[Inhoud]

Er wordt om Marko gezonden.

Dit hoorende spoedde de sluwe vizier zich naar de gevangenis, opende de deur van den kerker, haalde er den koninklijken Prins Marko uit en leidde hem voor den Sultan. Het haar van Marko was zo lang geworden, dat het tot den grond reikte. Op de helft sliep hij ’s nachts, terwijl hij zich met de andere helft bedekte. Zijn nagels waren zoo lang, dat hij er mede kon ploegen, door het vocht en het vuil van den kerker was hij zoo veranderd, dat hij zoo zwart leek als een zwarte steen.

Toen de Sultan hem zag, riep hij uit: “Leeft gij nog, Marko?” “Ja ik leef nog, maar kan nauwelijks mijn ledematen gebruiken,” antwoordde de held.

De sultan ging voort en vertelde Marko van de wandaden van Moussa en vroeg hem: “Zoudt gij in staat zijn, o, Marko, naar de zeekust te gaan en Moussa Kessedjiya te dooden? Indien gij dat wildet doen, zou ik u graag zooveel geld geven, als gij maar wenschen kunt.”

Hierop antwoordde Prins Marko: “Helaas, o Sire, de vochtigheid van den steenen kerker heeft mijn ledematen verlamd en mijn oogen verzwakt. Hoe zou ik het wagen met Moussa een tweegevecht aan te gaan? Maar indien gij wilt, dat ik die heldendaad onderneem, verleen mij dan gastvrijheid in een goede herberg, voorzie mij van een overvloed van wijn en brandewijn, vet schapenvleesch en [112]goed wit brood; misschien, dat ik dan weer mijn krachten terug krijg. Ik zal het u doen weten, zoodra ik mij in staat voel een tweegevecht aan te gaan.”

Toen hij dit vernam, riep de Sultan eenige dienaren om Marko te wasschen, zijn haar te knippen, hem te scheren en zijn nagels te knippen. Daarna liet hij hem met eerbewijzen brengen naar de Nieuwe Herberg, waar alles, wat hij begeeren kon, in overvloed aanwezig was.

Marko bleef drie maanden in de herberg, at en dronk vol ijver en zoo was hij reeds vrijwel op krachten gekomen, toen de Sultan hem vroeg: “Voelt gij u thans in staat Moussa te overwinnen, want mijn arme onderdanen zenden mij onophoudelijk klachten over dien vervloekten roover?”

En Marko antwoordde den Sultan aldus: “Laat mij een stuk volkomen droog hout van een mispelboom brengen, dat negen jaar geleden afgehouwen is, opdat ik mijn kracht beproeve!” Toen het stuk hout gebracht werd, nam Marko het in zijn rechterhand en drukte het zoo hard samen, dat het in drie stukken brak. “Op mijn woord, Sire, mijn tijd is nog niet gekomen; het tweegevecht met zulk een gevaarlijk tegenstander als Moussa durf ik nog niet aan!”

Dus bleef Marko nog een maand in de Nieuwe Herberg, etende, drinkende en rustende, totdat hij zich wat sterker voelde. Daarna vroeg hij weer om een droog stuk van een mispelboom. Toen het hout hem werd gebracht, drukte hij het met zijn rechterhand samen, totdat het in stukken brak en nu kwamen er twee druppels water uit. Toen zei Marko tegen den Sultan: “Sire, nu ben ik gereed het tweegevecht aan te gaan.”