[Inhoud]

Prins Marko en Moussa Kessedjiya14.

Moussa Arbanass15 dronk op zekeren dag wijn in een witte herberg in Istamboel. Toen hij vrij veel had gedronken, [110]sprak hij aldus: “Het zal nu ongeveer negen jaar geleden zijn, dat ik in dienst trad van den sultan te Istamboel; toch heeft hij mij nimmer een paard, noch wapenen, noch een fluweelen mantel gegeven! Op mijn woord, ik zal tegen hem opstaan. Ik zal naar de kust gaan, op de schepen in de havens beslag leggen en al de wegen bezetten, die er heen leiden: en dan zal ik voor mij zelf een koula bouwen, waarom heen ik galgen zal oprichten met ijzeren haken, en daaraan zullen zijn hodja’s (priesters) en hadji’s (pelgrims) hangen.”

De bedreigingen, die de Albanees in zijn dronkenschap uitte, voerde hij ook werkelijk uit, toen hij zijn roes had uitgeslapen. Hij werd een opstandeling, nam bezit van de zeehavens en de hoofdwegen, nam de rijke kooplieden gevangen en beroofde hen en hing de hodja’s en hadji’s van den Sultan op. Toen de Sultan van al deze wandaden hoorde, zond hij den groot-vizier Tyouprilitch met drie duizend manschappen uit om Moussa te onderwerpen. Maar, helaas! Nauwelijks had het Turksche leger de kust der zee bereikt, of Moussa joeg het uiteen en nam den groot-vizier gevangen. Hij bond hem aan handen en voeten en zond hem aldus naar zijn heer te Istamboel terug.

Nu vaardigde de Sultan in wanhoop een proclamatie uit over geheel zijn uitgestrekt rijk, waarin hij ontzaglijke rijkdommen beloofde aan den ridder, die den oproerling zou overwinnen. Menig dapper ridder trok uit om den oproerling te bevechten, maar helaas, niet een keerde naar Istamboel terug om het beloofde goud op te eischen! Deze vernedering bereidde den Sultan onuitsprekelijk veel verdriet en zorg.

Eindelijk kwam de groot-vizier Tyouprilitch tot hem en zei: “Sire, roemrijke Sultan! Indien wij nu slechts den koninklijken Prins Marko bij ons hadden! Hij zou Moussa, den Bullebak, zeker overwinnen!”

“O, martel mijn ziel niet door over den vorstelijken ridder Marko te spreken! Zijn beenderen moeten reeds [111]lang verbleekt zijn, want er zijn op zijn minst drie jaren voorbij gegaan, sinds ik hem in mijn donkersten kerker wierp, waarvan de deur stevig gesloten bleef.”

Daarop vroeg de vizier: “Genadig heer, wat zoudt u den man geven, die Marko levend in uw tegenwoordigheid bracht?” En de machtige Sultan antwoordde: “Ik zou hem het vizierschap over Bosnië geven met de belofte daar negen jaar te mogen blijven, zonder teruggeroepen te worden en ik zou zelfs geen dinar vragen van de inkomsten en belastingen, die hij mocht verzamelen.”