotsche veeren.
Toen de vizier dit zag, werd hij ook opgewonden en stormde in groote woede naar de strijdenden en slingerde den valk van Prins Marko driftig tegen een pijnboom, zoodat zijn rechter vleugel brak. Daarna steeg hij met zijn volgelingen te paard en rende weg van het tooneel van zijn gewelddaad.
De edele valk weeklaagde, toen hij op den grond lag, van pijn, en Prins Marko kwam spoedig naar hem toe en drukte hem tegen zijn borst, want hij hield heel veel van hem. Daarna verbond hij teeder zijn gewonden vleugel en sprak den vogel geroerd toe: “Wee u en mij, [108]mijn valk, dat wij gingen jagen met den Turk zonder onze dierbare Serviërs, want de Turk moet steeds de rechten van anderen schenden!”
Nadat hij den vleugel van den valk had verbonden, sprong Marko op Sharatz en rende door het bosch zoo snel als een veela. Weldra had hij den berg achter zich gelaten en zag hij de vluchtende Turken voor zich. De vizier wendde zich om in het zadel en zag, dat Marko hen op eenigen afstand volgde, waarom hij aldus zijn twaalf metgezellen aansprak: “Gij, mijn kinderen—gij, twaalf dappere helden; ziet gij gindschen bergnevel naderen, die den koninklijken Prins Marko omhult? Hoort, hoe geweldig hij zijn Sharatz aanzet. God alleen weet, wat ons boven het hoofd hangt!”