Toen besteeg Marko zijn Sharatz en reed naar de zee, den geheelen weg langs vragende, waar hij Moussa zou kunnen vinden. Op zekeren morgen heel vroeg reed hij de engte van Katchanik in, waar hij eensklaps Moussa Kessedjiya zag, die bedaard op zijn zwarte paard zat met [114]gekruiste beenen en zijn knots naar de wolken wierp en weer met zijn rechterhand opving. Toen de twee ridders elkaar ontmoetten, zei Marko tegen Moussa: “Ridderlijke Moussa, ga terzijde en laat het pad vrij voor mijn Sharatz om voorbij te gaan! Ga terzijde of buig voor mij!”
Hierop antwoordde Moussa: “Ga rustig verder, Marko, begin geen twist. Nog beter, laat ons afstijgen en samen wat gebruiken. Ik zal nooit terzijde gaan om plaats voor u te maken. Ik weet heel goed, dat gij geboren werd uit een koningin in een paleis en op zijden kussens werd gelegd. Ongetwijfeld wikkelde uw moeder u in zuivere zijde, en maakte zij de zijde vast met gouden draden en gaf u honig en suiker; mijn moeder was een arme Albaneesche, en ik werd geboren op de koude rotsen naast de schapen, die zij hoedde; en zij wikkelde mij in ruwe, zwarte stof en bond die om mij heen met doornentakken; zij voedde mij met havermeel—en zij liet er mij een eed op doen, dat ik nooit voor iemand opzij zou gaan.” Dit hoorende wierp Marko van Prilip zijn speer naar de borst van Moussa, maar de woeste Albanees ving die met zijn krijgsknots op, ze schampte af, en suisde hoog boven zijn hoofd. Toen trok Moussa zijn eigen speer en mikte op de borst van Marko. Maar de koninklijke held ving ze op zijn knots op en ze brak in drie stukken. Zij trokken nu beiden hun zwaard uit de scheede en vielen op elkaar aan. Marko deed een krachtigen uitval, maar Moussa stelde zich met zijn knots te weer en Marko’s zwaard was verbrijzeld. Onmiddellijk hief Moussa zijn eigen zwaard op, om zijn tegenstander te raken, maar Marko ving den slag op dezelfde manier op en het wapen brak bij het gevest af. Daarna bewerkten zij elkaar met hun knotsen, totdat ook deze braken. Toen stegen zij af en grepen elkaar met groote woestheid aan. De beroemde helden stonden elkaar, de ridderlijke Moussa en de koninklijke Marko. Moussa kon Marko niet ter aarde krijgen en Marko kon Moussa niet overwinnen. Een ganschen zomermorgen [115]worstelden zij met elkaar. Ongeveer op het middaguur kwam wit schuim op de lippen van Moussa en Marko’s lippen waren bedekt met schuim en bloed.
Toen riep Moussa uit: “Werp mij neer o, Marko! of indien gij dat niet kunt, laat mij u dan neerwerpen!”
Marko deed al zijn best, maar zijn pogingen waren vergeefs. Toen Moussa dit zag, spande hij zijn laatste krachten in, hief Marko van den grond op, wierp hem in het gras en drukte zijn knieën op zijn borst.
Marko riep, toen hij zag in welk gevaar hij zich bevond: “Waar zijt gij nu, mijn zuster-in-God, gij veela? Waar zijt gij heden,—dat gij geen oogenblik langer leven moogt! Nu zie ik, dat uw eed valsch was, toen gij mij zwoert, dat gij mij in gevaar zoudt bijstaan!”
Toen verscheen de veela van achter de wolken en zei: “O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko! Zijt gij mijn woorden vergeten: Ik heb u gezegd, dat gij nooit op Zondag zoudt vechten? Ik kan u niet helpen, want het zou niet eerlijk zijn, dat twee tegen een streden. Waar zijn uw verborgen dolken?”
Moussa wierp een blik naar de wolken om te zien, vanwaar de stem kwam en dit was zijn ongeluk, want Marko maakte van dat oogenblik gebruik, trok een verborgen degen en sneed met een plotselingen stoot Moussa’s lichaam open van zijn middel tot zijn nek.
Marko maakte zich met moeite los uit de omhelzing van den afzichtelijken Moussa en daar het lijk op den rug lag, zag de Prins door de gapende wond, dat zijn tegenstander drie rijen ribben had en drie harten. De wanden van een der harten waren ingevallen, een ander klopte nog heftig, op het derde ontwaakte juist een slang, en toen deze Marko zag, siste ze tegen Marko: “Dank God, o koninklijke Prins Marko, dat ik sliep, terwijl Moussa leefde, want een drievoudig ongeluk zou u anders getroffen hebben!”
Toen Marko dit hoorde, stroomden de tranen langs [116]zijn wangen en hij jammerde: “Helaas! Genadige God, vergeef mij, ik heb een beter ridder gedood dan ik ben!”
Daarna sloeg hij het hoofd van Moussa af met zijn zwaard, stak het in den voederzak van Sharatz, en keerde zegevierend naar Istamboel terug. Toen hij het hoofd van Moussa voor den Sultan wierp, was deze vorst zoo ontsteld, dat hij opsprong “Vrees den doode niet, o genadig Sultan! Indien gij reeds verschrikt zijt bij het zien van Moussa’s hoofd, wat zoudt gij dan wel gedaan hebben, indien gij hem levend had ontmoet?”
De Sultan gaf drie tovars goud aan Marko, die naar zijn kasteel te Prilip terugkeerde.
Wat Moussa de Bullebak betrof, hij bleef op den top van den berg Katchanik.