“O, Gij eenig en ondeelbaar God! Dat allen u verheerlijken!”—Tsaar Lazarus zat aan het avondeten en de tsarina Militza zat met hem aan; zij was treurig en neerslachtig. Dit was de tsaar van zijn geliefde gade niet gewoon en daarom verontrustte het hem niet weinig. Hij vroeg haar teeder: “O, Militza, mijn tsarina! Indien ik u een vraag deed, zoudt gij mij dan naar waarheid antwoorden? Waarom zijt gij hedenavond zoo droefgeestig, zoo treurig en zoo bleek? Mist gij iets in ons kasteel, dat gij gaarne zoudt hebben?”
De tsarina antwoordde: “O, tsaar Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Waarlijk, wanneer gij ook tot mij spreekt, nooit antwoord ik anders dan de waarheid. Niets ontbreekt mij in ons kasteel; maar waarlijk ik voel mij diep ongelukkig. Want de Zmay van Yastrebatz komt sedert verleden jaar elken nacht in mijn toren om mij te omhelzen.”
Tsaar Lazarus zei ten hoogste verbaasd: “Luister naar mij, o tsarina Militza! Indien gij u hedenavond hebt teruggetrokken in uw vertrek in den witten toren en uw betooverde minnaar komt weer, vraag hem dan of er iemand is behalve God, dien hij vreest en of er op deze aarde een held gevonden wordt, dien hij hooger acht dan zich zelf!”
Spoedig na het avondeten ging de tsaar naar zijn nauwe en veel verdiepingen tellende tchardack,2 en de tsarina trok zich terug in haar toren. Men kon zien, hoe de berg Yastrebatz plotseling gloeide, alsof hij in brand stond en hoe uit de vlammen de Zmay over de effen vlakte van Kroushevo recht op den toren van de tsarina toevloog.
Toen hij het vertrek van de tsarina binnenging, deed [131]hij zijn feeachtig gewaad af en keek teeder naar de schoone vrouw. De tsarina deed, alsof zij haar minnaar welkom heette en na een poosje zei zij: “Ik bid u, o Zmay van Yastrebatz, u, die zoo onverschrokken naar mijn toren komt, zeg mij, of er iemand is naast God, dien gij vreest? En of er in de geheele wereld een held leeft, dien gij hooger schat dan u zelf?”
Daarop antwoordde de Zmay verbaasd, “Zwijg, o Militza! (of dat gij anders voor altijd sprakeloos moogt blijven!) Deze vraag stelt gij mij alleen, omdat gij door Lazarus zijt ingelicht!”
Maar Militza ontkende dit, zeggende: “Neen, dat niet! Dat ik sterve, als ik de waarheid niet zeg! Ik vraag het u, omdat ik zie, dat gij zulk een uitnemend held zijt.”
Toen de Zmay dit hoorde, vertrouwde hij den valschen eed (minder gevaarlijk zou het zijn geweest, indien een adder hem had gebeten!) en sprak aldus: “O Militza, liefste tsarina! Daar gij mij in oprechtheid vraagt, zal ik u naar waarheid antwoorden! Op de geheele aarde vrees ik niemand dan God; ook is er geen held, dien ik vrees. Maar op een vlakte, Simia genaamd, ligt een dorp, dat bekend is onder den naam Koopinovo en in dat dorp woont een Zmay-Despoot Vook; hem vrees ik, want ik heb hem gekend vanaf onze dwaze kindsheid. Wij speelden vaak samen op den top van den hoogen berg Yastrebatz, en Vook won het altijd van mij, wanneer wij het oneens waren. Vook is de eenige, dien ik vrees, want hij is de sterkste der Zmay’s op deze aarde.”
Toen de Zmay deze laatste woorden uitte, verscheen Danitza—de morgenster—aan den horizon en de Zmay nam onmiddellijk de vlucht naar zijn kasteel.
De tsarina spoedde zich naar de tchardack van Lazarus en vertelde hem, wat zij van den Zmay had vernomen. Nadat hij het verhaal gehoord had, besloot de tsaar in “dunne letters” een boodschap te zenden naar Zmay-Despoot Vook, waarin hij hem meldde, wat hij had vernomen [132]en hem smeekte naar Kroushevatz te komen en zijn verfoeilijken vijand, den Zmay van Yastrebatz, te dooden. Voor den dienst, dien hij hiermee bewees, zou Vook drie tovars dukaten ontvangen en levenslang zou hij het bestuur over het koninkrijk Sirmia bekomen.
De brief kwam in handen van Zmay-Despoot Vook en nadat hij hem doorgelezen had, dacht hij er een poos over na, wat hij zou doen. Hij had den vriend zijner kinderjaren lief, maar hij kon hem zijn schandelijk gedrag niet vergeven. Ten slotte besloot hij met den Zmay van Yastrebatz te vechten.
Hij zadelde daarom zijn zwarte paard, dat hem door een veela geschonken was en dienzelfden nacht bereikte hij nog de vlakte van Kroushevo; daar steeg hij af, sloeg zijn tent op in de tarwevelden van Lazarus en dronk koelen wijn.
Ondertusschen was de zon opgegaan, en toen de tsaar op zijn balkon heen en weer liep, zag hij eensklaps een tent in zijn akkers, en daarin een vreemd en zeer wonderlijk ridder. Hij riep onmiddellijk de tsarina en wees haar, wat hij zag. Militza riep uit, dat dit niemand anders dan Zmay-Despoot Vook kon zijn, want hij leek veel op haar tooverachtigen minnaar, den Zmay van Yastrebatz.
De tsaar zond onmiddellijk een boodschapper naar den vreemdeling, om hem te verzoeken dadelijk naar het paleis te komen, waar hem een prachtig feest zou wachten. Maar Vook antwoordde, dat hij in zijn tent wenschte te blijven en verzocht de tsarina dien nacht de deuren van haar vertrekken niet af te sluiten, maar kalm de komst van den Zmay van Yastrebatz af te wachten en overigens alles aan haar nieuwen beschermer over te laten.
Toen de tsaar het antwoord van Vook ontving, gaf hij last een uitgezocht maal gereed te maken en naar diens tent te brengen, waarbij een groote hoeveelheid roode wijn niet werd vergeten. [133]
De dag ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde en toen de nacht naderde, trok de schoone Militza zich terug. Als gewoonlijk werd de berg Yastrebatz met een gloed overtogen, en zijn heer vloog uit de vlammen regelrecht naar den toren van de tsarina en sloop in haar kamer, nadat hij zijn magisch gewaad had uitgetrokken, Plotseling hoorde hij de stem van Zmay-Despoot Vook zeggen: “Gij, die u vermeten hebt de Servische tsarina te omhelzen, kom oogenblikkelijk uit den witten toren!”
Ten zeerste ontsteld vloekte de Zmay van Yastrebatz de tsarina aldus: “Zie, Militza, dat God u vernietige! Gij hebt mij toch aan Lazarus verraden!”
Dit zeggende deed hij zijn magisch gewaad aan, en spoedde zich heen. Inplaats van als anders zich naar zijn kasteel op den Yastrebatz te richten, ging hij recht omhoog de wolken in. Vook zat hem dicht op de hielen en toen hij hem op zeer groote hoogte naderde, sloeg hij hem heftig met zijn knots en brak zijn beide vleugels.
De Zmay van Yastrebatz viel snel als een steen ter aarde, waar hij zich als een slang kronkelde en deerniswaardig kreunde.—“Dat zoo elke held gestraft worde, die zijn geheimen aan zijn minnares toevertrouwt!” kermde hij. Hij had niet lang den tijd om zich aan zijn bittere overpeinzingen over te geven, want Vook was hem gevolgd, en zoodra hij afgestegen was, sloeg hij den Zmay het hoofd af. Daarna begaf hij zich naar Lazarus en wierp het hoofd voor hem op den grond.
De tsaar was zoo verschrikt bij het zien van het afgrijselijke voorwerp, dat hij plotseling door een hevige koorts werd aangegrepen. Maar hij gaf Vook het beloofde goud en vaardigde een keizerlijk decreet uit, waarbij hij hem machtigde voor het overige van zijn leven onafhankelijk over Sirmia te regeeren. Bovendien beloofde hij Vook, dat zoo hij ooit gebrek aan goud mocht krijgen, hij zich slechts tot den tsaar behoefde te wenden, om onmiddellijk [134]uit den nood geholpen te worden. De bard eindigt: “En zij leefden lang en gelukkig te zamen, hielpen elkaar steeds, gelijk goede buren en landgenooten moeten doen; en de roem van den held leeft in den volksmond voort. De dag, waarop de straf aan den Zmay van Yastrebatz voltrokken werd, geldt nog altijd als de gelukkigste van het geheele jaar!” [135]